“Naar alle kanten het Rijk vergroot” (3)

De limes in Libië (Bu Njem)

[Vandaag het derde van vier blogs over de veldtochten van keizer Septimius Severus (r.193-211), die het Romeinse Rijk bracht tot zijn grootste omvang. Dat dit onder Trajanus zou zijn gebeurd is vooral propaganda van Mussolini. Het eerste deel is hier.]

Weinig lezers zullen destijds hebben vermoed dat achter de vage aanduiding dat Severus “Naar alle kanten het Rijk vergroot” ook een overwinning in het huidige Libië schuilging. Toch was dit waarschijnlijk het succes dat de keizer het meest na aan het hart lag en dat de meest duurzame gevolgen heeft gehad.

Lucius Septimius Severus was geboren in Lepcis Magna, een van de havensteden waaraan de Tripolitana, het “Driestedenland”, zijn naam dankt. In het achterland werden graan en olijven verbouwd en nog wat verder naar het zuiden begon een gebied waar de Garamanten met hun kuddes heen en weer trokken. ’s Winters en in de lente verbleven deze nomaden in de oases in het binnenland, maar aan het einde van de zomer verweidden ze hun kuddes naar de kuststrook, waar ze de boeren hielpen bij de olijfoogst. De meegenomen dromedarissen deden dienst als trekdier bij het ploegen en ook de achtergelaten mest kwam van pas. Er was tijd voor handel. Zuivel en vlees werden geruild tegen graan en olie. Met ivoor, goud en andere artikelen uit Centraal-Afrika werden de producten van de stedelijke ambachtslieden betaald.

Lees verder ““Naar alle kanten het Rijk vergroot” (3)”

Hypothetische geschiedschrijving

Een van de vertegenwoordigers van de hypothetische geschiedschrijving was Condorcet (Parijs)

Weinig denkers hebben zo’n grote invloed gehad op het wetenschappelijk denken als Isaac Newton. Zijn tijdgenoten waren danig onder de indruk van zijn methode, waardoor de wijsgeren van de achttiende eeuw, de Verlichtingsfilosofen, probeerden een vergelijkbare wetenschappelijkheid te betrachten bij hun analyse van het intrigerende verschijnsel mens.

Hypothetische geschiedschrijving

Ze beschouwden de Middeleeuwen als de tijd waarin was getoond hoe het niet moest. De mensen zouden onvrij zijn geweest, hun denken beheerst door autoriteiten en knellende dogma’s, met misère als gevolg. De Oudheid gold daarentegen als ideaal. Vrije burgers van vrije steden hadden toen de grondslagen gelegd van de beschaving en een welvarende staat. Deze bewondering betekende echter niet dat de Verlichters alles geloofden wat de classici, historici en antiquariërs beweerden. Vaak deelden ze de pyrronistische kritiek – een Voltaire publiceerde een Pyrrhonisme de l’histoire – en liever dan zich te verliezen in de details van de traditionele oudheidkunde, schiepen ze een alternatief: de hypothetische geschiedschrijving.

Lees verder “Hypothetische geschiedschrijving”

Comparatisme: verklaren door vergelijken (2)

In het eerste stukje over het comparatisme hebben we vooral gekeken naar simpele parallellen, waarin een onderzoeker een verschijnsel verklaart door er één ding naast te nemen. Sparta lijkt op Kreta, Kolchis op Egypte, en die verwantschap is de oorzaak van de overeenkomsten. Het is echter verstandiger om bredere patronen te zoeken, wat in feite is waarom Marx productiewijzen beschouwde als basis voor wat vergelijkbaar was en wat niet.

Een ander voorbeeld: een archeoloog weet bijvoorbeeld dat veel volken de gewoonte hadden kostbaarheden aan de goden te wijden en veronderstelt daarom, als hij ergens veel dure voorwerpen opgraaft, dat het opgegraven gebouw een religieuze functie kan hebben gehad. Hij vergelijkt dus niet met één andere cultuur, maar met een algemener patroon, en dat is, zolang n>1 beter is dan n=1, een hardere methode. Zo’n patroon wordt ook wel aangeduid als een model.

Een voorbeeld is De boeren bedreigd, de inaugurele rede van mijn leermeester Pieter Willem de Neeve (1945-1990). Hierin behandelde hij de economie van Italië in de periode voordat Tiberius Gracchus in 133 v.Chr. voorstelde de akkerbouw te hervormen. De Neeve paste het model toe dat de Pruisische sociaal-geograaf Johann Heinrich von Thünen in 1826 had voorgesteld in zijn boek Der isolierte Staat.

