Christelijke magie

miletus_theater_inscr_wall1
Magische tekst uit Milete

Het antieke christendom is wat ze een “valse vriend” noemen. Die term slaat van oorsprong op woorden uit een vreemde taal die lijken op woorden uit de eigen taal maar een andere betekenis hebben: dus het Duitse Meer, dat niet slaat op wat wij een meer noemen, maar verwijst naar de zee. Een instinker dus. Op soortgelijke wijze lijkt het antieke christendom bedrieglijk veel op het christendom van onze tijd, met priesters en religieuze maaltijden en heilige teksten, maar is het de vraag in welke mate het werkelijk hetzelfde is.

Veelvormig vroeg christendom

Voor het goede begrip: het huidige christendom is ontstaan in de Oudheid en niemand betwijfelt dat wat na pakweg 400 na Chr. heeft bestaan, grosso modo is wat nu bestaat. Ook staat vast dat het christendom van rond 400 is voortgekomen uit oudere vormen, die op hun beurt teruggaan op een messiaans geïnspireerde halachische stroming binnen het jodendom. Het grote probleem is nu dat die joodse stroming de inspiratie is geweest van diverse religieuze vormen, die na de regering van Constantijn zijn overvleugeld door twee ideeën: één, dat de verering van Christus de verering van andere goden uitsloot, en twee, dat binnen dit exclusivistische geloof maar één opvatting bestond, de juiste. In het Grieks: orthodoxie.

Lees verder “Christelijke magie”

Byzantijnse krabbel (2): Twee naturen

rila_councils_1_nicaea_i
De discussie over de twee naturen van Christus tijdens het Concilie van Nikaia (325) op een schildering in het Bulgaarse Rila-klooster. In het centrum, vooraan, staat Nikolaas van Myra klaar om een apostolische oplawaai te verkopen aan een ketter.

Christus was een god onder de goden en zelfs de tegenstanders van het christendom erkenden dat deze godheid bestond en ten tijde van keizer Tiberius op aarde had geleefd. Of je hem ook vereerde, en op welke wijze, was een persoonlijke keuze. Toch was er voor menigeen ook iets afstotends aan deze eredienst: wie Christus vereerde, kwam fanatiekelingen tegen die meenden dat je andere goden moest afzweren.

Dat was een gevaarlijke mening. Als zo’n exclusivist een openbaar ambt bekleedde, kon hij niet aan de stadsgoden offeren en zou hij hun wrok afroepen over de gemeenschap. Het vervolgingsdecreet waarmee keizer Decius rond 250 de vervolging gelastte is niet overgeleverd, maar wat we wél weten, suggereert dat hij iets eiste dat vooral voor exclusivisten lastig was. Van de vervolging door keizer Valerianus, enkele jaren later, staat vast dat hij deze groep op de korrel nam. Gewone Romeinse gelovigen, die niet exclusivistisch waren, liepen geen gevaar. Het vernieuwende van Constantijn de Grote is niet dat hij christen werd, maar dat hij het exclusivistische christendom de wind in de zeilen gaf en binnen die radicale stroming ook nog sympathiseerde met de groep die meende dat er een orthodoxie was.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (2): Twee naturen”

Twee dromende keizers

Licinius (Museum St.-Lazarus, Larnaka)

Wie een antieke tekst leest, zelfs als het gaat om een rationele auteur als pakweg Plinius de Oudere, wordt altijd geconfronteerd met zaken die domweg niet kunnen. Als een vorstin haar lokken offert voor de behouden terugkeer van haar man van het front, verschijnen die kort daarna als ster aan de hemel: het sterrenbeeld Hoofdhaar van Berenice. Elke belangrijke gebeurtenis wordt aangekondigd door betrouwbare voortekens. Van Jezus van Nazaret wordt verteld dat hij de lammen liet lopen en blinden deed zien en van keizer Vespasianus wordt precies hetzelfde verteld. Keizer Marcus Aurelius had een regenmaker in dienst die het Twaalfde Legioen Fulminata redde van de ondergang. En keizer Constantijn zag hoe de goden Apollo en Victoria hem lauwerkransen presenteerden.

Ik citeer nog eens de vertaling van de redevoering die voor dat visioen de eerste documentatie vormt. Deze dateert uit de zomer van 310.

