
In mijn vorige stukje vertelde ik dat het onderscheid tussen enerzijds iemands aangeboren eigenschappen – noem het ras of volk of de biologische kant van zijn etniciteit – en iemands aangeleerde eigenschappen (zoals religie) in de Oudheid niet zo vanzelfsprekend was. Het jodendom en de islam zijn daarvan de erfgenamen: ze definiëren nog altijd een volk in religieuze termen. Hoe komt het dat het seculiere West-Europa een onderscheid aanbrengt tussen deze twee?
Het begint in het vroege christendom. Jezus zelf was nog iemand van de oude groepsidentiteiten: zijn religieuze missie was tegelijk een nationale, namelijk het binnenhalen van de verloren schapen van Israël. Na zijn dood herinterpreteerden de eerste gelovigen zijn boodschap: je werd gered als je tot inkeer kwam en geloofde in Christus – en zo geherformuleerd viel het geloof te exporteren naar andere volken. Het Nieuwe Testament documenteert de spanningen: voor veel oorspronkelijke volgelingen van Jezus was het ondenkbaar dat het Verbond “breder” kon zijn dan alleen de Joden. Een nationale god kon er uiteraard ook zijn voor andere naties, maar dat het nationale aspect – dat de Joden het Verbondsvolk waren – werd opgerekt tot die anderen, dat kon niet.









Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.