Lees verder “Comparatisme: verklaren door vergelijken (2)”

Het ontstaan van Byblos

De bron van Byblos

Je hebt steden, je hebt steden en je hebt Byblos in Libanon, dat een van de oudste steden ter wereld is. Het is ook een van de mooiste opgravingen die ik ken, al vermoed ik dat de wijze waarop een en ander wordt gepresenteerd, anno vandaag de dag niet meer mogelijk is. Daarover eerst een woord.

Zoals u weet kennen opgravingen vaak diverse lagen en dat betekent normaliter dat je als archeoloog het publiek maar één laag kunt tonen. Als je Troje VI toont, kun je op die plek niet ook Troje II tonen, dat er immers onder verborgen ligt. De opgravers van Byblos hebben dit probleem opgelost door de gebouwen simpelweg over te plaatsen: het Romeinse odeon ligt nu apart in het noordwesten van de site, maar lag ooit bovenop de “tempel met de obelisken”, die op zijn beurt weer lag boven de “L-vormige tempel” en nu een eindje verder in het oosten is gelegd. Wat ooit verticaal boven elkaar lag, is dus nu horizontaal gescheiden geraakt. Dat is geen heel wetenschappelijke manier om een opgraving te conserveren, maar voor de bezoeker is het ideaal. Jammer genoeg zijn er zelden bezoekers: ik ben er vier of vijf keer geweest en heb er nooit meer dan vier of vijf andere bezoekers gezien. En dat terwijl er zo verschrikkelijk veel moois is te zien.

Lees verder “Het ontstaan van Byblos”

Aardewerk, grijs (maar niet saai)

“Gray ware” (Nationaal Museum, Teheran)

Echt mooi is de pot hierboven niet. Grauw aardewerk, niks speciaals. Zelfs de archeologische jargonnaam is slaapverwekkend saai: gray ware. Maar dit spul is interessanter dan het lijkt, al vergt het wat uitleg. Gray ware wordt vooral gevonden in het noordoosten, noorden en noordwesten van het huidige Iran en dateert uit de Vroege IJzertijd. Het vervangt ouder aardewerk, dat mooier gedecoreerd is.

De vindplaatsen zijn steeds weer hetzelfde. Deze kom komt bijvoorbeeld uit Khurvin, op een uitloper van het Elburz-gebergte even ten westen van Teheran, en dat geldt ook voor andere vindplaatsen: elke keer gaat het om gebieden aan de rand van de Iraanse hoogvlakte waar bergstroompjes en artesische bronnen het mogelijk maken vee te weiden. Je zult dit aardewerk dus niet snel vinden in heuvelforten of in gebieden die overwegend geschikt zijn voor akkerbouw. Kortom: gray ware documenteert veetelers en omdat het een nieuw soort aardewerk is, mogen we aannemen dat het gaat om een groep migranten.

Lees verder “Aardewerk, grijs (maar niet saai)”

De eerste landbouwers

Stamboom van het Aziatisch en Europees DNA (klik = groot; ©Archaeogenetics Research Group, universiteit van Huddersfield)

Oudheidkundigen maken sinds de zeventiende, achttiende eeuw gebruik van drie soorten bewijsmateriaal: geschreven bronnen, materiële resten en parallellen in andere samenlevingen. Drie vensters op het verre verleden. Met het DNA-onderzoek, waar ik het gisteren al over had, gaat nu een vierde venster open. Ik rondde mijn vorige stukje af met een verwijzing naar de stamboom van DNA-groepen (hierboven) en vroeg uw aandacht voor de ongebruikelijke vertakking onder H. De verspreiding daarvan lijkt samen te hangen met de verspreiding van de landbouw.

Het ontstaan daarvan is een beetje een puzzel, die steeds verandert als er ergens oudere vondsten worden gedaan. De laatste keer dat ik het opzocht leek het erop dat ergens rond 9500 v.Chr. mensen aan de bovenloop van de Eufraat begonnen met de teelt van tarwe, meer precies eenkoorn en emmer. Na een eeuw of vijf werden de eerste schapen en geiten getemd in de Zagros– en Taurusbergen. Veeteelt is dus een latere ontwikkeling dan akkerbouw. Ruwweg tegelijk ontstond de eerste monumentale architectuur: ik blogde al eens over de fenomenale monumenten die zijn aangetroffen in Göbekli Tepe en Sanli Urfa. Vee en varkens volgden en het eerste aardewerk in het Nabije Oosten dateert van ruwweg 7000 v.Chr. In vijfentwintig eeuwen was de samenleving ingrijpend veranderd – archeologen noemen dat een revolutie.