U was afgebogen naar de mooiste tempel op aarde, of nee: naar de reëel aanwezige Godheid, zoals U hebt gezien. Want ja, U hebt gezien, geloof ik, hooggeachte Constantijn, hoe uw Apollo onder begeleiding van Victoria U lauwerkransen presenteerde, stuk voor stuk goed als voorteken van dertig jaren. … Maar wat zeg ik “geloof ik”? U hébt gezien. (vert. Vincent Hunink)

Lees verder “Twee dromende keizers”

Maria, moeder van god

Wandschildering van Maria (Nationaal Museum van Libanon, Beiroet)

Drie jaar geleden was ik op de Al-Bass-begraafplaats in Tyrus: een lange Romeinse straat met honderden sarcofagen, grafkamers, columbaria, torengraven en wat dies meer zij. Een enkel kapelletje voor een christen die na zijn dood is vereerd. Ergens ook een heiligdom voor de god Apollo, rond 400 door christenen overgenomen. En hier ergens moest de oudste afbeelding zijn van Maria. Een reisgenote en ik hebben even lopen zoeken voor we concludeerden dat onze informatie niet klopte. Ik vergat het fresco.

Dat u de muurschildering hierboven toch ziet, is doordat ik haar afgelopen donderdag ineens zag in de onlangs geopende benedenverdieping van het Nationaal Museum in Beiroet. Een museum dat – ik overdrijf niet – voldoende reden is om het vliegtuig naar Libanon te nemen. (Hier is het trouwens ook lekker weer.) (En ze hebben goede waterpijpen.) (De beschaving komt nu eenmaal uit het oosten.)

Lees verder “Maria, moeder van god”

En het Woord was…

De Drie-eenheid op een zeventiende-eeuwse muurschildering uit Arbanasi (Bulgarije)

[Onlangs gaf ik hier ruimte aan Alexander Smarius, die schreef over de nieuwe Bijbelvertaling van de Jehovah’s Getuigen. Elke vertaling is keuzes maken en sommige daarvan vertellen nogal wat over de vertaler zelf. Zo is er de kwestie van de openingszin van het Johannesevangelie, die Smarius hieronder toelicht, want Jehovah’s Getuigen maken daar een significant andere keuze dan andere christenen. Ik kom er later vandaag ook nog op terug in “Methode op Maandag”.]

In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.

In de meeste Nederlandstalige Bijbels is dat de openingszin van het Evangelie van Johannes (Johannes 1:1). Verderop in de tekst wordt duidelijk dat met “het Woord” de Zoon van God wordt bedoeld, Christus. Minder duidelijk is hoe de lezer moet begrijpen dat degene die “bij God” was zelf ook “God” was. Volgens de gangbare Bijbelverklaring zijn de Vader en de Zoon samen één God, zoals twee lucifers één vlam kunnen delen.

Lees verder “En het Woord was…”

Monotheïsering

Pantheon, Hadrianus 118-125
Monotheïsme in het heidendom: het Pantheon, tempel voor het algoddelijke, in Rome

Zoals de trouwe lezers van deze kleine blog weten, ben ik momenteel bezig met een reeks over de vroege geschiedenis van het christendom, waarin ik inmiddels een aantal zaken heb behandeld. Eén daarvan is dat het jodendom weliswaar een monotheïstische norm had, maar in de dagelijkse praktijk open stond voor elementen uit andere religies. Verder wees ik erop dat ideeën over een tweede godheid weliswaar niet voldeden aan die norm, maar ook niet volstrekt marginaal waren. De positie van “tweede godheid” was aan het begin van de jaartelling een vacature en het was mogelijk die door een sterveling te laten vervullen: het is denkbaar dat de Zelfverheerlijkingshymne deze hemelse status toeschrijft aan de stichter van de sekte van de Dode Zee-rollen en Paulus schrijft in de Filippenzenbrief dat Jezus een naam krijgt, hoger dan alle andere namen, wat een aanduiding is van die tweede godheid.

Dit alles roept uiteraard de vraag op waarom christenen Jezus niet langer beschrijven als middelaarfiguur. In een Romeinse context zou Jezus typeren als Gods vizier – praetoriaans prefect desnoods – simpeler zijn geweest dan de complexe Drie-eenheid, waarin in Christus twee naturen samenkwamen. Niet alleen zou het idee van Christus als een lager soort hemeling makkelijker zijn geweest, het is ook beter in lijn met de Bijbel. In de woorden van Paulus: “Christus is het hoofd van iedere man, maar de man is het hoofd van de vrouw, en God het hoofd van Christus” (1 Korinthiërs 11.3). Het idee van een Drie-eenheid is onpraktisch, staat haaks op althans sommige Bijbelteksten en is dan ook een late ontwikkeling.

