Oudheidkunde en oudheidkundes

Niet dat dit theatermasker uit het museum in Thessaloniki iets wezenlijks over oudheidkunde overdraagt, maar ach, het is wel zo aardig.

Het kwam vorige week even ter sprake: wat is eigenlijk het verschil tussen al die oudheidkundige disciplines? Misschien is het zinvol om wat begripsverheldering te bieden, temeer omdat ik nogal eens word geconfronteerd met mensen die niet begrijpen dat geschiedenis een vak is.

De classici

De oude wereld wordt vanouds bestudeerd door mensen die ik classici zal noemen. Die staan in een prachtige traditie, teruggaand op de Renaissance, toen de inzet was dat de mensen graag beter wilden schrijven en de Oudheid als voorbeeld namen. Er waren destijds ook geleerden die de Oudheid niet zozeer wilden volgen maar gewoon wilden kennen. In feite zijn deze attitudes nog altijd aanwezig: er zijn nog volop classici die vooral bewondering voelen voor wat inderdaad mooi is – het boek van Simon Goldhill dat ik ooit besprak is een voorbeeld – en er zijn mensen die hun vakgroep liever “Griekse en Latijnse taal en cultuur” noemen. Meestal worden ze samen aangeboden, al oogt dat toch een beetje alsof je het hebt over de faculteit “Franse en Duitse taal en cultuur”, maar zo vreemd is dat niet: een groot deel van de Romeinse literatuur is nu eenmaal in het Grieks. Veel opvallender is eigenlijk de afwezigheid van het Aramees voor wie de literatuur en cultuur van de Romeinen wil bestuderen.

De archeologen

De tweede grote groep wetenschappers die zich met de oude wereld bezighoudt, zijn de archeologen. Oorspronkelijk waren dat vooral kunsthistorici à la Winckelmann, die de bewonderende houding deelden met sommige classici. Ik kan ver met hen mee gaan. Als ik niet meer minimaal eens per week zou denken “dit is mooi”, zou ik ander werk moeten gaan zoeken.

Lees verder “Oudheidkunde en oudheidkundes” →

Beit Beirut

Beit Beirut

Ik heb al vaker over de Libanese burgeroorlogen geblogd. Je merkt er in Libanon eigenlijk elke dag wel iets van, niet zozeer doordat de mensen elkaar nog naar het leven staan maar doordat de gevolgen zo blijvend zijn. Vaak gaat het om heel triviale dingen. Ik noemde al eens het feit dat Beiroetis hun straten nooit aanduiden met de officiële namen, maar ik zou ook hebben kunnen schrijven over het grote aantal auto’s, want het openbaar vervoer heeft de burgeroorlogen niet overleefd.

Vandaag kwam ik in Beit Beirut, een ooit elegant Ottomaans huis aan de Rue de Damas ofwel de beruchte Groene Lijn die ooit het christelijke Oost-Beiroet scheidde van het islamitische West-Beiroet. Het huis werd de vaste basis van christelijke sluipschutters, want het had grote ramen, waardoor een wijd schootsveld viel te bestrijken. Het werd dus ook zelf onder vuur genomen en de kogelgaten zijn nog altijd zichtbaar. Het resultaat ziet u hierboven. In 2008 werd een begin gemaakt met de restauratie, die voor een groot deel is gefinancierd door de stad Parijs.

Lees verder “Beit Beirut” →

De Groene Lijn

Rue de Damas, Beiroet

Gisteren ben ik van het Libanese Nationaal Museum in Beiroet langs de Rue de Damas gewandeld naar de Place des Martyrs. Het is geen grote afstand en hier en daar zijn zelfs toegankelijke trottoirs, wat in deze stad geen vanzelfsprekendheid is. Op vier plaatsen zag ik bouwvallen als de bovenstaande: overblijfselen uit de tijd van de Burgeroorlogen. Ook het bestaan van stedelijke ruïnes is geen vanzelfsprekendheid, want het einde van de gevechten is vrijwel even lang geleden als de val van De Muur en zoals Berlijn sindsdien totaal is veranderd zo is ook Beiroet vrijwel geheel herbouwd.

Beide steden zijn arm aber sexy, maar zoals in Duitsland de gevolgen van de Koude Oorlog niet volledig zijn uitgewist, zo zijn in Libanon de Burgeroorlogen als een wond die weliswaar is gesloten maar zó weer kan worden geopend.

