Apulië, Iapygië, Messapië of Calabrië?

Apulische helm (Metropolitan Museum, New York)

[Vierde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

Was het nu Iapygië, Messapië of Calabrië?

Hoewel er dus verschillen zijn in de grafculturen van de drie sub-volkeren van Apulië, en hoewel ze in de oude bronnen afzonderlijk worden benoemd, zijn er ook overeenkomsten, zowel in de materiële cultuur en de taal. We kunnen ons afvragen of Iapygiërs en Messapiërs niet gewoon synoniemen zijn, terwijl Daunië en Peuketië aanduidingen kunnen zijn voor een streek, waarbij die laatste dan een denigrerende Griekse term kan zijn. Ettore Maria de Juliis is echter stellig dat de diverse culturen met hun specifieke benaming zich gescheiden hebben ontwikkeld, aangezien de diversiteit in grafculturen gepaard gaat met variaties in de inscripties. In een artikel uit 2004 beschrijft hij hoe vanaf de zevende eeuw v.Chr. de eenheid van Iapygië verloren gaat en zich drie subregionale culturen ontwikkelen.

Simona Marchesini bevestigt de taalvariatie, en kadert die in een Griekse invloed:

De Apulische (noordelijke) alfabetvariant ontstond ongeveer twee eeuwen later dan de zuidelijke, Salentijnse variant. … Als verklaring voor deze chronologische kloof wordt soms een bewuste culturele distantie verondersteld van de noordelijke bevolkingen ten opzichte van die in het zuiden. De elites van de Dauniërs en Peuketiërs waren duidelijk vertrouwd met de Griekse cultuur, wat blijkt uit de rijk geïllustreerde Apulische keramiek met scènes uit de Griekse mythologie en tragedie (vijfde/vierde eeuw v.Chr.). Dit wijst op een sterk geaccultureerde regio.

Uit wat Strabon van Amaseia vertelt, kunnen we afleiden dat het onderscheid tussen Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs in zijn eigen tijd, eind eerste eeuw v.Chr., geen rol meer speelde. De lokale bevolking zou die namen zelf niet meer gebruiken. Wél was er intussen in de hak van Italië, het oude Messapië dus, een onderscheid ontstaan tussen de noordelijke Salentijnen en de zuidelijke Calabriërs. Ook andere auteurs gebruiken “Calabriërs” als alternatieve naam.

Voor de oplettende lezer is deze vermelding van Calabriërs wat verwarrend omdat we vandaag de ganse hak van Italië “Salento” noemen, terwijl “Calabrië” de huidige naam is van de voorvoet in de Italiaanse laars. Dat komt doordat de Byzantijnen later Calabrië als overkoepelende naam voor Zuid-Italië gebruikten; omdat op dat moment enkel de teen van Italië nog onder hun invloed was, bleef die naam daaraan kleven.

Economische en sociologische inzichten

Volgens Strabon was het Iapygische landschap tamelijk vruchtbaar, althans in zijn tijd, dus het begin van onze jaartelling. Ondanks die geschikte grond voor landbouw en veeteelt, was de streek ontvolkt geraakt en waren er behalve Brindisi en Bari geen noemenswaardige steden. In de eerdere bloeitijd waren dat er volgens Strabon nog zeker dertien geweest.

Apulisch beeldje van een varken (Museo Civico, Milaan)

De Juliis beschouwt de landbouw als grootste bron van de Iapygische welvaart, geïntegreerd met veeteelt:

Schapen en varkens in de bergachtige en heuvelachtige gebieden van de Daunische sub-Apennijnen en de Alta Murgia, paarden op de vlaktes van Daunia en Messapia.

Verder weten we dat de olijfboom in het eerste millennium al was gedomesticeerd. De Juliis beschrijft de dorpen als volgt:

Laagland- of heuvelnederzettingen bestonden uit groepen hutten verspreid over grote gebieden, terwijl kustnederzettingen een compactere structuur vertonen. De hutten waren gebouwd met palen, takken en riet en waterdicht gemaakt met lagen kleiachtige modder.

Het archeologisch materiaal toont dat de Iapyiërs ingebed waren in bredere handelsnetwerken. Dankzij de strategische ligging fungeerde Iapygië als een scharnier tussen de Adriatische Zee en de Egeïsche wereld, een functie die al teruggaat tot de Bronstijd. Contacten met Mykeense en latere Griekse gemeenschappen beperkten zich niet tot louter import, maar leidden ook tot overdracht van technieken. Volgens De Juliis voldeden de ambachtslieden vooral aan interne behoeften en zorgden ze voor een grote autonomie. Bij de Dauniërs leidde de productie van hoogwaardige artefacten zelfs tot export.

Tegelijk ontwikkelden de Iapygiërs geen uitgesproken maritieme handelsmacht naar Grieks model, noch een expansief koloniaal netwerk. Hun economie lijkt eerder te hebben gefunctioneerd als een intermediair systeem: lokaal verankerd in agrarische productie, maar open naar externe invloeden en uitwisseling.

Over de sociale structuur zegt De Juliis:

We kunnen met de nodige voorzichtigheid stellen dat in de vroege IJzertijd nog geen sterke klassevorming bestond. Het is waarschijnlijker dat sociaal ongedifferentieerde groepen werden geleid door “chiefs”, die het economische overschot van de gemeenschap samenbrachten, gebruikt in een kleine gezinsomgeving voor de aankoop van prestigieuze goederen.

Nochtans zou het zou op basis van de diversiteit en soms rijke graven, gerechtvaardigd lijken uit te gaan van een sociale elite en een zekere mate van gelaagde organisatie.

[Deze gastbijdrage van Dieter Verhofstadt wordt vervolgd. Dank je wel Dieter!]

