De vaart der volkeren (1): Drie stappen

Turgot
Turgot

De meest in het oog springende activiteit van archeologen is dat ze voorwerpen opgraven, maar dat is beslist hun enige bezigheid niet. Die vondsten zeggen namelijk niet zo veel en krijgen pas betekenis als ze worden geïnterpreteerd. Een hoop ouwe muurresten krijgt betekenis als je een brandlaag herkent en kunt zeggen dat de stad door mensenhanden is verwoest. Het probleem hierbij zou kunnen zijn dat die brandlaag ook door een aardbeving kan zijn ontstaan. Of dat plunderaars de stad aanvielen toen die na een aarschok kwetsbaar was. (Wellicht herkent u dit voorbeeld: Troje.) Kortom: interpretatie is zo makkelijk nog niet en het wetenschappelijke van de archeologie zit ’m in de poging de subjectiviteit te verkleinen. Dat geldt trouwens voor alle subdisciplines van de oudheidkunde.

Er bestaan procedures en modellen en theorieën om de subjectiviteit te verkleinen maar daarmee zal ik u niet vervelen. Het gaat me erom dat wat op het niveau van een opgraving geldt, ook geldt voor het opgegraven verleden als geheel: al die archeologische informatie samen vertelt het verhaal van de mensheid, maar hoe herken je dat verhaal? Hoe rechtvaardig je, om zo te zeggen, de diverse plotwendingen?

Lees verder “De vaart der volkeren (1): Drie stappen”

Culturele eerstes

gobekli_tepe_05_er
Göbekli Tepe

Wie in de achttiende eeuw zou hebben gevraagd waar de beschaving vandaan kwam, zou hebben kunnen rekenen op verbaasde reacties: uit Mesopotamië natuurlijk! De Bijbel was daarover immers duidelijk: de eerste hoofdstukken van de Bijbel spelen in de Hof van Eden, op de vlakte van Sinjar en in de stad Harran. Ook de steden Babylon en Ur, die wat zuidelijker liggen, worden vermeld. De vroegste mensen hadden gewoond in Mesopotamië en waren daar hun paradijselijke superioriteit kwijtgeraakt. Uitzwervend over de wereld waren ze gedegenereerd.

Je zou in de achttiende eeuw ook een ander antwoord hebben kunnen krijgen, dat een andere definitie van beschaving veronderstelt. Sinds de Renaissance was men van mening dat het vooral Rome was geweest waar de wereldgeschiedenis een sprong voorwaarts had gemaakt. Daar was getoond hoe je efficiënt moest besturen, mooie kunst kon maken, goed kon schrijven. In de tweede helft van de achttiende eeuw ontstond een derde theorie: toen kregen de Grieken de reputatie als eersten het stadium van primitiviteit te hebben verlaten en dat der beschaving te hebben bereikt. Griekenlands voortreffelijkheid werd vooral verkondigd door J.J. Winckelmann, en ook al was zijn verklaring stapelgek, dit idee bleef nog enige tijd in zwang. Het scheelde weinig of de Griekse originaliteit zou zijn vastgelegd in de preambule van de Europese Grondwet, en dat zou dan even absurd zijn geweest als de wet waarmee Indiana de waarde van pi wilde vastleggen.

Lees verder “Culturele eerstes”

Beschaving en barbarij (2)

Romeins masker: een Germaan
Romeins masker: een Germaan

Gisteren blogde ik over de Romeinse visie op de Lage Landen, die was beïnvloed door het oeroude idee dat aan de randen van de aarde, ver van de beschaving, alleen maar barbaren woonden. Noordwest-Europa was voor Romeinen en Grieken een soort omgekeerde wereld. Waar beschaafde mensen woonden op riviervlakten, beschreef ik, woonden de barbaren in een rotsachtig woud aan de kust.

Economie en levenswijze

De verschillende geografie vertaalde zich in tegengestelde productiewijzen: terwijl de beschaafde gebieden een vruchtbare bodem hadden waarop akkerbouw mogelijk was, stond het arme barbaarse land alleen veeteelt toe. Tegenover de beschaafde, “broodetende mensheid” (zoals dichters het noemden), stonden nomadische barbaren, die een dieet hadden van vlees en zuivel.

