Bijbelse archeologie

Een oudheidkundige beschikt over twee soorten bewijsmateriaal: oude teksten en archeologische vondsten. (Daarnaast moet elke reconstructie worden getoetst, waarbij de sociale wetenschappen een rol spelen. Maar dat terzijde.) Door de variatie aan data zijn tegenspraken schering en inslag: Julius Caesar schrijft bijvoorbeeld dat hij de Belgen onderwierp, maar tot voor kort was daarvoor geen enkel archeologisch bewijs.

U merkt: asymmetrisch bewijs is simpel uit te leggen. Dat geldt ook voor de oude geschiedenis van Israël. Het is voor oudheidkundigen business as usual als de Bijbel iets anders beweert dan de archeologie. Desondanks kiezen – ik blogde er gisteren over – journalisten steeds het frame “de Bijbel zegt dit maar de archeologie spreekt dat tegen”. Alsof we nog leven in de negentiende eeuw, toen die vraag een zekere actualiteit bezat, en alsof asymmetrisch bewijs moeilijk zou zijn.

Lees verder “Bijbelse archeologie”

Eric Cline, Biblical Archaeology

Een van de adviezen die ik kreeg toen ik bij Recensieweb ging recenseren, was vooral de flapteksten te negeren. Dat is de prietpraat waarmee boeken worden verkocht, maar voor het beoordelen van het boek zelf is het niet relevant. Vooral in het Engelse taalgebied zijn de mensen die aanbevelingen voor boeken schrijven, volstrekt schaamteloos.

De opmerking van de Israëlische archeoloog Aren Maeir die wordt geciteerd op de omslag van Eric Cline’s Biblical Archaeology. A Very Short Introduction, dat dit boek een juweeltje is, is echter volkomen waar. Je leest het in één ruk uit, de materie is boeiend en Cline presenteert haar heel overzichtelijk. Dit boekje is inderdaad schitterend als een edelsteen.

Lees verder “Eric Cline, Biblical Archaeology”

Archeologie van Israël (8): Conclusie

Een groot dier en een mannetje? Misschien, mits we het plaatje niet ondersteboven houden. In de PR-molen is het meteen “Samson en de leeuw”.

We hebben in deze reeks, die hier begon, gezien dat het er op dit moment de schijn van heeft dat minimalisme de betere benadering is voor de archeologie van Israël. De lage chronologie voor de overgang van IJzer I naar IJzer IIa is geschikter dan de hoge, zodat enkele monumentale gebouwen die werden opgevat als bewijs voor het glorieuze rijk van koning Salomo, uit zicht verdwijnen. Ook is de Intocht ondanks lang zoeken nog altijd niet in het bodemarchief terug te vinden. Dat zijn interessante conclusies, en minimalisme lijkt langzaam maar zeker de nieuwe theoretische positie. Ik heb daarvoor geen harde cijfers, maar er zijn wél voorbeelden van maximalisten die minimalist worden, terwijl er geen minimalisten zijn die maximalist worden.

Ik heb deze acht stukjes niet beschreven om aan te tonen dat het verhaal van de Bijbel niet waar zou zijn. Het gaat me om iets dat ik, voor de wetenschap, wezenlijker vind. Een gezonde wetenschap is niet een wetenschap die nieuwe feiten opspoort, maar een wetenschap die expliciet toetst welke theoretische oriëntaties de beste zijn. Dan en slechts dan is er sprake van een voortschrijdend onderzoeksprogramma (progressive research program). En dat doen de Israëliërs op dit moment buitengewoon goed.

Lees verder “Archeologie van Israël (8): Conclusie”

Archeologie van Israël (7): Hazor

De verbrande muren van Hazor

Maximalisme of minimalisme? We naderen het einde van deze reeks stukjes, die hier begon. We hebben gezien dat de minimalist op punten voorstaat als het gaat om de vraag of het glorieuze koninkrijk van koning Salomo ooit heeft bestaan, terwijl de minimalist er ook redelijk voorstaat als het gaat om het archeologisch bewijs van de Intocht. Zelfs als we de bijbelse chronologie loslaten en de verovering van Kanaän plaatsen in de twaalfde eeuw, zijn er teveel aanwijzingen dat het bijbelse verhaal niet zonder goede argumenten kan worden aangenomen voor waar.

