Proto-Indo-Europees en Proto-Anatolisch

Inscriptie van Suppiluliuma II in Hiërogliefisch Luwisch (Hattusa)

Er gaan dagen voorbij waarin ik niet denk aan de vraag of het Proto-Anatolisch afstamt van het Proto-Indo-Europees of dat het Proto-Indo-Europees en het Proto-Anatolisch een gedeelde voorouder hebben. Ik ontmoette vorige maand iemand die daar wel dagelijks aan denkt: Alwin Kloekhorst van de universiteit in Leiden. Eerst ga ik u vertellen wat hij me over het onderwerp vertelde, daarna zal ik u uitleggen waarom het uitmaakt. Maar eerst even wat achtergrond.

Proto-Indo-Europees

De reconstructie van het Proto-Indo-Europees is, en ik overdrijf niet, een van de grootste prestaties uit de geesteswetenschappen aller tijden. Het gaat om het inzicht dat vrijwel alle talen in Europa, een groot aantal talen uit Centraal-Eurazië, plus enkele Iraanse en Indische talen afstammen van één oertaal. De talen in die familie noemen we Indo-Europees en de gereconstrueerde oertaal heet Proto-Indo-Europees.

Lees verder “Proto-Indo-Europees en Proto-Anatolisch”

Proto-Grieks en de “komst van de Grieken”

Het oudste bewijs voor het Grieks: Lineair-B-tabletten zoals dit in het Museum van Heraklion.

Marcus Zuerius van Boxhorn (1612-1653) werd op z’n twintigste professor eloquentiae (hoogleraar Welsprekendheid) aan de Leidse universiteit. Maar die opmerkelijke prestatie valt in het niet bij wat z’n grootste verdienste zou worden: de conclusie dat

Griecken ende Duytschen aan de borsten van eene moeder gelegen, ende uit eene mondt leren spreecken hebben.

Met andere woorden: Van Boxhorn zag in dat Grieks en Duits verwante talen waren. Ergens in hun stamboom hadden ze dus een gemeenschappelijke voorouder. Van Boxhorns hypothese is sindsdien slechts bevestigd. Grieks en Duits en nog honderden andere talen waaronder het Nederlands zijn inderdaad familie. We noemen al die talen “Indo-Europese” talen, en hun gemeenschappelijke voorouder “Proto-Indo-Europees”.

Lees verder “Proto-Grieks en de “komst van de Grieken””

Het Pre-Grieks

“Saura”, “hagedis”, is een Pre-Grieks woord.

Omstreeks 2000 v.Chr. moeten Griekssprekende mensen vanuit het noorden het gebied van het huidige Griekenland zijn binnengetrokken. Daar valt natuurlijk veel over te vertellen (hoe kun je bijvoorbeeld je uit archeologische vondsten afleiden wat voor taal de dragers van de betreffende cultuur spraken?) – maar dat valt buiten het onderwerp van vandaag. Waar het nu om gaat is dat we die Griekssprekende mensen voor het gemak ‘Proto-Grieken’, d.w.z. ‘eerste Grieken’ noemen, en hun taal ‘Proto-Grieks’.

Dat Proto-Grieks had zich ontwikkeld uit het Proto-Indo-Europees, een taal (en allengs een verzameling dialecten) die in het vierde en derde millennium v.Chr. gesproken moet zijn in het Pontisch-Kaspische steppegebied van Oekraïne en Zuid-Rusland. Na hun aankomst in Griekenland hebben de Proto-Grieken zich in de daaropvolgende eeuwen verspreid over Griekenland en de kust van Klein-Azië. Ten gevolge van die verspreiding viel het Proto-Grieks in dialecten uiteen.

Lees verder “Het Pre-Grieks”

Kikkererwten (2)

Ik had u in het vorige stukje het oude Griekenland beloofd, dus dat komt nu. Want hoe zit het met het woordje erwt? En waar komt die rare w daarin eigenlijk vandaan? Dit wordt een ingewikkelde reis.

Proto-Germaanse erwten

Hij begint nog eenvoudig, want in de Middeleeuwen heet een erwt gewoon nog erwete, dus veel is er sindsdien niet veranderd. We kunnen zelfs een Proto-Germaanse vorm reconstrueren, waarvan erwete en ook de soortgelijke woorden in andere Germaanse talen zijn afgeleid: *arwai-t-. (Het sterretje betekent dat de vorm is gereconstrueerd, maar niet is overgeleverd.) De w van erwt zit er dus al heel lang in. Maar hoe verder?

Lees verder “Kikkererwten (2)”

Kikkererwten (1)

We aten kikkererwten, vandaag. Dat zou het vermelden nauwelijks waard zijn geweest, als het me niet op dit stukje had gebracht. Want ik wil het hebben over de etymologie van dat woord, die ons naar zowel Rome als het oude Griekenland brengt.

Kikkererwten

Is kikkererwt dan zo’n oud woord? Nee, helemaal niet. Het duikt in het Nederlands pas vrij recent voor het eerst op, namelijk toen ik eerstejaars klassieke taal- en letterkunde was (en nee, dat is nog niet de hierboven beloofde relatie met de klassieke Oudheid).

Lees verder “Kikkererwten (1)”

Corona en kraaienzang

Het coronavirus dankt zijn naam aan de krans (in het Latijn: corona) rond de virusdeeltjes. Die informatie heb ik van Wikipedia dus als het niet klopt verspreid ik hierbij fake news. Erg veel wijzer word je van die omschrijving trouwens ook niet, want waar is de krans dan van gemaakt? Maar dit wordt geen medisch of biologisch verhaal, want het gaat me nu alleen om dat Latijnse woordje corona. Dat betekende in de Oudheid inderdaad ‘krans’, de hoofdtooi die bijvoorbeeld priesters  bij het offeren droegen. Pas in het middeleeuws Latijn ging corona ‘kroon’ betekenen, en veel Europese talen hebben dat woord toen in die betekenis geleend.