Lees verder “Monotheïsering”

Een naam boven alle namen

naam

Een tijdje geleden kondigde ik een reeks aan waarin ik zou uitleggen dat de opkomst van het (monotheïstische) christendom en de neergang van het (polytheïstische) heidendom minder eenvoudig in elkaar hebben gestoken dan men wel aanneemt. Door het overlijden van mijn vader heb ik wat onregelmatig geblogd en ben ik niet verder gekomen dan de constatering dat het jodendom, waaruit het christendom is voortgekomen, in de praktijk niet scherp was afgebakend van andere religies en daarenboven zélf ook de optie had van een tweede godheid. Die had dan namen als “de Uitverkorene”, “Mensenzoon”, “Michaël” (“wie is als God?”), “Metatron”, “Lichtvorst” of “Woord van God” en hoewel die namen verschillen, kwam het er, zo beschreef ik, steeds op neer dat God een soort vizier had die de wereld regeerde.

Henochitische literatuur

Dit was geen mainstream-jodendom, maar totaal obscuur was het ook niet: het is geattesteerd in het land van Israël én de Diaspora, in rabbijnse teksten én de Dode Zee-rollen. Eén van de plaatsen waarin het denkbeeld is gedocumenteerd, is de zogeheten Henochitische literatuur. In 3 Henoch ofwel Sefer Hechalot (“Het boek der hemelse paleizen) krijgt Metatron goddelijke gewaden te dragen, Gods kroon én de naam van God. Als “kleine JHWH” is hij degene die de wereld bestuurt.

Lees verder “Een naam boven alle namen”

De Jezus van Fik Meijer (slot)

Christus als wetgever. Detail van een sarcofaag uit Rome (Louvre, Parijs)

[Het derde deel van mijn bespreking van Fik Meijers Jezus en de vijfde evangelist. Het eerste deel is hier.]

Fik Meijer wil de historische Jezus tot leven brengen, maar verwaarloost de historische Jood Jezus en negeert belangrijke Joodse bronnen. Er zijn meer punten waarop Meijer als historicus niet de kwaliteit levert die we zouden verwachten van een hoogleraar.

Eliminatie en authenticatie

Eén voorbeeld is zijn behandeling van de Bergrede, die Fik Meijer op blz.240 typeert als “de enige tekst die echt iets prijsgeeft over de door Jezus beoogde samenleving”. De tekst is echter een compositie van de evangelist Matteüs, die gebruik maakte van het materiaal uit de bron Q. De precieze reconstructie is niet helemaal onomstreden, maar voor Meijers doel – een boek voor het grote publiek – weten we er voldoende van. We beschikken dus over een oude bron, Q, en een daarvan afgeleide bron, Matteüs. In dit soort situaties dient een historicus de voorkeur te geven aan de oude bron en de jongere “te elimineren”. Dit punt is belangrijk, want Q toont de door Jezus beoogde samenleving niet echt: Meijer ziet voor Jezus’ mening aan wat in feite die van Matteüs is.

Lees verder “De Jezus van Fik Meijer (slot)”

Christelijke disputen

Nikolaas van Myra deelt een herderlijke oplawaai uit tijdens een van de christelijke disputen over de twee naturen van Christus

De Jezus van Nazaret van het Evangelie van Marcus is een menselijke mislukking. In de steek gelaten door zijn leerlingen, gearresteerd, verhoord door de Joodse autoriteiten, beschimpt door de Joden, uitgeleverd aan de Romeinen, verhoord door Pilatus, beschimpt door soldaten, uitgeleverd aan de beul, aan het kruis genageld, beschimpt door de andere gekruisigden, en stervend met de uitroep dat God hem heeft verlaten. Een uitroep die, onverdraaglijk ironisch, verkeerd wordt begrepen.

Blader even verder en lees het Evangelie van Johannes. Proloog: God is mens geworden. Jezus is een god. Blader verder naar het verhoor door Pilatus, en je vraagt je af wie hier eigenlijk terecht staat. Zelfs aan Jezus’ kruisiging zit iets triomfantelijks – hij sterft niet met een kreet vol wanhoop maar met de simpele constatering dat het volbracht is.

Lees verder “Christelijke disputen”