Klassieke literatuur (6a): filosofie

Thales, de eerste beoefenaar van de Griekse filosofie (Nationaal Museum, Beiroet)

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een college aanschuiven. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag behandel ik de antieke filosofie.]

Wie de kern van de klassieken wil begrijpen, moet naar de periferie. Dat is geen grap. In Athene of Rome was de klassieke cultuur, met al haar inconsistenties en contradicties, vanzelfsprekend, maar dat was niet zo voor bijvoorbeeld een Griek in het verre Baktrië. Zijn Griekse identiteit stond voortdurend ter discussie, deels doordat hij behoorde tot een minderheid, deels doordat hij vér was van de grote centra van zijn cultuur, deels doordat niet werd voldaan aan de voorwaarden om de Griekse cultuur te laten bloeien. Zonder zee is het lastig te leven als echte Griek.

Onder zulke omstandigheden moet je keuzes maken en die verraden wat je beschouwt als de kern van je cultuur. (De kolonisten die op Mars gaan wonen, zullen ook zulke keuzes moeten maken.) De Baktrische Grieken wilden per se de wijsbegeerte bewaren, die ze herkenden in het boeddhisme en waarvan ze het belang onderstreepten met decoraties in Griekse stijl.

Lees verder “Klassieke literatuur (6a): filosofie” →

Toneel in de Oudheid

toneel_in_de_oudheid

Wat je ook mag denken van de oude Grieken en Romeinen, ze weten de aandacht wél vast te houden. Al een eeuw of zes. En terecht, want wie zich in de antieke culturen verdiept, vindt steeds weer iets om zich over te verbazen en van te genieten. Veel fans zijn lid van het Nederlands Klassiek Verbond, dat volgend jaar alweer tachtig jaar bestaat, en lezen het daarmee geaffilieerde tijdschrift Hermeneus, dat nog tien jaar ouder is.

Vanouds geven beide handen en voeten aan het Renaissance-denkbeeld dat je door kennis van de oude wereld het betrekkelijke leert zien van je eigen tijd en wat wijsheid opdoet. Beide geloven bovendien in het mooie zeventiende-eeuwse ideaal dat het genot van deze kennis, het verworven inzicht en de ontdekkingsvreugde niet het privilege moeten blijven van een geleerde elite, maar bereikbaar dienen te zijn voor iedereen.

Lees verder “Toneel in de Oudheid” →

Het proactieve Valentijnsdag-stukje

Lupercalia (Archeologisch museum, Sousse)

[Binnenkort is het Valentijnsdag en je zult zien dat weer iemand zal beweren dat dat eigenlijk een oud-Romeins vruchtbaarheidsfeest is. De klassieken moeten per se relevant worden gemaakt, desnoods met alternatieve feiten. Er is echter geen verband tussen het Romeinse en het christelijke feest, zoals mijn Amerikaanse vriend William P. Thayer, de webmaster van LacusCurtius, in een proactieve gastbijdrage uitlegt.]

Lupercalia en Valentijnsdag

Pogingen zoals deze, deze en deze om de oud-Romeinse Lupercalia (15 februari) in verband te brengen met de christelijke Valentijnsdag (14 februari) zijn verdacht. De gelijkstelling van de twee illustreert vooral een twintigste-eeuwse neiging om een liefdesfeest af leiden van antieke vruchtbaarheidsculten. Er is ondertussen geen draad bewijs voor een dergelijk verband.

Vaak wordt beweerd dat paus Gelasius (r.494-496) Valentijnsdag in de vijfde eeuw instelde, maar dat is niet waar: wat hij wél deed was een lange, strenge brief schrijven (Brief 100, Aan Andromachus) waarin hij de gelovigen het vieren van de Lupercalia verbood. Die brief noemt geen Valentinus.

Lees verder “Het proactieve Valentijnsdag-stukje” →

Possidius’ Augustinus

possidius_augustinus

Ik heb een paar maanden geleden op deze plaats geblogd over de belangrijke christelijke auteur Augustinus en, in een heel andere context, veel langer geleden over de positieve invloed die deze kerkvader nog steeds heeft. Het is een fascinerende man en bovendien een van de drie mensen uit de Oudheid van wie je denkt dat je hem echt een beetje kent. De twee anderen zijn Cicero en Herodotos.