Lees verder “De Groene Lijn” →

Straatnamen in Beiroet

Het hotel in Beiroet waar ik momenteel verblijf, het Commodore, is gevestigd aan de Rue Baalbek, maar er is niemand die de straat zo noemt. Commodore Street is de gebruikelijker naam. Het is natuurlijk tevens de meest logische naam, maar helaas komt ze niet voor op de landkaarten.

De simpele waarheid is dat Beiroet door de burgeroorlogen nogal is veranderd en dat officiële namen daardoor niet altijd relevant waren. De natuurlijke neiging van mensen om zich te oriënteren aan de hand van opvallende punten in het landschap en de namen daarop te baseren, nam het vervolgens over. Zo ontstonden nieuwe namen, ook daar waar de officiële namen prima zouden hebben voldaan.

Lees verder “Straatnamen in Beiroet” →

In memoriam Simone Mooij-Valk (4)

Ploeger (Gevelsteen, Stoofsteeg, Amsterdam)

[Vandaag twee jaar geleden overleed Simone Mooij-Valk. Voor het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2016/2017 mocht ik haar levensbericht schrijven. Het aardige van zo’n tekst is dat je, meer dan in een necrologie in een krant, ruimte hebt om iets over iemand te vertellen. Bij dezen een iets aangepaste digitale versie, waarvan het eerste deel hier is.]

Een energieke oude dag

Simones literaire activiteit beperkte zich niet tot vertalingen. Van haar artikelen is ‘Het afscheid bij de poort’ (in de in 1998 verschenen bundel Receptie van de klassieken X) vermeldenswaard. Ze beschrijft hierin hoe een van de bekendste scènes uit de Ilias – Hektor neemt afscheid van zijn vrouw Andromache en zijn zoon Astyanax – bleef terugkeren in de latere literatuur. Het aardigst is dat Simone oppert dat het soldatenliedje Lili Marleen weleens een van de jongste takken aan deze boom kan zijn. Zulke speelse observaties waren typerend voor haar.

Lees verder “In memoriam Simone Mooij-Valk (4)” →

In memoriam Simone Mooij-Valk (3)

Alexander (Antikensammlung, Berlijn)

[Vandaag twee jaar geleden overleed Simone Mooij-Valk. Voor het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2016/2017 mocht ik haar levensbericht schrijven. Het aardige van zo’n tekst is dat je, meer dan in een necrologie in een krant, ruimte hebt om iets over iemand te vertellen. Bij dezen een iets aangepaste digitale versie, waarvan het eerste deel hier is.]

De Grieks-Romeinse wereld

Philostratus’ Het leven van Apollonius van Tyana was Simones laatste en langste vertaling. Ze begon ermee in 2010 en het boek lag eind 2013 al in de winkels. De auteur leefde in een tijd die weleens wordt aangeduid als ‘crisis van de derde eeuw’. Die naam suggereert meer problemen dan er feitelijk zijn geweest, maar het intellectuele leven was zeker aan verandering onderhevig. De oude religieuze culten kregen bijvoorbeeld concurrentie van ‘heilige mannen’: charismatische, rondzwervende intellectuelen over wie de wonderlijkste verhalen de ronde deden. De verering van Jezus van Nazaret is het bekendste voorbeeld, maar de pythagoreïsche filosoof Apollonius van Tyana is een goede tweede.

Lees verder “In memoriam Simone Mooij-Valk (3)” →

In memoriam Simone Mooij-Valk (2)

Marcus Aurelius

[Vandaag twee jaar geleden overleed Simone Mooij-Valk. Voor het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2016/2017 mocht ik haar levensbericht schrijven. Het aardige van zo’n tekst is dat je, meer dan in een necrologie in een krant, ruimte hebt om iets over iemand te vertellen. Bij dezen een iets aangepaste digitale versie, waarvan het eerste deel hier is.]

Stoïcijnen en epicureeërs

Alle antieke Griekse en Latijnse literaire teksten bij elkaar, dat is ongeveer twee of drie boekenkasten vol. Iedereen zal daarin selecteren en Simone koos na haar pensioen niet voor de teksten die ze op school met haar leerlingen had gelezen. Haar eerste liefde was het Latijn en ze was voornemens Boëthius’ Vertroosting van de filosofie te gaan vertalen. Omdat net in die jaren echter een andere Nederlandstalige uitgave verscheen kwam dit plan te vervallen, maar nu viel haar oog op het Griekstalige werk van Marcus Aurelius, die van 161 tot 180 na Chr. keizer was van het Romeinse Rijk. Ivo Gay, destijds directeur van uitgeverij Ambo, wilde haar vertaling graag uitgeven en nadien verschoof haar belangstelling steeds verder naar ander Griekse proza uit de Romeinse keizertijd. ‘De tweede eeuw’, zou ze later zeggen, ‘dat is mijn eeuw.’

