[Zoals beloofd een wat langer citaat uit Herodotos’ Historiën, in de vertaling van Hein van Dolen. Als u het wil nalezen: boek 3.102 en 104-106.]
In de [oostelijke] woestijn komen mieren voor die wat kleiner zijn dan honden, maar groter dan vossen. Enkele stuks zijn gevangen en die leven in de diergaarde van de Perzische koning. Die mieren maken hun hol onder de grond en graven precies als de Griekse mieren, waar ze sprekend op lijken, het zand uit.
Voor wie het mocht willen weten: het gaat vermoedelijk om marmotten.
Het zou misleidend zijn als ik zei dat de Texaanse oudheidkundige Frank Holt een van de boeiendste auteurs is over de Oudheid. Veel alternatieven zijn er namelijk niet: Holt is een van de weinigen die nieuwe inzichten presenteert in boekvorm. Terwijl de meeste oudheidkundigen artikelen schrijven voor hun vakbroeders, vindt Holt dat geschiedenis er óók is voor het grote publiek. Dat neemt niet weg dat zijn boeken de moeite waard zijn voor leek én vakman.
Van mijn vader erfde ik een paar gouden en zilveren bekers en nog geen zestig talenten in de schatkist, én ongeveer vijfhonderd talenten aan schulden die Philippus had uitstaan. Daar bovenop leende ik zelf nog eens achthonderd talenten.
Wie in de achttiende eeuw zou hebben gevraagd waar de beschaving vandaan kwam, zou hebben kunnen rekenen op verbaasde reacties: uit Mesopotamië natuurlijk! De Bijbel was daarover immers duidelijk: de eerste hoofdstukken van de Bijbel spelen in de Hof van Eden, op de vlakte van Sinjar en in de stad Harran. Ook de steden Babylon en Ur, die wat zuidelijker liggen, worden vermeld. De vroegste mensen hadden gewoond in Mesopotamië en waren daar hun paradijselijke superioriteit kwijtgeraakt. Uitzwervend over de wereld waren ze gedegenereerd.
Je zou in de achttiende eeuw ook een ander antwoord hebben kunnen krijgen, dat een andere definitie van beschaving veronderstelt. Sinds de Renaissance was men van mening dat het vooral Rome was geweest waar de wereldgeschiedenis een sprong voorwaarts had gemaakt. Daar was getoond hoe je efficiënt moest besturen, mooie kunst kon maken, goed kon schrijven. In de tweede helft van de achttiende eeuw ontstond een derde theorie: toen kregen de Grieken de reputatie als eersten het stadium van primitiviteit te hebben verlaten en dat der beschaving te hebben bereikt. Griekenlands voortreffelijkheid werd vooral verkondigd door J.J. Winckelmann, en ook al was zijn verklaring stapelgek, dit idee bleef nog enige tijd in zwang. Het scheelde weinig of de Griekse originaliteit zou zijn vastgelegd in de preambule van de Europese Grondwet, en dat zou dan even absurd zijn geweest als de wet waarmee Indiana de waarde van pi wilde vastleggen.
Sint-Maarten, Sint-Nikolaas, Kerstmis, Drie Koningen: van de cadeautjesfeesten die de christenen in de winter vierden, is het laatste het minst bekend en ik denk dat het niet veel meer wordt gevierd. Op de ochtend van 6 januari kregen de kinderen koek te eten; in één stuk was een boon verstopt; wie die kreeg, werd met houtskool zwart gemaakt en was die dag koning. Hij was vrijgesteld van karweitjes, mocht zeggen wat er werd gegeten en deelde de cadeautjes uit. In vroeger eeuwen werden ook optochten gehouden en zongen kinderen liedjes om snoep op te halen. Ik miste de zwarte koning in de Zwarte Piet-discussie.
Het verhaal is bekend: de evangelist Matteüs vertelt dat kort na de geboorte van Jezus oosterse wijzen, die wisten dat een nieuwe ster aan de hemel de geboorte aankondigde van een koningskind, met geschenken op bezoek kwamen in Bethlehem. Er is nergens sprake van drie koningen, al zijn de geschenken – goud, wierook en mirre – bepaald royaal voor een kraamvisite. Het Bijbelverhaal zit vol vreemde elementen en dan heb ik het niet over de ster, waarover het laatste woord nog niet is gezegd.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.