Lees verder “De eerste landbouwers”

Het ontstaan van Egypte

Romer_Egypt

Akkerbouw, koningschap, kunst, schrift: ze zijn allemaal ontstaan in de Late Prehistorie en de Vroege Oudheid. Wie een datering zoekt, zit met de periode tussen 5000 en 2500 v.Chr. ruwweg goed; wie een plaats wil weten, moet denken aan de brede zone van de Indusvallei door zuidelijk Iran en het Tweestromenland naar Syrië en Egypte. Doordat de diverse culturen onderling handel dreven, waren er voldoende contacten om de ontwikkelingen in dit gebied min of meer synchroon te laten verlopen. Zo ontstonden, ergens rond de overgang van het vierde naar het derde millennium, vrijwel tegelijk het spijkerschrift in Irak en het hiërogliefenschrift in Egypte.

Zonder zijn ogen te sluiten voor de interregionale verbanden, die hij zelfs opvallend vaak noemt, vertelt de Britse egyptoloog John Romer in het onlangs verschenen eerste deel van A History of Ancient Egypt hoe in het land langs de Nijl de samenleving van de eerste boeren langzaam maar zeker veranderde en een eigen karakter kreeg, hoe het koningschap ontstond, hoe de Egyptische staat werd gevormd en hoe een werkelijk monumentale architectuur ontstond. Het boek eindigt met de bouw van de piramide van koning Cheops, ergens rond 2550 v.Chr.

Lees verder “Het ontstaan van Egypte”

De gedragsbioloog en de Bijbel

Extra-somatische aanpassing
Extra-somatische vorm van adaptatie waarmee mensen reageren op een veranderende omgeving (Yosef Caro-synagoge, Safed)

Vorige week zaterdag publiceerde De Volkskrant een interview met de gedragsbioloog Carel van Schaik en de Duitse journalist Kai Michel, die het joodse deel van de Bijbel hebben gelezen vanuit het perspectief van biologisch antropologen. Dat kan de moeite waard zijn – ik heb het boek niet gelezen – maar van het interview wordt een mens niet vrolijk.

Platitudes

De Bijbel heeft niets te maken met het woord van God, maar alles met het woord van de mens.

Ja, oele. Teksten worden geschreven door mensen en mensen scheppen zich – als we ons tot religie beperken – mythen, rituelen, goden, verhalen, gebeden en indien men het professionaliseert ook regels. Dat geldt voor het Egyptische Dodenboek, dat geldt voor de teksten uit het oude Babylonië, dat geldt voor de Perzische Avesta, en dat geldt voor joodse religieuze teksten. Ik denk dat er onder de lezers van De Volkskrant niet één is die de geciteerde platitude niet heeft herkend.

Lees verder “De gedragsbioloog en de Bijbel”

De vaart der volkeren (4): Kritiek

Gordon Childe
Gordon Childe

In de voorgaande stukjes heb ik uitgelegd hoe Montelius in de negentiende eeuw een empirische basis gaf aan het achttiende-eeuwse vooruitgangsidee. Gordon Childe verfijnde en corrigeerde Montelius’ systeem en benutte de archeologische vondsten als basis om de samenleving te reconstrueren die ze had voortgebracht.

Om die samenleving te beschrijven, benutte hij twee tegengestelde bronnen van inspiratie: het functionalisme en de archeologie van de Sovjet-Unie. Het eerste analyseerde de samenleving alsof deze een organisme was, waarin alles met elkaar samenhing. De diverse delen hadden alle als functie een bijdrage te leveren aan de stabiliteit en het voortbestaan van het geheel. Het was een op harmonie gerichte, conservatieve visie met weinig ruimte voor verandering. De tweede visie, geïnspireerd door het marxisme, stelde zich daarentegen ten doel te beschrijven hoe er in een samenleving allerlei spanningen waren: de klassenstrijd die de “motor” vormde achter de wereldgeschiedenis. Nu ik dit schrijf, herinner ik me hoe in het Maastrichtse Bonnefantenmuseum, toen dat nog een archeologische afdeling had, bij een bepaald tijdvak als uitleg werd gegeven dat dit de eerste aanwijzingen waren voor sociale ongelijkheid in de Lage Landen. Het maakte destijds (1976) indruk op me dat je zó kon kijken naar die oude voorwerpen. Inmiddels hoor ik Gordon Childe lachen.

Lees verder “De vaart der volkeren (4): Kritiek”