Het bovenstaande voorwerp is een loden plaatje met een tekst die, ondanks een stukje dat niet helemaal leesbaar is, heel erg weinig aan duidelijkheid te wensen overlaat.
Ik vervloek Panfilon, alles waarop Panfilon hoopt en al zijn daden; en ook vervloek ik Thoukleides, alles waarop Thoukleides hoopt en al zijn daden. Ik, Syros, … en jij zult in je waanvoorstellingen bezeten zijn door Hermes.
Klare taal. De vervloekingen gaan nog even door op de andere zijde:
Een herbergierster (Museo Nacional de Arte Romano, Mérida)
De bovenstaande Romeinse grafsteen heb ik in 1990 gezien in het Museo Nacional de Arte Romano in het Spaanse Mérida. De foto is later gemaakt, toen mijn zakenpartner en zijn echtgenote daar ook een kijkje gingen nemen. De voorstelling is niet moeilijk te interpreteren: de overledene werkte in een herberg en is afgebeeld terwijl ze een karafje wijn tapt. Ze zal hebben geleefd in de tweede eeuw.
De inscriptie verraadt een paar details over haar leven. Ze heette Sentia Amarantis en ze werd vijfenveertig. Haar echtgenoot, die het graf liet inrichten, heette Sentius Victor. Misschien waren Sentius en Sentia in de verte familie. Ze zijn zeventien jaar getrouwd geweest en dat betekent dat het huwelijk laat is voltrokken: Sentia was achtentwintig, terwijl Romeinse vrouwen meestal rond hun vijftiende trouwden.
Paardenbeslag uit Ewijk met vermelding van VIIII Hispana (Valkhof, Nijmegen)
Na de dood van keizer Trajanus in 117 was het zo onrustig aan de grenzen van het Romeinse Rijk dat in Schotland een compleet legioen werd vernietigd, het VIIII Hispana. Dat is althans de premisse van het geweldige jeugdboek The Eagle of the Ninth van Rosemary Sutcliff. Ze vertelt hoe een jonge Romeinse officier die door een verwonding geen dienst meer kan doen, op zoek gaat naar het veldteken van het Negende Legioen Hispana, de adelaarstandaard, en dit uiteraard ook vindt. Ik heb De adelaar van het Negende als kind verslonden.
Suttcliffs idee dat VIIII Hispana rond 117 is vernietigd door de stammen in het huidige Schotland was in de tijd dat ze het schreef, 1954, de gebruikelijke verklaring voor het feit dat het legioen niet meer in Brittannië wordt vermeld na de regering van Trajanus. In 108 was het nog gestationeerd in York; in 122 vinden we daar VI Victrix.
Ik vertelde gisteren dat we de Romeinen kenden door de teksten die ze op papyrus hebben geschreven. Sommige daarvan zijn gevonden in de Egyptische woestijn, andere zijn, omdat het zulke mooie literatuur was, door een lange reeks kopiisten overgeschreven. Er zijn echter nog veel meer Romeinse teksten over, namelijk op inscripties en op munten.
Lex de imperio Vespasiani (Capitolijnse Musea, Rome)
Ergens rond het jaar 125 schreef de Romeinse auteur Suetonius zijn beroemde keizerlevens, waarin hij vertelt dat Tiberius, de geadopteerde zoon van keizer Augustus, de inhoud openbaar maakte van een brief waarin Tiberius’ broer Drusus zou hebben voorgesteld Augustus te dwingen de republiek te herstellen (Suetonius, Tiberius 50.1).
De biograaf had toegang tot de Romeinse rijksarchieven, maar we weten niet of deze informatie betrouwbaar is. (We hebben namelijk geen idee wat we ons moeten voorstellen bij een Romeins rijksarchief.) Indien Suetonius zich echter op een betrouwbaar document baseert, is dit een van de zeer schaarse aanwijzingen dat de Romeinse elite zich er al in de dagen van Augustus van bewust was dat de dagen van de republiek voorbij waren en het staatsbestel was veranderd in een monarchie.
Grieks-Latijnse inscriptie ter ere van de Tweelingen uit Lavinium (Nationaal Museum, Rome).