We hebben het alleen nog niet gehad over Tel Hazor. Het gaat hier om een enorme burcht die in het uiterste noorden van Israël de plaatst beheerst waar de route van Damascus naar de zee de bovenloop van de Jordaan kruist. Archeologisch is de plek een goudmijn, maar het is bovendien prettig dat de belangrijke stad ook wordt genoemd in de teksten uit Mari in Syrië, uit Babylonië en uit Egypte. De farao lijkt de koning van Hazor te hebben beschouwd als zijn onderkoning in Kanaän, het hoofd van de andere stadstaatjes. Dit staat ook in de Bijbel (Jozua 11.10-11). Er moeten ongeveer 30.000 mensen hebben gewoond.

Lees verder “Archeologie van Israël (7): Hazor”

Archeologie van Israël (6): de Intocht

Het paleis van de Egyptische gouverneur in Beth Shean

Zoals de lezer van deze reeks over maximalisme en minimalisme in de archeologie van Israël, die hier begon, inmiddels weet, concentreert de discussie zich op twee vragen. Om te beginnen: is de grootschalige bouwactiviteit tijdens het IJzer IIa toe te schrijven aan koning Salomo, of is zij jonger? Het antwoord gaf ik in mijn vorige stukje: voorlopig lijken grote bouwwerken als de large stone structure in Jerusalem jonger te zijn. De andere vraag is of er archeologisch bewijs is voor de Intocht.

Het standaardverhaal is in de jaren dertig geconstrueerd door W.F. Albright, de vader van wat men destijds “bijbelse archeologie” noemde. Ten tijde van Ramses III (r. 1184-1152) werd Egypte aangevallen door de zogenaamde Zeevolken, waarvan sommige over het water kwamen en andere over het land. Hun aankomst zou de oorzaak zijn geweest van grote veranderingen. Ramses claimt ze te hebben verslagen in 1175. Hij zou echter misschien een veldslag hebben gewonnen, was de redenering, maar een van de groepen zwervende plunderaars bemachtigde toch land in Kanaän. Deze Peleset zijn bekender als Filistijnen en gaven uiteindelijk hun naam aan Palestina. De ondergang van het Egyptische gezag leidde tot chaos en schiep ruimte voor nieuwe nomadenvolken, zoals de Hebreeën, om zich als boeren te vestigen in het bergland.

Lees verder “Archeologie van Israël (6): de Intocht”

Archeologie van Israël (5): analyse

megiddo_s_stables1
De stallen van Megiddo: een voorbeeld van een gebouw dat eerst ten tijde van Salomo werd gedateerd, maar jonger bleek te zijn.

Ik heb de afgelopen dagen geblogd over de Vroege IJzertijd-archeologie van Israël. De eerste post is hier. De centrale vraag was daarbij of de maximalisten of de minimalisten de betere benadering kozen, en dat is afhankelijk van twee vragen. De eerste, waarover we het nog niet hebben gehad, is of er bewijs is voor de Intocht; de tweede is of er bewijs is voor monumentale architectuur op het moment waarop koning Salomo regeerde.

Er zijn inderdaad grote monumenten gevonden, waarvan die in Jeruzalem het meest tot de verbeelding spreken. Volgens de traditionele, “hoge” chronologie van het IJzer IIa-aardewerk zijn die op het juiste moment te dateren. Volgens een recentere, “lage”, chronologie begint het IJzer IIa echter later en kan de “large stone structure” in Jeruzalem alleen ná Salomo zijn gebouwd. De oplossing zal moeten komen van 14C-dateringen, en even leek er uit Tel Rehov bewijs dat het IJzer IIa-aardewerk al in gebruik was vóór het einde van de regering van koning Salomo. Bij nader inzien bleek het bewijs niet waterdicht.

In een nogal polemisch artikel – hier online – zet Israel Finkelstein uiteen hoe de vork volgens hem in de steel zit. Anders dan de benaming suggereert, zijn 14C-dateringen geen dateringen. Het zijn waarschijnlijkheden. Als je verschillende dateerbare vondsten hebt, kun je de waarschijnlijkheden combineren. Ik kan onvoldoende beoordelen of de waarschijnlijkheden wel op de juiste wijze zijn gecombineerd, maar het einderesultaat van Finkesteins redenatie begrijp ik wel. (Althans, dat denk ik.) Je zou hebben gehoopt dat de gecombineerde waarschijnlijkheden een kansverdeling zouden hebben opgeleverd met één, liefst duidelijke top, die aangeeft waar de grens tussen IJzer I en IJzer IIa moet worden geplaatst. Maar, alsof de duvel d’r mee speelt, het eindresultaat heeft twee toppen.

