De moord op Julius Caesar (5): offers

Julius Caesar; portret uit Nijmegen (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

De samenzweerders hadden lang staan wachten, maar eindelijk arriveerde Julius Caesar. In zijn gezelschap was Marcus Antonius, zijn mede-consul. Veel soldaten waren er niet. Caesar had zijn lijfwacht immers ontbonden en Marcus Aemilius Lepidus, de adjudant van de dictator, was net die ochtend met wat troepen de stad uitgegaan om zich te voegen bij het leger dat al op weg was naar het oosten. De samenzweerders moeten opgelucht adem hebben gehaald: de gladiatoren die ze voor de zekerheid achter de hand hielden, zouden niet nodig hoeven zijn. Maar toen gebeurde er iets dat de aanwezigen de schrik om het hart deed slaan. De Grieks-Romeinse geschiedschrijver Appianus vertelt:

Toen Caesar uit de draagstoel stapte, nam Popilius Laenas hem apart om hem over iets dringends te spreken. Wat ze zagen maakte de samenzweerders aan het schrikken, vooral toen het zo lang duurde, en ze maakten elkaar met hoofdknikken duidelijk dat ze zichzelf zouden doden voor ze gegrepen werden. Maar in de loop van het gesprek kregen ze de indruk dat Laenas geen dingen aan Caesar onthulde, maar eerder aandrong op iets wat hij van hem had gevraagd; daarop waren ze opgelucht en vatten weer moed toen ze zagen dat hij na het gesprek vriendelijk afscheid nam van Caesar.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.116; vert. John Nagelkerken.

Lees verder “De moord op Julius Caesar (5): offers”

1700 jaar Nikaia (1): iets nieuws?

Een achttiende-eeuwse weergave van het Concilie van Nikaia (325).

Aanstaande dinsdag is het 1700 jaar geleden dat in Nikaia, het huidige İznik in Turkije, een enorme vergadering begon van christelijke leiders: het Concilie van Nikaia. (Ook wel aangeduid als Nicea, maar ik wil niet invisibiliseren.) Onder toezicht van keizer Constantijn de Grote stelden de bisschoppen een formule vast waarmee ze de relatie tussen God de Vader en God de Zoon konden beschrijven; verder namen ze besluiten over de berekening van de paasdatum, de organisatie van de kerk en de levenswijze van de geestelijken.

Uit de baaierd aan christelijke vormen ontstond één christendom, dat nog steeds bestaat. De beslissingen zijn na al die eeuwen zó vanzelfsprekend, dat we niet langer herkennen hoe revolutionair ze ooit waren.

Lees verder “1700 jaar Nikaia (1): iets nieuws?”

Judea en zijn buren: cultuur

De hippodroom van Caesarea Maritima

In het vorige blogje legde ik uit hoe de politieke landkaart van Judea en omgeving er in de nieuwtestamentische tijd uitzag. Wat van mensen woonden hier nu? Ik denk dat wij dat eigenlijk niet goed begrijpen kunnen. Dat komt ten dele doordat niet iedere gemeenschap een politieke chroniqueur had als Flavius Josephus, of religieuze literatuur als het Nieuwe Testament, de Dode Zee-rollen of de Mishna. Maar even wezenlijk is dat wij zijn geconditioneerd door de nationale staat:noot Ik krijg dat lelijke anglicisme “natie-staat” dat de laatste jaren zo populair aan het worden is, almaar niet uit mijn pen. het idee dat in één land één door zijn taal gedefinieerd volk woonde met één min of meer dezelfde cultuur. Wij zijn slecht voorbereid op de pluriformiteit van de toenmalige wereld.

Tegenstellingen

Binnen de Herodiaanse rijken waren bijvoorbeeld joodse delen, met Jeruzalem als bekendste voorbeeld, maar ook hellenistische steden als Caesarea, Samaria, Sepforis, Tiberias en Panias. Op het platteland lijken mensen waarde te hebben gehecht aan joodse gebruiken, maar dat wilde niet zeggen dat ze geen kritiek hadden op de Tempel. (Het wil ook niet zeggen, trouwens, dat wij moeten denken dat we ze kunnen begrijpen vanuit het latere rabbijnse jodendom – een fout die nogal eens wordt gemaakt.) Omgekeerd leefden er joodse groeperingen buiten wat wij instinctief geneigd zijn te beschouwen als een joods gebied. Het kan niet vaak genoeg benadrukt worden dat Jeruzalem, welke pretenties de stad ook had, niet de enige tempel voor Jahweh was.