Korônê

Maar we kunnen ook een stap terug in de tijd zetten. Want waar hadden de Romeinen hun corona vandaan? Die hadden het uit het Grieks, waar korônê al een oeroud woord was. Een enkele keer komt het daar ook voor in de betekenis ‘krans’, en in die betekenis hebben de Romeinen het woord dus overgenomen.

Lees verder “Corona en kraaienzang”

Gustaf Kossinna (2)

Hallstatt-voorwerpen uit de Elzas (Palais Rhodan, Straatsburg)

Gustaf Kossinna, over wie ik zojuist al blogde, zou tegenwoordig gelden als een van de grootste archeologen aller tijden, als zijn opvattingen verder hadden gestaan van die van de Nazi’s. Het was in zijn tijd gebruikelijk aan te nemen dat niet alleen de Germanen, maar ook de sprekers van de Proto-Indo-Europese taalfamilie afkomstig waren van de Noord-Duitse Laagvlakte. De Germanen stonden daarom het dichtst bij de oorsprong en bezaten daardoor een etnische zuiverheid die elders afwezig was. Zo was Brittannië door invasies van allerlei volken (Belgen, Romeinen, Vikingen, Normandiërs) verworden tot een etnische smeltkroes, terwijl in Gallië Keltische, Romaanse en Germaanse elementen samenkwamen. De Germanen waren daarentegen raszuiver gebleven. Dacht men.

Nobele Germaanse wilden

Hun raszuiverheid maakte – nog steeds volgens Kossinna – de Germanen biologisch superieur. Bovendien hadden ze een superieure taal, die hen in staat stelde creatiever te zijn dan andere volken: een eigenschap die tot dan toe meestal was toegeschreven aan de Grieken. Wie met de nobele Germaanse barbaren contact maakte, meende Kossinna, raakte daardoor verrijkt.

Lees verder “Gustaf Kossinna (2)”

Anatolische talen

Hiëroglyfisch-Luwische inscriptie (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

Onderwijs over het Indo-Europees en de bijbehorende geschiedenis zou, zoals de Leidse taalkundige Stefan Norbruis onlangs stelde in een proefschrift over de Anatolische talen, standaardonderdeel moeten zijn van het middelbare-school-curriculum. De ontdekking van deze oertaal is een van de grootste prestaties uit de negentiende-eeuwse geesteswetenschappen. Hier is alvast een filmpje waarover ik nog eens zal bloggen.

In de twintigste eeuw is geprobeerd de samenleving van de eerste sprekers te reconstrueren. Dat kan door bijvoorbeeld te kijken naar de gedeelde woordenschat. Daarin zijn bijvoorbeeld diverse namen aanwezig voor flora en fauna, die een aanwijzing vormen voor een Urheimat, terwijl de woorden voor bijvoorbeeld koning, ploeg en wiel duiden op zaken die archeologisch terug te vinden zijn: koningsgraven, landbouw en wagens.

Lees verder “Anatolische talen”

Digitale historische taalkunde

Stamboom van de Indo-Europese talen (klik=groot)

Ik heb wel vaker geblogd over de Lachmannmethode, waarbij classici de fouten in middeleeuwse handschriften gebruiken om te zien welke manuscript van welk manuscript is afgeleid, eventueel verloren handschriften te reconstrueren en zo het origineel zo dicht mogelijk te benaderen. Als van de bladeren van een boom werk je via de takken terug naar de stam; zo werkt de classicus van de concreet voorhanden zijnde data terug naar verloren informatie. Dat de methode correct is, weten we doordat in de Egyptische woestijn papyri zijn teruggevonden met daarop teksten zoals ze volgens de reconstructie moesten zijn.

Dit idee, dat je aan de hand van wat je in het heden vindt terug kunt redeneren naar wat er vroeger moet zijn geweest, staat bekend als de fylogenetische stamboom. Die term komt uit de biologie: van de huidige diersoorten kunnen we terugredeneren naar uitgestorven voorouder-diersoorten. Ik heb me ooit door een bioloog laten vertellen dat de methode ook hier correct is gebleken: sommige vormen waarvan men had beredeneerd dat ze bestaan moesten hebben, zijn in fossiele vorm teruggevonden.

Lees verder “Digitale historische taalkunde”

Archeologie en de Indo-Europese talen

In 1987 publiceerde de Britse archeoloog Colin Renfrew, de grondlegger van de cognitieve archeologie, het bovenstaande boek over de verspreiding van de Indo-Europese talen. Ik herinner het me nog goed; mijn docent Marten Stol, die ons tijdens een college eigenlijk iets spijkerschrifterigs had moeten vertellen, weidde breed uit waarom dit allemaal niet kon kloppen.

Taalverspreiding en archeologie

Het was dan ook niet gering wat Renfrew claimde. Eén: taalverspreiding is archeologisch te herkennen. Weliswaar kun je geluid niet opgraven, maar de mechanismen die leiden tot intensieve taalverandering, zijn zelf ook intensief. Ze laten sporen na in het bodemarchief. Als bijvoorbeeld een gemeenschap een nieuwe elite krijgt die een andere taal spreekt, moet je dat aan materiële artefacten herkennen. De Latijnsprekende elite die zich aan het begin van de jaartelling vestigde aan de Rijn, is herkenbaar aan militaire nederzettingen, steden en een hele batterij andere zaken.

Lees verder “Archeologie en de Indo-Europese talen”