Fietsen naar Thessaloniki: Rome

Rome, Monte Testaccio

Wat doet iemand die, zoals beschreven in de eerdere delen van dit zomerfeuilleton, 2100 kilometer heeft gefietst om in Rome aan te komen? Hij gaat nog een eind fietsen natuurlijk, want hij is weliswaar binnen de Grande Raccordo Anulare maar nog niet in Romes historische centrum.

Rome

En dus peddelde ik langs de laatste kilometers van de Via Flaminia. Bij de Milvische Brug stak ik de Tiber voor de laatste keer over en over de verder kaarsrechte weg reed ik naar de Porta del Popolo, waar onderdoor ik de oude stad binnenkwam. Over de Via del Corso – nog steeds kaarsrecht, nog steeds eeuwenoud, nog steeds in gebruik – reed ik richting Capitool.

De fiets heb ik neergezet voor het Conservatorenpaleis en dat was dat. Het eerste deel van mijn reis zat erop.

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: Rome” →

Fietsen naar Thessaloniki: de Apennijnen

Midden in de Apennijnen: de opgraving van de pars rustica van Plinius’ landgoed.

Ik was – voor degenen die vandaag instappen in het zomerfeuilleton (eerste aflevering hier) – op weg naar Rome. Weliswaar was me verzekerd dat na de Alpen de Apennijnen reuze zouden meevallen, maar het was nog een flink eind naar de bovenloop van de Tiber en vooral: ik moest klimmen naar een pas op zo’n 800 meter hoogte. Minder dan de 1300 meter naar de Col du Lautaret maar meer dan de 700 naar de Col de Montgenèvre. En ik was geen held in klimmen.

De Apennijnen

Maar het lukte allemaal goed en in Sarsina wachtte me een verrassing, namelijk het standbeeld van Plautus, de Romeinse komediedichter, die daar blijkbaar was geboren. Ik herinner me een wat statig beeld van een man in een toga die vanaf een hoge sokkel over de grote weg uitkeek, maar ik heb het met Google Earth niet kunnen terugvinden. Wel staan er in Sarsina beelden van toneelspelers in Romeinse uitrusting. Met dat laatste toon je beter wat de man heeft betekend, maar vermoedelijk zou hij zelf het eerste soort beeld leuker hebben gevonden.

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: de Apennijnen” →

Fietsen naar Thessaloniki: Ravenna

Bisschop Maximianus van Ravenna vindt dat u zijn naam niet mag vergeten. De anonymus middenin is keizer Justinianus (San Vitale, Ravenna)

Ik had u, beste lezer van dit zomerfeuilleton, gisteren achtergelaten bij het graf van Augustinus in het mooie Noord-Italiaanse stadje Pavia.

Cremona

Ik pikte daar die ochtend mijn eerste Italiaanse espressootje en fietste verder naar Cremona, dat al net zo’n fijne stad bleek te zijn als Pavia. Toch was ik in mei-juni 1992 niet op reis van stad naar stad, zelfs al zal ik er nog tientallen noemen. Ik wilde gewoon het landschap ervaren. De zon voelen, de wind in de rug hebben, ergens rechts van me de Po zien glinsteren, de populieren langs de weg zien. De middeleeuwse dom hier, het museum daar en het kasteel verderop waren zeker geen obstakels maar waren niet waarvoor ik op reis was.

Ten oosten van Cremona was een slagveld uit het Vierkeizerjaar 69: het is waar de Rijnlegioenen van de Romeinse keizer Vitellius de troepen van keizer Otho versloegen. Het verslag in Tacitus’ Historiën is adembenemend en was de reden waarom ik de omweg over Cremona had gemaakt. Niet dat er iets was te zien, maar ik wilde er zijn geweest. Ik denk dat de Bataven in Vitellius’ leger zich op die dag in april 69 wel op hun gemak zullen hebben gevoeld want het vlakke rivierenland doet wat denken aan de Betuwe.