Dit plaatje verklaart een hoop. Om te beginnen blijkt dat de aanhangers van de hoge chronologie gelijk hadden toen ze van 1000-980 opschoven richting 970. De datum die ze kozen voor de overgang, is consistent met de linkertop van dit schema. Ook blijkt dat de aanhangers van de lage chronologie gelijk hadden toen ze opschoven van 900 naar 930. Dat correspondeert met de rechtertop van dit schema. En je zou kunnen zeggen dat de rechtertop nét iets waarschijnlijker is dan de linker – ergo, de lage chronologie is het meest plausibel, gebouwen als de large stone structure dateren van ná Salomo, de bijbelse toeschrijving aan hem is onjuist en de minimalisten hebben de betere argumenten.

Maar het moge inmiddels duidelijk zijn dat het nooit simpel is. De bovenstaande statistiek is gebaseerd op de gegevens die de aanhangers van de hoge chronologie zelf aanleverden. Maar de mensen van het lab hebben misschien te weinig gekeken naar de archeologische werkelijkheid in het veld en onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de monsters zijn genomen uit lagen die niet goed zijn gescheiden.

Een heel beroemd voorbeeld van dit probleem is de “schat van Troje”. De voorwerpen zijn destijds verborgen in een kuil, en dat wil zeggen dat Schliemann ze heeft opgegraven in een oudere bewoningslaag dan die waartoe ze feitelijk behoren. De vraag hoe oud de sieraden zijn, is afhankelijk van de diepte van de destijds gegraven kuil, en omdat Schliemanns velddagboeken niet helemaal duidelijk zijn, is de discussie nog niet afgelopen. Wat in Bronstijd-Turkije kan gebeuren, kan ook zorgen voor complicaties in IJzertijd-Israël, en de aanhangers van de lage chronologie verwijten dit nu aan de aanhangers van de lage chronologie.

Ook het verwijt van slecht gebruik van statistiek wordt gemaakt. Het schijnt dat als de parameters van de berekening, waarbij de aanhangers van de hoge chronologie ongebruikelijke keuzes hebben gemaakt, in overeenstemming worden gebracht met hun normale waarden, de rechter top van de curve veel geprononceerder wordt. Ik kan dit niet beoordelen. Wat ik wel snap is dat de aanhangers van de lage chronologie voorlopig het laatste woord hebben.

Ze zijn echter in de eerste plaats wetenschappers, die niet slechts het laatste woord willen hebben, het zeker willen weten. Inmiddels is een campagne begonnen bij Megiddo, een opgraving waar de diverse Brons- en IJzertijdstrata goed zijn gedocumenteerd en een grote kans is dat er dateerbaar organisch materiaal wordt gevonden. Het doel van deze opgraving is te komen tot een zo duidelijk mogelijke chronologie, maar de eerste tekenen zijn niet gunstig. De afgelopen weken zijn namelijk verschillende persberichten gekomen, en die gaan vooral over een schatvondst, en dat is natuurlijk niet half zo interessant als funderingshout of een verbrande maaltijd.

Voorlopig staan, in de discussie over de chronologie, de aanhangers van de lage chronologie en de minimalisten vóór, maar het is slechts op punten. We zullen echter nog wel meemaken dat deze kwestie wordt opgelost. Voor het moment zullen we het hierbij laten, en eens gaan kijken in Tel Hazor, waarvan deze week werd beweerd dat er bewijs was gevonden voor verwoestingen tijdens de Intocht.

[wordt vervolgd]

Archeologie van Israël (4): chronologieën

beth_shean_canaanite_stela_israel_museum
Kanaänitische stele (Israel Museum, Jeruzalem)

In mijn eerdere blogposts – de eerste is hier– heb ik erop gewezen dat de archeologie van Israël twee methodische oriëntaties kent: maximalisme en minimalisme. Bij het vaststellen van de juistheid van deze benaderingen staan twee kwesties centraal, namelijk of er archeologisch bewijs is voor de Intocht en voor het glorieuze koninkrijk van David en Salomo.

In mijn laatste stukje wees ik erop dat in Jeruzalem een groot gebouw was gevonden, met aardewerk uit de IJzer IIa-periode. Deze large stone structure was misschien het paleis van koning Salomo, die regeerde tot ongeveer 930 v.Chr. De maximalist neemt aan dat er zo’n gebouw is geweest, terwijl de minimalist het bewezen wil zien. De zaken werden dit keer complex gemaakt doordat het begin van het IJzer IIa volgens sommigen moet worden gelegd rond 1000-980 v.Chr. (“hoge chronologie”) en volgens anderen rond 900 (“lage chronologie”). De vraag is hoe we vaststellen welk van deze twee systemen het beste is.

Lees verder “Archeologie van Israël (4): chronologieën”