Dit komt doordat Augustinus veel heeft geschreven, met de Belijdenissen als bekendste ego-document. Alsof dat nog niet genoeg is, heeft zijn vriend Possidius nog een biografie aan hem gewijd. Die is vorig jaar door Vincent Hunink in het Nederlands vertaald en voorzien van een inleiding door Paul van Geest. Beide zijn verbonden aan de Nijmeegse Radbouduniversiteit. Ik kan niet anders dan zeggen dat Het leven van Augustinus een geslaagd boek is, waarop alleen valt aan te merken dat het te bescheiden is.
Lees verder “Possidius’ Augustinus” →

Togatus Barberini

Togatus Barberini (Capitolijnse Musea, Rome)
Togatus Barberini (Capitolijnse Musea, Rome)

Een half jaar geleden blogde ik over het bovenstaande standbeeld, de Togatus Barberini. Dit weekend kreeg ik een erg aardige reactie van een van de lezers, Leo van Zanen.

Togatus Barberini

of: De anti-Cerberus

– Exegi monumentum
Horatius, Carmina III, 30

De opdrachtgever spreekt

Lees verder “Togatus Barberini” →

NWA: De eeuwige stad

De bij mijn weten oudste vermelding van de "urbs aeterna", uit de tijd van keizer Mazentius (r.306-312) (CIL 6.33856)
De bij mijn weten oudste vermelding van de “aeterna urbs”, uit de tijd van keizer Maxentius (r.306-312) (CIL 6.33856)

In mijn reeks rond de vragen van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) vandaag:

Welke mechanismen spelen een rol bij de vorming van een identiteit in Rome gedurende de overgang van de Oudheid naar de Middeleeuwen?

Ik heb, toen ik deze reeks begon, aangegeven dat ik de vragen niet beantwoorden kán, om de doodeenvoudige reden dat het vragen aan de wetenschap zijn. Vragen waarop dus nog geen antwoord is en eigenlijk ook nooit een definitief antwoord zal bestaan, om de al even doodeenvoudige reden dat wetenschap niets anders is dan een methode om de vragen wat te verleggen. En anders is het de onwetendheid van de blogger wel die ervoor zorgt dat een antwoord moet uitblijven. Op de bovenstaande vraag kan ik het antwoord zéker niet geven. (Morgen zullen we hetzelfde meemaken.)

De vragensteller wijst erop dat de bewoners van Rome in de Late Oudheid leefden in een stad vol “oude instituties, tradities en een stadslandschap die hun glorieuze verleden weerspiegelden”. De Senaat kwam nog steeds samen, een oeroud feest als de Lupercalia werd nog altijd gevierd en overal stonden oude gebouwen. De keizers stelden er ook nog een eer in om in Rome te bouwen. Maxentius en Constantijn deden dit nog grootschalig. Daarna werden de subsidiestromen verlegd.

Lees verder “NWA: De eeuwige stad” →

De tabletten van Pyrgi

De gouden plaatjes uit Pyrgi (Museo Nazionale Etrusco di Villa Giulia, Rome)
De gouden plaatjes uit Pyrgi (Museo Nazionale Etrusco di Villa Giulia, Rome)

De taal van de Etrusken heeft de reputatie mysterieus te zijn, maar in feite valt dat wel mee. Geleerden kunnen honderden teksten gewoon lezen – helaas zijn ze kort en weinig informatief – en begrijpen grote delen van de grammatica. Het probleem is dat het Etruskisch niet lijkt te behoren tot een bekende taalfamilie en daardoor vooralsnog niet verder doorgrond kan worden.

Dit probleem is van enig belang omdat de Etruskische taal zich als een wig bevindt tussen twee nauw-verwante Indo-Europese talen: de Italische en de Keltische. Dit is het eenvoudigst te verklaren door migratie, maar waar kwamen de Etruskischsprekenden dan vandaan? In de vijfde eeuw v.Chr. opperde de Griekse onderzoeker Herodotos dat de Etrusken afkomstig waren uit Turkije. Het DNA-onderzoek, dat tot nu toe strijdige conclusies opleverde, zal de puzzel nog weleens oplossen en een aanwijzing bieden waar we met het Etruskisch verwante talen mogen gaan zoeken.