Lees verder “Beschaving en barbarij (2)”

Tacitus’ Germanen (6)

Das schwimmendes Moor: buitendijks hoogveen

[Onder de onheilspellende titel In moerassen en donkere wouden heeft de Nijmeegse classicus Vincent Hunink vertalingen samengebracht van alle teksten die de Romeinse historicus Tacitus wijdde aan de Germanen.

Daarover valt een hoop te zeggen. Dit is het zesde van zeven stukjes, waarmee ik u wil verleiden dat boek te lezen. Het is namelijk echt interessante materie. En nee, ik krijg voor deze blogstukjes – net als voor mijn reeksen over de Historia Augusta en Het leven van Apollonius – geen commissie.]

Waarom las, zoals ik gisteren beschreef, Tacitus saltus als silva? Waarom beboste hij de Betuwe en veranderde hij de Waddenzee in een fjordenlandschap? Het heeft alles te maken met de wijze waarop de Grieken en Romeinen naar de wereld keken. Hoewel ze wisten dat de aarde een bol was, droeg hun wereldbeeld nog sporen van het oudere idee van een schijf. Middenin woonden zijzelf, in een land dat werd omgeven door de Middellandse Zee. Wie die overstak, kwam in Afrika, Azië of Spanje, en wie daarvandaan landinwaarts trok, kwam vroeg of laat bij de buitenzee of Oceaan, die de aardschijf omspoelde.

Lees verder “Tacitus’ Germanen (6)”

Een oeroud standbeeld

Standbeeld van een man (Archeologisch museum, Şanlı Urfa)

De visvijver van Şanli Urfa, waarover ik gisteren schreef, trekt nogal wat pelgrims en toeristen. In de jaren tachtig werd daarom een onderaardse garage aangelegd en er kwam ook een complex met restaurantjes en souvenirwinkeltjes. En een verkeerstunnel, als ik het wel heb. Bij deze werkzaamheden vond men ook het bovenstaande standbeeld, waar de archeologen aanvankelijk niet veel van konden maken.

Het was zeer oud, zoveel was duidelijk, maar er waren geen parallellen die konden helpen bij de interpretatie. Een staande man, iets meer dan levensgroot, die lijkt te masturberen. Ogen die met obsidiaan ingelegd moeten zijn geweest. Een halssnoer of een kledingstuk met een v-hals. Meer viel er aanvankelijk niet van te maken. Het beeld werd aanvankelijk weggezet in de tuin van het plaatselijke archeologische museum.

Lees verder “Een oeroud standbeeld”

Koude Oorlog-archeologie

Mesopotamisch aardewerk uit het derde millennium v.Chr. (Ashmolean Museum, Oxford)

In 1948 vertrok een Amerikaanse expeditie naar Iraaks Koerdistan, voor wat bekend is komen staan als het “Iraq-Jarmo-project”. Archeoloog Robert Braidwood gaf tot en met 1955 leiding aan een voor die tijd uitzonderlijk groot en gevarieerd team. Het onderzoek had een duidelijke vraagstelling. De beroemde archeoloog Gordon Childe, die om een of andere reden nooit de Nobelprijs voor de Letteren heeft gekregen, had geopperd dat de uitvinding van de landbouw een vrij snelle, revolutionaire gebeurtenis was geweest, die tussen 4500 en 4000 v.Chr. had plaatsgevonden. Braidwood wilde toetsen of er wel zo’n “neolithische revolutie” was geweest. De Amerikaanse overheid steunde de onderneming met grotere subsidies dan ze ooit eerder had toegekend aan een archeologisch project.

Het team was met zorg samengesteld. Alle leden waren gescreend op on-Amerikaanse activiteiten en Braidwood was aangezocht omdat hij openlijk had getwijfeld aan de ideeën van Childe. Archeologie was een van de ideologische strijdtonelen van de Koude Oorlog, want de subsidiënten wilden natuurlijk vooral bewijzen in handen krijgen dat de wereldgeschiedenis niet, zoals de marxisten dachten, vooruitging door revoluties, maar werd getypeerd door een geleidelijke ontwikkeling.