Voor-westerse geschiedenis (4) flora

Olijfboom

De bovenstaande olijfboom stond een kwart eeuw geleden in Agrigento op Sicilië. Vermoedelijk staat ’ie er nog, want olijfbomen zijn taai. Net als steeneiken, johannesbroodbomen, Aleppo-dennen, acacia’s, ceders, vijgenbomen en andere oer-Mediterrane gewassen. Ze weten zich op harde grond te wortelen en kunnen tegen een stootje. Dat geldt ook voor de palmboom, die oorspronkelijk wat oostelijker groeide, in de eeuwen vóór het begin van onze jaartelling naar het westen oprukte en in de eerste eeuw v.Chr. nog voldoende zeldzaam was om het opschieten van zo’n boom te beschouwen als een voorteken – ik blogde daar al eens over. In de Arabische tijd werd de palmteelt echt serieus groot en de palmboomgaard van het Spaanse stadje Elche, in het westen van de oude wereld, geldt als werelderfgoed.

Van oost naar west

De dadelpalm representeert, om zo te zeggen, de grote flora-beweging in de oude wereld: oosterse gewassen kwamen naar het westen. Westwaarts kwam ook de bananenpalm, die in de zesde eeuw v.Chr. vanuit het Verre Oosten de Indusvallei bereikte en daarvandaan verder naar het westen reisde. De sinaasappelboom en de kersenboom kwamen al langer voor het Nabije Oosten en bereikten eveneens de Mediterrane wereld. Van de laatstgenoemde boom is dankzij Plinius de Oudere bekend dat de Romeinse generaal Lucullus hem rond 70 v.Chr. aantrof in Anatolië en meenam naar Italië, waarna andere Romeinen de kersenboom overbrachten naar Gallië. Net als de wijnrank overigens; de Moezelwijn is een Romeinse innovatie. De Perzen brachten als eersten suikerriet vanuit de Indusvallei naar Khuzestan (volksetymologie: “suikerland”), de hellenistische vorsten exporteerden de plant verder naar het westen, al werd het pas echt wat in de Late Oudheid. Idemdito katoen.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (4) flora”

Het Erechtheion (1): de mythen

Het Erechtheion

Bij een bezoek aan Athene valt de Akropolis niet te vermijden. Het witte pad naar de top van deze tafelberg leidt naar de imposante Propyleeën met daarnaast de lieftallige tempel van Nikè. Eenmaal door de toegangspoort, wordt het oog meteen getrokken door het befaamde – en inmiddels niet langer onbediscussieerdeParthenon, de immense tempel van de godin Athena. Mijn persoonlijke voorkeur gaat echter uit naar het architectonische hoogstandje links van het Parthenon: het Erechtheion.

Koning Erechtheus

Alvorens daarover te vertellen, moeten eerst twee Griekse sagen nader worden toegelicht, om zo het gebouw en zijn betekenis beter te begrijpen. Om te beginnen het verhaal van Erechtheus. Deze legendarische koning van Athene, naar wie het Erechtheion is vernoemd, was het resultaat van de mislukte avances van Hefaistos aan het adres van Athena.

Lees verder “Het Erechtheion (1): de mythen”

Oude olijfbomen

Laërtes’ olijfboom

Drie jaar geleden was ik in Souk Ahras, een klein Algerijns stadje dat ooit Thagaste heette en dat de geboorteplaats is van Augustinus. Er zijn geen opvallende resten uit de Romeinse tijd, maar achter het gemeentehuis toont men een olijfboom die, zo vertelt men, eeuwenoud is. Ik blogde er destijds over – lees maar – en schreef toen dat de christelijke veelschrijver de boom minimaal zou kunnen hebben gezien.

Het is niet de enige oeroude olijfboom. Het exemplaar hierboven staat op Ithaka en men vertelt ter plekke dat de vader van Odysseus, Laërtes, er weleens ging zitten als hij het gedonder in het paleis zat was. In Athene wijzen ze Plato’s olijfboom aan. In Libanon staan bij Bcheale zestien bomen die zouden zijn ontstaan toen Noach het olijftakje zou hebben geënt dat de duif hem na de Zondvloed had gebracht. Op de Olijfberg in Jeruzalem tonen ze u de bomen waaronder Jezus zou hebben gebeden voordat Judas hem kwam verraden.

Lees verder “Oude olijfbomen”

Augustinus’ olijfboom

Wat opvalt bij het lezen van Augustinus is dit: hij was rusteloos op zoek naar de waarheid. Hij bekeerde zich dus eerst (na de lectuur van Cicero’s Hortensius) tot de filosofie, bekeerde zich tot het manicheïsme, bekeerde zich tot het christendom, bekeerde zich daarbinnen weer tot de variant die we nu orthodox noemen en vond geen rust. De polemieken rond het pelagianisme zijn niet de teksten van een man die tevreden is met wat hij heeft gevonden of heeft bereikt.

Hij was bereid voor de waarheid een hoge prijs te betalen. Hij had, in de keizerlijke residentie Milaan, een voorname positie aan het hof, stond op het punt zich in te trouwen in een vooraanstaande familie en mocht vooruitzien naar lucratieve betrekkingen in het rijksbestuur, toen hij ineens een punt zette achter die loopbaan en zich terugtrok. Augustinus was maar een venditor verborum geweest, een kletsmajoor. Het is alsof iemand die op het punt staat de Nobelprijs voor de Letteren te krijgen, concludeert dat literatuur eigenlijk maar prietpraat is, de Zweedse Academie adviseert naar de pomp te lopen en besluit de waarheid buiten de literatuur na te jagen. Dat Augustinus zoiets deed, illustreert zijn gedrevenheid.

Lees verder “Augustinus’ olijfboom”