Lees verder “In memoriam Simone Mooij-Valk (2)” →

In memoriam Simone Mooij-Valk (1)

Simone Mooij-Valk

[Vandaag twee jaar geleden overleed Simone Mooij-Valk. Voor het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2016/2017 mocht ik haar levensbericht schrijven. Het aardige van zo’n tekst is dat je, meer dan in een necrologie in een krant, ruimte hebt om iets over iemand te vertellen. Bij dezen een iets aangepaste digitale versie.]

Het was een mooie zomeravond en we waren in Rome, in de villa van de Renaissance-kardinaal Bessarion. Stoere stenen muren, een geur van mediterrane kruiden en een elegante portico, waar kaarsen brandden. ‘Je zou op zo’n veranda willen zitten,’ grapte Simone, ‘en dan een gesprek voeren over de onsterfelijkheid van de ziel.’

Het was Simone Mooij-Valk ten voeten uit. Ze kon de klassieke literatuur – in dit geval een stereotype scène uit de filosofische dialogen – relativeren met een grapje, maar die klassieke literatuur was wel voortdurend aanwezig in haar leven. Grieks en Latijn waren voor haar niet slechts twee talen die zo ooit had gestudeerd. Evenmin vormden ze alleen het schoolvak dat ze op het Groningse Praedinius Gymnasium doceerde. De klassieken waren iets dat haar leven vormde, dat ze voorleefde en dat ze met een kwinkslag in perspectief kon zetten. Een relativering die voortkwam uit een enorme kennis, gebaseerd op driekwart eeuw ervaring.

Lees verder “In memoriam Simone Mooij-Valk (1)” →

Gent, Moriaanstraat

De Moriaanstraat in Gent-Ledeberg zal niet bij iedereen een gevoel van herkenning oproepen, maar ik heb er nogal wat verleden liggen – en laat ik mijn blog eens gebruiken voor een persoonlijk verhaal. U moet eerst even weten dat er een organisatie bestaat die Internationale Bouworde heet, die jonge vrijwilligers uit Noordwest-Europa als bouwvakkers uitzendt naar plekken waar het allemaal wat minder is. Zo werkte ik dus een lange zomer (1983?) als metselaar in het huis van een echtpaar waarvan de man leed aan een geestelijke ziekte.

De buurt was niet bepaald welvarend – en zal ook nu niet gelden als de rijkste van Gent – en het huis was daar niet het enige zonder sanitaire voorzieningen. De aanleg daarvan was dus een van onze bezigheden. Ook brachten we in de muren een eenvoudig soort isolatie aan waardoor werd verhinderd dat grondwater optrok. Spectaculair chique was het huis daarna nog altijd niet, maar het alternatief zou zijn geweest dat het huis onbewoonbaar werd verklaard en dan had het echtpaar helemaal niets. De Bouworde was voor hen de enige manier om hun huis opgeknapt te krijgen en het was voor een paar jonge Nederlanders en Vlamingen en een Amerikaanse een manier om eens naar het buitenland te gaan en zo iets over de wereld te leren. Bijvoorbeeld dat je niet ver hoeft te reizen om te zien wat armoede is.

Lees verder “Gent, Moriaanstraat” →

De opgraving van Tell Deir Alla

De oudheidkundige beschikt over teksten en over vondsten. Die twee soorten data documenteren op verschillende manieren hetzelfde verleden. Ze zijn allebei lastig. De geschreven bronnen veronderstellen een wereld, een wereldbeeld en een vormentaal die grondig afwijken van de onze; ze zonder doordachte uitlegstrategie (“hermeneutiek”) lezen is zoiets als bij de Ronde van Frankrijk gaan zoeken naar de man met de hamer. Archeologische vondsten zijn dan weer ambigu en zeggen alleen maar iets als je gerichte vragen stelt. Oudheidkunde is geen kwestie van “Data, data, speak to me!” De data zeggen pas iets als je een vraag en een methode hebt.

Lees verder “De opgraving van Tell Deir Alla” →