Lees verder “De tabletten van Pyrgi” →

Ingewandenschouw

Model van een schapenlever (replica van een voorwerp uit Piacenza)
Model van een schapenlever (replica van een voorwerp uit Piacenza)

Ik behoor tot degenen die de laatste weken vrijwel elke dag even keken op de website Fivethirtyeight. Amerikaanse verkiezingen zijn belangrijk en ik wilde weten wat ons te gebeuren stond. Niet dat zoiets werkelijk uitsluitsel biedt, maar als je vooraf weet dat Trump 35% kans heeft het presidentschap te winnen, sta je niet verbaasd als het ook gebeurt. Kortom, ik snap wel waarom mensen de toekomst willen kennen en ik heb zelfs een boekje geschreven over de methoden van de futurologie. Het is namelijk niet alleen koffiedikkijken in de toekomstvoorspellerij.

Koffiedikkijken was het ook in de Oudheid nooit helemaal. De Babylonische astrologen ontdekten reële verbanden, zoals dat tussen bepaalde sterrenbeelden en de waterstanden. Als u nu zegt “correlatie is geen causaliteit” heeft u volkomen gelijk, want beide verschijnselen zijn het gevolg van de scheve baan van de aarde om de zon. Als je zoiets echter niet weet, is het ontdekken van zo’n verband een hele stap voorwaarts. Al is het maar omdat je de sterren kunt gebruiken om te leren wanneer je de sluizen van de afwateringskanalen moet gaan openen.

Lees verder “Ingewandenschouw” →

De zeeslag bij Aktion?

Reliëf van een zeeslag (Vaticaanse Musea)

Dit is vermoedelijk een van de bekendste afbeeldingen uit het Romeinse Rijk. Er is een hoop op te zien. In de eerste plaats natuurlijk een schip, waarvan we kunnen zien dat de roeiers op twee roeibanken boven elkaar zitten. Links is een gevechtstoren en aan boord is een groep soldaten in laat-republikeinse harnassen. Twee van hen staan klaar om aan boord van een ander schip te springen – wat bewijst dat de ram van het schip, helemaal links, vermoedelijk niet het voornaamste wapen was. Dit was een galei die een ander schip enterde, mogelijk door middel van harpoenen, waardoor van een zeeslag een soort landslag werd gemaakt. Helemaal rechts is de ram van een tweede schip.

Er is een kastje aangebracht op de railing waarin het hoofd is te zien van een vrouwelijke godheid en recht daaronder zwemt een krokodil mee. Dat zou het symbool van Egypte kunnen zijn en daarom is wel aangenomen dat dit reliëf de zeeslag voorstelt die op 2 september 31 v.Chr. – vandaag 2046 jaar geleden – plaatsvond bij Aktion.

Lees verder “De zeeslag bij Aktion?” →

Augustinus (2)

Het keizerlijk hof (op een reliëf uit Istanbul). Augustinus zou bij officiële gelegenheden ergens op de bovenste rij hebben gezeten, in de nabijheid van de keizerlijke familie, verheven boven de stedelijke menigte.

[Dit is het tweede deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Augustinus werd geboren in Thagaste, het huidige Souk Ahras in noordoost Algerije, ging naar school in Madauros en had het geluk dat een rijk man wel iets zag in de intelligente jongeman – want intelligent moet je zijn om de Categorieën van Aristoteles door zelfstudie te begrijpen. Augustinus’ patroon zorgde ervoor dat hij een goede opleiding kreeg en de jonge man vestigde zich in Karthago als leraar in de welsprekendheid. Een belangrijke baan: in een halfgeletterde samenleving als het Romeinse Rijk, waarin alle besluitvorming mondeling plaatsvond, was het voor elke bestuurder van wezensbelang dat hij zich goed kon uitdrukken. Scholing in de welsprekendheid was daarom een voorwaarde voor iedereen die iets wilde bereiken. Die scholing hield overigens meer in dan alleen het componeren van een goede toespraak: het was een volledig cultureel programma dat iemand definieerde als beschaafde Griek of Romein.

In deze Karthaagse jaren behoorde Augustinus, zoals gezegd, bij een manichese sekte. De hoofdstukken die Lane Fox eraan wijdt, vond ik erg informatief, al troffen de beschreven rituelen me als zó bizar dat ik moeite had te geloven dat de reconstructie correct was. Een interessant probleem is hier dat we niet weten kunnen welke delen van de manichese teksten letterlijk zijn bedoeld en welke overdrachtelijk moeten worden gelezen. Waar een hedendaagse oudheidkundige een moderne christen kan vragen wat is bedoeld met het op het eerste gehoor kannibalistisch klinkende “dit is mijn lichaam”, is hij hulpeloos bij een manichese tekst.

Lees verder “Augustinus (2)” →