Lees verder “Koude Oorlog-archeologie”

Potten en pannen

Oscar Montelius (©Stockholms Stadsmuseum)

En zo maakte voormalig staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra toch school met zijn opmerking dat hij niet wist wat hij aan moest met “musea vol opgegraven potten en pannen”. Zijn epigoon blijkt niemand minder dan de Turkse premier Recep Erdoğan, die eveneens van mening is dat potten en pannen behoorlijk in de weg kunnen liggen. Lees maar. Beide heren bedoelen, vanzelfsprekend, dat ze niet goed weten waartoe archeologisch onderzoek dient.

Voor een oudheidkundige is zoiets natuurlijk vervelend om te lezen, maar de mannen hebben wel een punt: het belang van de oudheidkundige disciplines spreekt niet vanzelf en zal af en toe moeten worden uitgelegd. De subsidie van archeologische musea is geen absoluut recht en er zijn legio situaties denkbaar waarin het oudheidkundig onderzoek moet wijken voor andere zaken.

Lees verder “Potten en pannen”

Slicher van Bath

Ploeger (Gevelsteen, Stoofsteeg, Amsterdam)

Ik weet dat het volgende voor menigeen grenst aan complete waanzin, maar ik ben de laatste dagen bezig met een boek met de titel De agrarische geschiedenis van West-Europa (500-1850). Het is geschreven door Bernard Slicher van Bath, het is alweer een halve eeuw oud (gepubliceerd in 1960) en het vormt geweldige lectuur.

Wie nu twijfelt aan mijn verstandelijke vermogens heeft grosso modo vermoedelijk wel gelijk, maar eventuele gekte kan niet worden afgeleid uit mijn boekenkeuze. Agrarische geschiedenis is namelijk interessanter dan je zou denken, al helpt het wel als je geschiedenislerares op de middelbare school mw Van der Woude was, wier echtgenote Ad een bekende economisch historicus is geweest; en het helpt ook al als je aan de universiteit een docent heb gehad als de te jong overleden Pieter Willem de Neeve, die zijn fascinatie met de antieke agrarische geschiedenis (die Slicher van Bath niet behandelt) uitstekend aan zijn studenten wist over te dragen. Niet aan zijn collega’s overigens: ik herinner me hoe Henk Versnel bij de herdenking van zijn overlijden een borrel achteroversloeg met de woorden dat hij even wat boeren moest wegspoelen.

Lees verder “Slicher van Bath”

De Limes Tripolitanus: watermanagement

Septimius Severus, bouwheer van de Limes Tripolitanus (Cyprusmuseum, Nicosia)

[Dit is het derde deel van artikel dat oorspronkelijk verscheen in het tijdschriftje dat Livius Onderwijs enige tijd uitgaf, Momentum; het eerste deel verscheen hier.]

De hierboven beschreven vicieuze cirkel werd doorbroken door keizer Septimius Severus, die uit Tripolitana afkomstig was. In 201 maakte hij een begin met de uitvoering van een goed-doordacht strategisch plan, waarin alles draaide om de beheersing van de oases en wadi’s. Geen nomade zou naar het noorden kunnen komen als hij geen water kon vinden, en daarom werden de oases van Ghadames, Gheriat el-Garbia en Bu Njem voorzien van forten.

Dit klinkt eenvoudiger dan het is. Er was immers te weinig neerslag om de op zich vruchtbare aarde langs de woestijnrand om te zetten in akkerbouwgrond. Maar als het ecosysteem de oplossing niet toestond, lijkt Severus te hebben gedacht, dan moest het ecosysteem maar veranderen. En dus investeerde hij in de waterhuishouding van de wadi’s, waar voortaan geen druppel verloren mocht gaan. Hoewel geen enkele antieke auteur ’s keizers blauwdruk noemt, zijn er zulke grote kapitalen mee gemoeid geweest, dat het besluit alleen op het hoogste niveau kan zijn genomen. Wie anders dan de keizer kon de import van Siciliaans eikenhout financieren om sluisdeuren te maken?

Lees verder “De Limes Tripolitanus: watermanagement”