Lees verder “Judea en zijn buren: cultuur”

De tempel in Jeruzalem

Maquette van de tempel in Jeruzalem (Israel Museum, Jeruzalem)

Ik heb het in mijn reeks over het Nieuwe Testament regelmatig over de joodse tempel in Jeruzalem. De vaste lezers hebben het plaatje hierboven al eerder gezien: de maquette die staat bij het Israel Museum. Middenin ziet u de eigenlijke tempel, links is de basiliek waar het Sanhedrin vergaderde en rechts is de Burcht Antonia, waar het Romeinse garnizoen was gestationeerd. Een wat systematische behandeling van de functie van de tempel, die heb ik echter nooit gegeven. Hier wat kanttekeningen.

Offerplaats

Om te beginnen: elke tempel was in de Oudheid de plek waar mensen kwamen om te offeren. De tempel in Jeruzalem was in zoverre bijzonder dat de priesters erin waren geslaagd de offerdienst te monopoliseren: oude offerhoogtes waren opgegeven en andere tempels voor Jahweh waren – althans voor de samenstellers van de Bijbel – niet de ware cultusplaatsen. Ze waren er overigens wel degelijk: er werd aan Jahweh geofferd op altaren op de berg Gerizim, in Elefantine, in Babylonië, in Leontopolis, mogelijk ook in Beiroet en Rome. Maar een voor een werden die tempels gesloten. Jeruzalem zelf werd in 70 na Chr. verwoest.

Lees verder “De tempel in Jeruzalem”

Armeense volkscultuur

Dvin

Nog een nagekomen krabbel uit Armenië: de christenen daar brengen nog offers. Die antieke gewoonte is in westelijker kerken als heidens terzijde geschoven maar de Armeens-Apostolische Kerk heeft haar dus gehandhaafd. Iemand kan een gelofte doen – denk aan de genezing van een dierbare of zoiets – en kan, als het gebed is verhoord, uit dankbaarheid een schaap offeren. (Ik heb de dieren te koop aangeboden zien worden langs de weg naar Geghard.) Na het offer wordt het vlees verdeeld over zeven armlastige families.

Een priester zegent van tevoren het zout dat het offerdier in de mond krijgt gelegd. Ik heb voor dit gebruik verschillende verklaringen gehoord: het dier zou erdoor worden verdoofd, het dier zou erdoor worden afgeleid, zout is het symbool van het Verbond, zout is het symbool van vriendschap. Ik vermoed dat ze allemaal waar zijn. In religieuze aangelegenheden zijn de gebruiken er eerder dan de interpretaties.

Lees verder “Armeense volkscultuur”

Nubisch offerdier

Een bijna abstract beeldje van een offerdier

Omdat ik onverwacht de stad uit moet, en omdat de zetproef van mijn nieuwe boekje Wahibre-em-achet en andere Grieken er inmiddels is, vandaag even een heel kort stukje: een afbeelding van een ram, die zo meteen geofferd zal gaan worden. Om het slachten zo snel mogelijk te laten verlopen, hebben de offeraars de poten al gebonden.

Lees verder “Nubisch offerdier”

Hoezo monotheïsme (slot)

Antiochos IV Epifanes (Bodemuseum, Berlijn)

[Dit is het laatste stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Ik beschreef dat het moeilijk valt vol te houden dat de joden monotheïsten waren en hun buren polytheïsten. Joden én veel heidenen neigden ernaar slechts één godheid te vereren en daarnaast een reeks lagere hemelingen te erkennen. Wel is het zo dat de joden monotheïstischer waren dan hun tijdgenoten.

Het eigenlijke verschil tussen joden en niet-joden ligt vermoedelijk niet bij de erkenning van niet-joodse goden of de beperking van het goddelijke tot één Allerhoogste, maar in de vorm van de verering. Het gaat er daarbij niet om dat de joden geen cultusbeeld hadden, hoewel dit aspect vaak in onze bronnen wordt vermeld. Dat was echter onvoldoende uniek om onderscheidend te zijn: de Nabateeërs, de Feniciërs en de Grieken hadden allemaal goden die ze niet afbeeldden. Van de oppergoden van Babylonië en Egypte, die aan het begin van onze jaartelling nog steeds werden vereerd, werd expliciet gezegd dat ze niet af te beelden waren – wat de Babylonische en Egyptische kunstenaars er overigens niet van weerhield het toch te doen.

Lees verder “Hoezo monotheïsme (slot)”