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: Ravenna” →

Fietsen naar Thessaloniki: de Povlakte

Wat je ziet als je afdaalt naar de Povlakte: Exilles

Ik had u, beste lezer van het zomerfeuilleton waarvan de eerste aflevering hier was, achtergelaten aan de grens tussen Frankrijk en Italië. Het was de twaalfde dag van mijn reis en ik was in acht-en-een-halve dag door heel Frankrijk getrokken. Ik wil niet zeggen dat ik haast had, maar de Maastrichtse vriend bij wie ik had gelogeerd vóór ik aan deze reis begon, zou over een week aankomen in Rome en we hadden daar schertsend afgesproken. Ik had een ruime week om de stad te bereiken die Hannibal alleen maar vanaf een afstandje had zien liggen.

Maandag 11 mei 1992

Aan de afdaling naar de Povlakte zou het niet liggen. Ik suisde naar beneden en was al snel op de schaduwrijke helling naar het noorden waar Hannibals mannen sneeuw hadden gevonden die nog uit het voorafgaande jaar was. Niet veel verderop moest ik in de remmen omdat daar ineens recht voor me de abdij lag die u kent uit De naam van de roos.

Nu zegt u: “dat was fictie, Jona”, en dan heeft u gelijk.

Maar!

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: de Povlakte” →

Monnica

Grafschrift van Monnica (Sant’ Aurea, Ostia)

In de tijd waarin ik werkte aan Stad in marmer ging ik tweemaal per jaar naar Rome. Daar kon ik woonruimte huren in Ostia, een ietwat slaperig dorpje bij de kust waar het goed toeven was. Er was een coöperatie voor de boodschappen, er was een barretje voor espresso, er was een opticien die ook diarolletjes ontwikkelde en er was een stationnetje om de sneltram te nemen naar hetzij het strand hetzij het historische centrum. En er was de opgraving van de oud-Romeinse stad aan de monding van de Tiber. Ik heb er fijne tijden doorgebracht.

In de jaren tachtig van de vierde eeuw na Chr. woonde Augustinus hier, samen met zijn moeder Monnica. Als we Augustinus’ woorden mogen geloven, had Monnica het maar niets gevonden dat hij een tijd lang een manicheeër was geweest, een aanhanger van een dualistisch godsdienst die we dankzij enkele vrij recente tekstuitgaven pas de laatste tijd beginnen te doorgronden. Ondanks haar bedenkingen – of misschien wel juist daarom – volgde Monnica haar zoon vanuit hun geboorteland Algerije naar Italië, waar zoonlief carrière maakte als redenaar.

Lees verder “Monnica” →

Plinius’ landhuizen

Met weinig mensen heb ik de afgelopen jaren zo plezierig samengewerkt als met classicus Vincent Hunink. Ik zie hem te weinig. Vandaag ben ik in zijn stad Nijmegen maar is hij op vakantie en ik durf er een krat Westmalle Tripel onder te verwedden dat als hij in Amsterdam is, ik net in Leeuwarden ben of in Heerlen. Zo gaat het al tijden. Gelukkig ontmoette ik hem onlangs indirect in zijn laatste boek, een selectie vertaalde brieven van de jongere Plinius, voorzien van de titel Mijn landhuizen. Het is een van Vincents geslaagdere publicaties.

Nu zult u, kritisch als u bent, tegenwerpen dat mijn lof wat bevooroordeeld kan zijn. Maar laat ik u dan iets anders vertellen: Vincent en ik hebben nogal verschillende voorkeuren als het gaat over de wijze waarop je de Oudheid moet uitleggen. Ik heb eergisteren aangegeven dat ik denk dat, zolang mensen hun informatie halen van het internet, boeken alleen zinvol zijn wanneer ze iets bieden wat online niet bestaat. Een overzichtswerk zoals het gisteren besproken Artifice and Artifact, waarin de stof wordt aangeboden met een systeem dat ontbreekt op het wereldwijde web. Of boeken uit de Landmark-reeks, waarin de tekst wordt geflankeerd met landkaarten, foto’s, diagrammen, appendices, voetnoten, margenoten en eindnoten. Of een boek met een aparte invalshoek.

Lees verder “Plinius’ landhuizen” →

Damasus

Kopie van een van de inscripties van Damasus (Romeinse Katakomben, Valkenburg)

In september 366 overleed Liberius, de bisschop van Rome. Het was het einde van een tumultueus bewind dat in het teken had gestaan van een conflict met keizer Constantius II, die volgens onze bronnen een aanhanger was van een christelijke opvatting die bekendstaat als arianisme. Liberius had het opgenomen voor een tegenstander van het keizerlijke standpunt, bisschop Athanasius van Alexandrië, en was daarom door de keizer verbannen en vervangen door Felix II. De Romeinse geestelijkheid had daarop de terugkeer van Liberius geëist, de keizer had ermee ingestemd en geopperd dat de twee bisschoppen samen zouden regeren – Rome was ooit groot gemaakt door twee collegiaal regerende consuls, zal hij hebben gedacht – maar de Romeinse menigte had Felix al vrij snel verjaagd.

