Johan Picardt

Coevorden, kerk
Coevorden, kerk

Een van de beste mij bekende oudheidkundige boeken is Lost World of the Golden King van Frank Holt (recensie). Hoofdstuk na hoofdstuk neemt hij u mee langs de diverse manieren waarop oudheidkundigen zich bezig hebben gehouden met de oostelijke buitenposten van de Grieks-Romeinse cultuur: Baktrië. Zeg maar het grensgebied van Afghanistan en Oezbekistan, met steden als Kampyr Tepe, Begram en Ai Khanum. Zeg maar de museumcollecties van de musea in Kabul (die u kunt kennen van reizende exposities), Tashkent en Termez. Zeg maar het gebied waar de klassieke cultuur nooit vanzelfsprekend was, waar ze elke keer opnieuw werd bevochten en waar je ziet wat mensen het belangrijkste vonden om te bewaren: een uiterlijke vormentaal die prestige verleende.

Holt vertelt hoe het onderzoek begon toen oudheidkundigen probeerden bij elke uit de bronnen bekende koningsnaam een muntportret te vinden. Dit doel was al snel verwezenlijkt maar er was een complicatie: de muntverzamelaars waren gestuit op munten van vorsten die niet in de bronnen stonden vermeld.

En dan schakelen we nu over naar Drenthe, naar het stadje waarvan u de kerk hierboven ziet: Coevorden.

Lees verder “Johan Picardt”

De Opstand, 1568-1648

De Opstand verbeeld: de Liberteit van Conscientie overwint de Tyrannie. Een van de Goudse glazen.

De Tachtigjarige Oorlog, dat is zo’n beetje de stichtingsmythe van de Lage Landen. De gewesten werden in 1549 met de Pragmatieke Sanctie tot eenheid gesmeed en het was de bedoeling dat ze voortaan één heer zouden hebben: eerst Karel V, daarna Filips II, beide uit het huis Habsburg. Het heeft niet zo mogen zijn. In 1648 werd in de Vrede van Münster vastgelegd dat het zuiden Habsburgs zou blijven, terwijl het noorden zelfstandig werd: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Zo zijn tijdens de Tachtigjarige Oorlog Nederland en België gegroeid.

Ik verbeeld me dat sommige nationale karaktertrekken tijdens dit conflict zijn ontstaan. Een simpel voorbeeld is religie: het latere België zou overwegend katholiek zijn terwijl in het latere Nederland een vorm van protestantisme dominant zou zijn. Een andere impressie, die ik niet met cijfers kan onderbouwen maar die me geloofwaardig voorkomt: Belgen trekken hun eigen plan, want de overheid is niet per se hun eigen overheid, terwijl Nederlanders, gewend aan een overlegcultuur, sneller naar de overheid kijken en zowat in paniek zijn als ergens geen regels blijken te bestaan. Als u dat al te kort door de bocht vindt, doe ik het met een voorbeeld minder maar blijf ik toch denken dat de Tachtigjarige Oorlog beslissend was voor de toekomst van de Lage Landen. Zoals gezegd: een stichtingsmythe.

Lees verder “De Opstand, 1568-1648”

De drie standen

Even voor niet-Amsterdammers: de Sint-Luciënsteeg is voor fietsers een van de belangrijkste verkeersroutes tussen het westelijke en oostelijke deel van de stad. Als je van bijvoorbeeld de Kinkerbuurt (waar ik woon) naar het centrum moet, bepalen de bruggen over de grachten hoe je kunt rijden. De route over de Rozengracht en Dam is levensgevaarlijk door de vele auto’s en sinds kort reclameborden die je afleiden; de route van het Leidseplein langs de Leidsegracht en Spui is onbegaanbaar door de vele toeristen. Op de Elandsgracht kun je echter redelijk doorfietsen en daarna is er in het verlengde een wat smal fietspad door “de negen steegjes” en verder, waarover je uiteindelijk op het Rokin en de Nes komt. Zo vermijd je de meeste auto’s en toeristen.

