Edward Gibbon (2)

Theodora (Römisch-Germanische Zentralmuseum, Mainz)

[Tweede deel van een stuk over Edward Gibbon; het eerste is hier.]

Het christendom

Edward Gibbon was niet uitsluitend negatief over het christendom. Hij merkt bijvoorbeeld ergens op dat de populariteit van de nieuwe religie weliswaar de val van Rome had bespoedigd, maar deze val ook brak doordat ze het woeste temperament van de barbaren verzachtte. Toch valt te begrijpen waarom iemand als Samuel Johnson, de beroemde lexicograaf, aanstoot nam aan Decline and Fall, want zelfs als Gibbon ogenschijnlijk verwijten maakte aan de heidenen, nam hij in feite de christenen op de korrel. Het vijftiende hoofdstuk eindigt met de quasi-verbaasde constatering dat de heidense filosofen wel érg onverschillig waren omgegaan met de grote veranderingen in de fysische en zedelijke wetten van de wereld. Was de leer van Christus niet bevestigd geweest doordat de lammen wandelden, de blinden zagen, zieken genazen, doden opstonden, demonen werden uitgedreven en de natuurwetten steeds opnieuw waren opgeschort ten behoeve van de Kerk? De eigenlijke strekking van deze woorden was natuurlijk dat de bijbelse wonderen geen historische gebeurtenissen waren.

Lees verder “Edward Gibbon (2)”

Edward Gibbon (1)

Gibbon

Net als Winckelmann, over wie ik al eens blogde, was de Britse historicus Edward Gibbon (1737-1794) in staat de oudheidkunde te vernieuwen doordat hij een betrekkelijke buitenstaander was. Toch is er geen groter contrast denkbaar dan dat tussen de schoenlapperszoon Winckelmann en de aristocratische Gibbon, die Engelands beste scholen had bezocht. Desondanks vond hij in Oxford het onderwijs zó steriel dat hij zich, zoals hij het later zou verwoorden, “dreigde te verliezen in de dwalingen van de kerk van Rome”. Dit was voor een Engelse lord een ernstige zaak, want katholieken konden geen zitting nemen in het Hogerhuis. Vader Gibbon greep dus in vóór de ongelukkige student de familie-eer op het spel had kunnen zetten en stuurde hem naar Lausanne, waar de jonge Gibbon terechtkwam in een heel ander geestelijk klimaat. Vervuld van Verlichtingsideeën en met het voornemen een geschiedwerk te gaan schrijven, keerde de jongeman terug naar zijn vaderland.

Daar wachtte hem eerst de militaire dienst. Een nuttige activiteit, zou hij later oordelen, althans om een historicus te scholen. (Om dezelfde reden zou hij tussen 1773 en 1781 zitting nemen in het parlement.) Tijdens zijn legerjaren schijnt Gibbon het hoofd al gebroken te hebben over een van de belangrijkste kwesties van die tijd, namelijk de vraag of er een einde kon komen aan de vooruitgang. Hoe dramatisch de ineenstorting van een beschaving feitelijk is, lijkt echter pas tot hem te zijn doorgedrongen toen hij tijdens een reis naar Italië de ruïnes van Rome zag. Hoewel hij in zijn autobiografie anders zou beweren, dacht hij toen nog niet aan het schrijven over de ondergang van het Romeinse Rijk, want zijn eerste poging tot geschiedschrijving was een boek over de vrijheid van Zwitserland. Daarin wilde hij beargumenteren dat de beste garantie voor de vooruitgang lag in de burgerlijke vrijheid.

Lees verder “Edward Gibbon (1)”

Uit de diepten van de hel

Christus als wetgever. Detail van een sarcofaag uit Rome (Louvre, Parijs)

Griekenland en Rome. Twee volken met een gedeelde, klassieke cultuur: dit is hoe we het beste kunnen kijken naar de antieke mediterrane wereld in de eerste eeuwen van onze jaartelling. We kennen de literatuur van enkele minderheden, zoals teksten in het Armeens, Hebreeuws en Aramees, maar vrijwel alle bewoners van het Romeinse Rijk deelden in meerdere of mindere mate in de klassieke cultuur. Zelfs degenen die erbuiten woonden, keken ernaar op. De Franken en Visigoten probeerden bijvoorbeeld een Romeins staatsapparaat op te bouwen.

Als iedereen Grieks-Romeins wilde zijn, komt de vraag op hoe de klassieke cultuur ten einde is gekomen, want vijanden had ze blijkbaar niet. Die vraag is oud: Zosimos was de eerste die keek naar het Romeinse Rijk als iets dat voorbij was. Als oorzaak wijst deze verstokte heiden op de verwaarlozing van de eredienst van de oude goden; als belangrijkste symptoom van de crisis wijst hij op de komst van vreemde stammen. Die hebben in de achttiende en negentiende eeuw opnieuw een rol gespeeld in de discussie, dit keer als oorzaak van de transformatie, en de twintigste eeuw leverde weer nieuwe verklaringen op.

Lees verder “Uit de diepten van de hel”

Dat was dus dom

De Rijn bij Koblenz op een winterse dag

Ik moet even iets rechtzetten. Op oudejaarsdag schreef ik een stukje over de bevroren Rijn, een onderwerp waarover ik eerder had geblogd. Ik had er in dat eerste stukje op gewezen dat iedereen elkaar overschrijft dat de Germanen in 405 na Chr. een bevroren rivier zouden zijn overgestoken. Nu kan dat heel goed werkelijk zijn gebeurd, maar het blijkt niet uit onze bronnen.