Lavinium, het huidige Pratica di Mare, was een havenstadje in Latium, het gebied in Italië waarin Rome ligt. In de late zesde eeuw v.Chr. was hier een heiligdom, waar dertien altaren zijn opgegraven. Het hierboven afgebeelde stukje metaal was met twee nagels aan een van die stenen monumentjes vastgemaakt. Er staat, van rechts naar links, op te lezen
Het testament van Ptolemaios VIII Fyskon (Museum van Kyrene)
Tijdens het conflict dat bekendstaat als de Zesde Syrische Oorlog (170-168 v.Chr.), viel de Seleukidische koning Antiochos IV Epifanes het Ptolemaïsche Egypte binnen, waar hij Alexandrië begon te belegeren. Een woedende menigte stelde koning Ptolemaios VI Filometor verantwoordelijk en eiste dat deze zijn broer Ptolemaios VIII Fyskon (“dikbuik”) zou aanwijzen als medebestuurder. De val van Alexandrië werd dankzij een Romeinse interventie vermeden, maar nu zat Egypte opgezadeld met twee vorsten, die het zelden eens waren en al snel slaande ruzie hadden. Uiteindelijk werd een compromis gevonden waarin Filometor alleenheerser werd en zijn broer het bestuur kreeg toegewezen over het noordoosten van het huidige Libië, de vruchtbare Cyrenaica.
Het leek erop dat dit de oplossing was, maar in 155 maakte Fyskon bekend dat zijn broer had geprobeerd hem uit de weg te ruimen. Om nieuwe pogingen te vermijden, besliste de heerser van de Cyrenaica dat hij, behoudens de geboorte van een zoon, zijn gebied zou nalaten aan de Romeinen. Het staat in de bovenstaande inscriptie, die ik fotografeerde in het museum van Cyrene.
Voor de bovenstaande bronzen plaat, gevonden bij Cádiz in Andalusië, ben ik eens speciaal naar het Louvre gegaan. Vooruit, ik was al in Parijs en zou er vroeg of laat toch wel zijn beland, maar toch. De inscriptie is interessanter dan ze op het eerste gezicht lijkt; als u de Latijnse tekst precies wil lezen, kan het hier.
De strekking is dat de Romeinse veldheer Lucius Aemilius Paullus, die later de Macedoniërs zou onderwerpen, de burgers van een dorp ontsloeg van de diensten die ze moesten verrichten als slaven voor hun burgers in Hasta, het huidige Mesas de Asta. Een en ander gebeurde ergens tussen 191 en 189 v.Chr.
Moeilijk leesbaar, maar deze beroemde inscriptie uit Caesarea vermeldt in de tweede regel Pontius Pilatus en identificeert hem als prefect.
Ik heb al meer geblogd over de moeilijkheden van het vertalen van tweeduizend jaar oude teksten. De Bijbel, waarvan iedereen wel ruwweg weet wat erin staat, komt dan goed van pas. Je kunt aan de hand van bijbelse voorbeelden menig punt illustreren dat ook voor andere teksten opgaat, zoals het gebruik van een leenwoord in de te vertalen tekst of geografische complicaties.
Hoewel ik me beroepshalve niet primair bezighoud met het vertalen van Bijbelteksten, volg ik discussies over het vertalen van het heilige boek met belangstelling. Ik was daarom blij met het boek dat Karel Deurloo en Nico ter Linden hebben gewijd aan de Nieuwe Bijbelvertaling, Het luistert nauw (2008). Ze leggen in de eerste hoofdstukken enkele vertaalproblemen uit en illustreren die vervolgens aan de hand van talloze voorbeelden. Een leerzaam boek, dat u moet lezen als u geïnteresseerd bent in de vertaling van oeroude teksten, bijbels of niet.
Grafsteen van een soldaat van het Derde Legioen Cyrenaica (Mausoleum van Caecilia Metella, Rome)
Je hoeft de Tiberstad niet bezocht te hebben om tenminste één standaardfrase uit de Romeinse inscripties te kennen: SPQR, Senatus PopulusQue Romanus, ‘Romeinse Senaat en Volksvergadering’. Een andere uitdrukking met meer dan lokale bekendheid is Pontifex Maximus: de aanduiding van de hogepriester, later van de paus. Er zijn in Rome nog tienduizenden Latijnse inscripties, variërend van de vloekformule uit de zesde eeuw v.Chr. tot een triomfantelijke gedenksteen voor de ondertekening van de Europese Grondwet in 2004.
Dit laatste voorbeeld maakt wel duidelijk dat je niet alles moet geloven wat inscripties zeggen. Het bedoelde verdrag is immers verworpen, uitgekleed, onconstitutioneel bevonden en in referenda voorgelegd aan een mokkende bevolking. De betrouwbaarheid van inscripties is een belangrijke kwestie, maar de Amerikaanse classicus Tyler Lansford stipt haar in The Latin Inscriptions of Rome niet aan. Evenmin gaat hij in op het feit dat inscripties betrekkelijk goedkoop waren en dus informatie kunnen bieden over het leven van de gewone man. Zijn collectie is beperkt tot de monumentale inscripties van consuls en keizers, pausen en prelaten, burgemeesters en bisschoppen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.