De flessenhals is de Sint-Luciënsteeg, vlak voor de immer drukke Kalverstraat, waar een pannenkoekenrestaurant nogal wat toeristen trekt die niet altijd in de gaten hebben dat ze op een belangrijke fietsroute staan. De wetten der gastvrijheid zijn heilig in Amsterdam, dus we rijden de bezoekers niet overhoop en beperken ons ertoe die sukkels een of andere ziekte toe te wensen.

Lees verder “De drie standen”

De helft van alle schoonheid

Lotfollah-moskee, Isfahan

Het is om een of andere reden niet algemeen bekend, maar toen de lieve God de wereld in elkaar had geschroefd, had gezien dat het allemaal goed was en zich opmaakte om de zevende dag te gaan rusten, viel hem op dat hij iets was vergeten: hij had pas de helft van alle schoonheid uitgedeeld. Zo is het dus gekomen dat het er hier op aarde soms lelijk aan toegaat.

God zat dus opgezadeld met nog de helft van alle schoonheid. En hij wilde toch echt gaan rusten. Wie zal het hem kwalijk nemen dat hij besloot op het allerlaatste moment gewoon alle schoonheid op één plek neer te leggen? En zo geschiedde. God zag dat het goed was en op de zevende dag rustte hij.

Lees verder “De helft van alle schoonheid”

Oudheid als ambitie

De Nijmeegse uitgeverij Vantilt was zo vriendelijk me een exemplaar toe te sturen van Oudheid als ambitie. De zoektocht naar een passend verleden, 1400-1700 van Karl Enenkel en Koen Ottenheym. Ik voel me bij presentexemplaren altijd wat opgelaten omdat zo’n cadeautje doorgaans een onuitgesproken (en soms wél uitgesproken) verzoek is erover te schrijven, terwijl ik vaak betwijfel of het wel verstandig is er aandacht op te vestigen. Classici, historici en archeologen leggen, wanneer ze überhaupt schrijven voor het grote publiek, de lat nogal laag en wekken daardoor vooral de indruk dat het vak intellectueel weinig voorstelt. Voor Oudheid als ambitie was ik echter meteen gewonnen.

Nou ja, bijna meteen. De inleiding is niet opwindend, maar toen ik die las had ik al gezien dat het vervolg interessant zou zijn, heel interessant. Oudheid als ambitie is zo’n boek waarvan je al jaren hoopt dat iemand het schrijft: een overzicht van de door de eeuwen veranderende omgang met de oude wereld. Idealiter is dat een trilogie, met een eerste deel over de continuïteit van de laatantieke cultuur in de Middeleeuwen, daarna een deel over de periode die begint met de Renaissance en tot slot een deel dat begint met Montesquieu en Winckelmann. Enenkel en Ottenheym bieden het middendeel.

Lees verder “Oudheid als ambitie”

Krepel wil altijt voor dansen

Breughel, "De parabel der blinden" (1568)
Breughel, “De parabel der blinden” (1568)

Ik beken dat ik de naam “Jacob Cats” altijd heb geassocieerd met bravehendrikkenpoëzie. Geen idee waarom, of het moest zijn omdat elke auteur die in de Gouden Eeuw vaak werd gelezen, op voorhand verdacht is van rijmelarij & de combinatie van God, Nederland en Oranje.

Ik had moeten weten dat dat onzin was. Een auteur als Vondel wist immers heel goed wat bijten was, zoals prins Maurits moest ontdekken. Dat blijkt ook te gelden voor Jacob Cats: met mijn eenentwintigste-eeuwse waanwijsheid ben ik erin geslaagd tot mijn tweeënvijftigste levensjaar een eigenlijk best leuke auteur te negeren.

Hieronder is het gedicht dat mijn aandacht trok. Ik kende het niet, al blijkt het overal te vinden. Het heeft niets aan actualiteit ingeboet en bewijst (voor wie daaraan mocht twijfelen) dat het Nederlands de allersuperieurste taal van de wereld is met de allersuperieurste literatuur.

Cats leefde van 1577 tot 1660. Het schilderij dat ik hierboven toevoeg, is uit 1568 en heeft niets te maken met de kreupele danser uit het gedicht, maar is Breughels “De parabel der blinden”, dat dezelfde gedachte verbeeldt: dat onze bestuurders incompetent zijn. Kreupel of blind.