De man die in deze onoverzichtelijke situatie de kerkelijke bezittingen had beheerd, was de aartsdiaken Damasus. Hij moet het goed hebben gedaan want toen Liberius overleed, was hij de gedoodverfde nieuwe bisschop en kon hij rekenen op de steun van degenen die daarvoor bisschop Felix hadden gesteund. De aanhangers van bisschop Liberius vertrouwden daarentegen op een andere aartsdiaken, Ursinus. Om de chaos compleet te maken, bespraken de twee partijen de opvolging op twee plaatsen en kozen ze beide mannen tot bisschop. Een niet-christelijke historicus, Ammianus Marcellinus, vertelt:

Lees verder “Damasus” →

Pompeii aan het Malieveld

Frescofragment uit Pompeii

Eigenlijk had ik vandaag “methode op maandag” willen hernemen maar ik zit voor een dubbele deadline en heb even wat anders aan mijn hoofd. Ik doe er even een museumstuk tussendoor: een frescofragment uit Pompeii. Het behoorde ooit tot een decoratieve band onder een grotere wandschildering en stelt een demon voor.

Kunsthistorici kunnen het dateren tijdens de overgang van de Tweede naar de Derde Pompeiaanse Stijl. Ik vind dat eerlijk gezegd nogal kras, omdat het zo’n klein fragment betreft. Hoe dan ook: het zou rond 30 v.Chr. zijn vervaardigd. De schilder maakte dus de laatste jaren van de grote Romeinse burgeroorlogen en de machtsopbouw van Octavianus mee. Hij – ik bedoel de kunstenaar – moet in de Baai van Napels de vloot hebben zien oefenen waarmee Octavianus en Agrippa naar Sicilië voeren om hun rivaal Sextus Pompeius uit te schakelen.

Lees verder “Pompeii aan het Malieveld” →

Consullijst

De Fasti Capitolini, de consullijst van de Romeinse Republiek (Rome, Capitolijnse Musea)

Als je één stad zou moeten aanwijzen als hét centrum van de oude wereld, kun je kiezen uit Babylon, Athene, Jeruzalem en Rome. Als je in die laatste stad één plek moest aanwijzen, zou dat het Forum Romanum zijn. En daar was de Triomfboog van keizer Augustus een van de opvallendste monumenten. De inscriptie waarvan ik hierboven een fragment toon, was onderdeel van die boog (of van een monument er onmiddellijk naast).

Het is de geautoriseerde lijst van de Romeinse magistraten. Iets boven het midden leest u bijvoorbeeld Bellum Punicum Primum ofwel “Eerste Punische Oorlog”, het eerste conflict tussen Rome en Karthago. Daaronder vindt u de namen van de consuls uit het eerste oorlogsjaar: Appius Claudius Caudex en Marcus Fulvius Flaccus. Daar weer onder staan Manius Valerius Maximus en Manius Otacilius Crassus. Als u goed kijkt ziet u dat voor die regel nog XC staat. Ooit stond er CCCCXC maar vier Cs zijn weggevallen. De betekenis is dat Valerius en Otacilius consuls waren in het 490e jaar sinds de stichting van Rome.

Lees verder “Consullijst” →

Friezen in Rome

Een symbool van de vrede aan de grenzen ten tijde van Nero: de gesloten poort van Janus (Valkhof Museum, Nijmegen)

Eén van de beroemdste anekdotes over de Lage Landen in de Romeinse tijd gaat over Verritus en Malorix, twee Friese leiders die een bezoek brachten aan Rome. “Fries” wil hier overigens vermoedelijk zeggen: uit de omgeving van Velsen, want het woongebied van de Friezen strekte zich uit vanaf de monding van de Rijn tot aan de Lauwers. In elk geval vormde hun bezoek aan keizer Nero uit het eerste debacle van de Nederlandse diplomatie.

Lees verder “Friezen in Rome” →