Ik opperde in dat eerste stukje dat dit idee terugging op een passage uit Edward Gibbons Decline and Fall of the Roman Empire. Ik had toen gedacht dat de Britse oudhistoricus een passage uit Herodianos voor ogen had gehad, waarin deze schrijft dat de Rijn altijd bevriest, maar ik aarzelde. Die tekst had Gibbon vermoedelijk al een paar jaar niet voor ogen gehad toen hij schreef over de gebeurtenissen in de vroege vijfde eeuw. In mijn tweede stukje opperde ik dat hij weleens door een passage uit een vierde-eeuwse lofrede op het idee kon zijn gebracht.

Lees verder “Dat was dus dom”

Opnieuw: de bevroren Rijn

De Rijn bij Bonn

Vorig jaar blogde ik op oudejaarsdag over een bekend onzinverhaal, namelijk dat op 31 december 406 de Germaanse Vandalen en de Iraanse Alanen de bevroren Rijn zouden zijn overgestoken. Die oversteek heeft plaatsgevonden, dat staat vast. Ook lijdt het weinig twijfel dat dit het begin van het einde is geweest van Romeins Gallië. Alleen, dat de Rijn bevroren is geweest, dat is dus nergens te vinden in de antieke bronnen. Een (gelukkig onschuldig) staaltje nepnieuws van de soort waar de oudheidkunde al jaren mee kampt.

Gibbons Rijn

Waar komt zo’n verhaal, dat u zó kunt vinden op het internet of in Fik Meijers Macht zonder grenzen, [NOOT] nou vandaan? In mijn vorige stukje schreef ik dat ik vermoedde dat de achttiende-eeuwse oudhistoricus Edward Gibbon, de auteur van Decline and Fall of the Roman Empire, degene was die het misverstand de wereld in had geholpen. Die wordt namelijk nogal vaak kritiekloos overgeschreven. Achttiende-eeuwse wetenschappers kun je immers gewoon geloven, aangezien er de afgelopen twee-en-een-halve eeuw niets is toegevoegd aan de wetenschap. Maar waar heeft Gibbon het vandaan?

Lees verder “Opnieuw: de bevroren Rijn”

Heidendom in de Late Oudheid

cameron_pagans

Bacurius was een generaal in het Romeinse leger in de late vierde eeuw. De kerkhistoricus Rufinus noemt hem een christen en kan gelijk hebben: de twee hadden elkaar ontmoet. Bacurius’ penvriend Libanios beschouwt hem echter als een heiden. Interessanter dan de vraag wie gelijk had, is de vraag wat oudhistorici hadden gedacht als alleen Rufinus’ geschiedwerk overgeleverd zou zijn geweest. Ze waren dan beslist niet op het idee gekomen dat de informatie mogelijk onjuist was en zouden Bacurius zonder meer als christen hebben getypeerd.

Dit voorbeeld illustreert het kernprobleem van de oudheidkunde. Er zijn te weinig teksten, zodat onderzoekers de kwaliteit van hun informatie moeilijk kunnen evalueren. Conflicterende bronnen zijn daarom een buitenkans: dan komen problemen aan het licht en kan worden beredeneerd welke informatie waarom de voorkeur verdient.

Lees verder “Heidendom in de Late Oudheid”

Van Rossems Romeinse Rijk

van_rossem_einde_romeinse_rijk

Ik heb altijd een zwak gehad voor Maarten van Rossem. Dat heeft te maken met een voorval in het najaar van 2010, toen het Allard Pierson-museum me vroeg tijdens de museumnacht een lezing te verzorgen waarin ook de hellenisering zou worden behandeld. Van Rossem was eerder gevraagd, maar had aangegeven weinig van de Oudheid te weten en daarom de klus liever over te laten aan iemand anders. Ik vond het sympathiek dat Van Rossem zijn beperkingen kende. Voor mensen met zelfkennis heb ik een zwak.

Ik weet niet waarom Van Rossem nu, ruim vijf jaar later, wél over de Oudheid is gaan schrijven, en dan nog wel over de Late Oudheid, waarvan hij aangeeft dat hij er “bepaald geen specialist” in is. Niet dat ik er tegen ben. Zoiets kan juist goed uitpakken: veel oudhistorici zijn in feite classici voor wie niet vanzelf spreekt dat oude geschiedenis in de eerste plaats geschiedenis is. Een algemeen historicus kan de discussie naar een hoger plan tillen.

Lees verder “Van Rossems Romeinse Rijk”

“Ruinenlust”

Nederland, zo lees ik, maakt zich op voor een zuidenwind die Saharazand met zich meebrengt. Dat is goed nieuws voor de ramenwassers, maar ik geloof dat het verder niet veel zal uitmaken. Op Sicilië is dat wel anders. Daar neemt de wind wel vaker poederzand mee, dat vervolgens de monumenten kaal slijpt.

De bovenstaande foto maakte ik in Eraclea Minoa, de ruïne van een oude Griekse stad in het zuidwesten van Sicilië. De banken van het theater zijn door de winderosie vrijwel weggevreten, en het theater is daarom geplaatst onder een metalen afdak om verdere schade te voorkomen.

Lees verder ““Ruinenlust””