Lees verder “Krepel wil altijt voor dansen”

Schermer

schermer

Gisteren moest ik voor mijn werk in Hoorn zijn en omdat ik wat last heb van een van mijn voeten, nam ik mijn fiets mee om ter plekke niet teveel te hoeven wandelen. Toen ik later terugreed naar het station, bedacht ik dat ik eigenlijk wel zin had in een wat langer fietstochtje. Niks speciaals: gewoon naar Alkmaar met een stevige wind in de rug. Ik had er behoefte aan wat uit te waaien.

Vanaf Ursem reed ik langs de noordrand van de Schermer en even verderop zag ik de bovenstaande drie molens die, ondanks de wind, niet draaiden. Er achter – helemaal links op de foto – is de boezem te zien, het kanaal waar het water uit de polder naartoe wordt opgepompt. Helemaal rechts is de Schermer zelf, en je kunt zien dat het water daar lager staat.

Gevelstenen

De Vier Heemskinderen, gevelsteen op de hoek van de Herengracht/Leidsegracht in Amsterdam

Blader in boeken over de geschiedenis van de kunst en je ziet schilderijen, architectuur en beelden uit ’s wereld beste musea. Typische volkskunst staat er zelden bij, terwijl die vaak net zo leuk is en een eigen verhaal vertelt. Vandaag iets over gevelsteentjes.

Het genre is vrijwel uniek voor de Lage Landen: je vindt gevelsteentjes eigenlijk vooral in de Nederlandse en enkele Belgische steden, hoewel er elders in West-Europa ook enkele zijn. Dat ik hieronder alleen Amsterdamse gevelstenen toon, mag u uitleggen als hoofdstedelijke arrogantie maar is in feite omdat ik daar nou eenmaal woon en ik mijn camera niet bij me heb in Hoorn, Zutphen, Middelburg, Maastricht of Antwerpen – al weet ik dat ook daar leuke steentjes zijn.

Lees verder “Gevelstenen”

Reinerus Neuhusius (3)

[Op 12 december 2014 publiceerden S. Sybrandy en P. van Tuinen het boek Geldzucht en godsvrucht. Bloemlezing uit de brieven van rector Reinerus Neuhusius (1608-1679). Historicus Wiebe Bergsma sprak bij die gelegenheid. Het eerste deel las u hier.]

Als historicus weet ik dat wij vrijwel permanent in een geschonden wereld in de schaduwen van morgen leven: als de maatschappij, levensbeschouwelijke organisaties, het onderwijs in het algemeen en de universiteit in het bijzonder al niet permanent in crises verkeren dan construeren geleerden of (bijvoegsel)filosofen die crises beroepshalve. Scholieren lezen niet, studenten kunnen zich niet goed uitdrukken in het Latijn of het Engels en worden steeds dommer, universiteiten zijn poelen van verderf, hoogleraren zijn slechts uit op geldelijk gewin en streven met name via bijbanen naar een meer dan batig-slot-politiek, ideologie prevaleert boven zuivere wetenschap, zie daar een litanie die niet aan tijd en plaats gebonden is.

Lees verder “Reinerus Neuhusius (3)”

Reinerus Neuhusius (2)

[Op 12 december 2014 publiceerden S. Sybrandy en P. van Tuinen het boek Geldzucht en godsvrucht. Bloemlezing uit de brieven van rector Reinerus Neuhusius (1608-1679). Historicus Wiebe Bergsma sprak bij die gelegenheid. Het eerste deel las u hier.]

Reinerus Neuhusius was de zoon van een rector van de Latijnse school in Leeuwarden. De familie kwam oorspronkelijk uit het Duitse Steinfort. Reinier studeerde in Franeker, was gouverneur van drie geprivilegieerde Friezen tijdens hun studiereis door Engeland en Frankrijk, werd rector van de Latijnse school in Harlingen en vervolgens werd hij in 1638 in eenzelfde functie benoemd in Alkmaar. Hij publiceerde tal van boeken en had als nevenfunctie het bestieren van een kostschool die van heinde en ver meestal gereformeerde jongens – vrouwen speelden amper een rol in het onderwijs – uit gegoede adellijke Friese families aantrok.

Lees verder “Reinerus Neuhusius (2)”