Kort Libanees (4)

De Sint-Nikolaas van Sidon, met de scheidingsmuur rechts.

Waar ik ook ga, ik zal nooit een kerk overslaan die is gewijd aan Sint-Nikolaas. Mits die geopend is natuurlijk en helaas heb ik in Sidon al enkele keren gestaan voor de gesloten deur van de kerk van bovengenoemde heilige. Vandaag was het kerkje echter toegankelijk.

Als ik het goed begrijp, is het gebouw eigendom van een groep gelovigen die vroeger “melkitisch” heette, een naam die zoiets wil zeggen als “keizerschristenen”. Het gaat om christenen die de besluiten onderschreven van het door keizer Marcianus belegde Concilie van Chalkedon (451) en die later de Arabische taal accepteerden. Je kunt ze ook omschrijven als Grieks-orthodoxen die toevallig geen Grieks gebruiken. Hun leider is de Grieks-orthodoxe patriarch van Antiochië.

Lees verder “Kort Libanees (4)” →

Positivisme

David Ricardo

Een tijdje geleden schreef ik een blogje waarin ik eraan herinnerde dat een historicus niet alleen wat feitjes oplepelt, zoals Paul Schnabel denkt, maar het verleden ook probeert te verklaren. Dat wil zeggen: de gereconstrueerde feiten in verband brengen met andere feiten. Eén mogelijkheid om dat te doen is het zoeken van oorzaken (“causale verbanden” voor wie het deftig wil uitdrukken). Bij deze methode van verklaren wordt in feite gekeken naar de natuurwetenschappen.

De methode is dan ook eigenlijk wel redelijk bekend. Eerst observeren de onderzoekers de verschijnselen en na verloop van tijd herkennen ze regelmatigheden, die dan wordt aangeduid als een natuurwet. Een voorbeeld is de wet van Boyle, die behelst dat de druk van een gas omgekeerd evenredig is aan het volume. In de tweede fase worden voorspellingen getoetst die op de veronderstelde regelmatigheden zijn gebaseerd. Stemmen de nieuwe waarnemingen overeen met wat is voorspeld, dan is de wet bevestigd, althans voor het moment. (Voor wie het deftig wil uitdrukken: een en ander is “gecorroboreerd”.) Is er daarentegen geen overeenstemming, dan is de wet óf niet geldig óf incompleet en moet ze worden verfijnd. In ons voorbeeld is dit laatste het geval. De volledige wet van Boyle luidt immers dat de druk van een gas omgekeerd evenredig is aan het volume zolang de temperatuur en de hoeveelheid gas dezelfde blijven.

Lees verder “Positivisme” →

Friese geveltekens

Foudgum

Mijn verblijf in Friesland loopt ten einde. Ik had wat vaker op de fiets willen stappen om te genieten van het wijdse landschap, maar het is er niet zo vaak van gekomen als ik wilde. In plaats daarvan knalde ik op en neer naar Libanon, dus u hoort me niet klagen, maar de tocht van Harlingen langs het wad naar het Lauwersmeer moet nog even wachten.

Bovenstaande foto maakte ik in Foudgum, waar François HaverSchmidt (Piet Paaltjens) enige tijd predikant was en begon met het maken van het Oera Linda Boek. Ik noemde geveltekens als deze in gedachten altijd een “oelebord” maar ik schijn daarmee een woord te hebben verzonnen dat noch Nederlands (“uilenbord”) noch Fries (“ûleboerd”) is. In elk geval gaat het om het bewerkte uiteinde van een nok, met de rechtopstaande makelaar. Vaak zit er een gat onder, waardoor uilen een schuur konden binnenvliegen, vandaar de naam.

Lees verder “Friese geveltekens” →

Oude talen, modern nationalisme

le_type_aryen
“blond comme Hitler, mince comme Göring, grand comme Goebbels”

Alvorens verder te gaan met deze reeks over de eerste resultaten van het oudheidkundige DNA-onderzoek, eerst een herinnering aan mijn eerste jaar aan de universiteit. Het leek wel alsof de stof altijd ophield op het moment dat ze interessant werd. Ik heb mijn handboek oude geschiedenis, Een kennismaking met de oude wereld van de Blois en Van der Spek, er nog even op nageslagen, en daar stond het inderdaad weer: de auteurs gebruikten woorden als “Indo-Europees” en “Semitisch”

omdat het nu eenmaal gewoonte is volken in te delen en te benoemen op grond van hun taal. De Semitische talen vertonen onderling een sterke verwantschap en hetzelfde geldt voor de verschillende onderafdelingen van de Indo-Europese taalfamilie. … De termen Semitisch en Indo-Europees hebben weinig te maken met ras of natie.

En dat was dat. Terwijl “het is nu eenmaal zo” toch echt het moment is waarop een wetenschapper sceptisch wordt. De eerdere wetenschappers hebben immers een reden gehad volken in te delen op grond van hun taal. Dat kan een goede of een slechte reden zijn geweest, maar een wetenschapper wil weten of die klopt vóór hij dat overneemt. Wie “het is nu eenmaal zo” schrijft, hoort – ietwat gechargeerd gezegd – niet thuis aan een universiteit.

Lees verder “Oude talen, modern nationalisme” →

Hermes in Amsterdam

Hermes (Tropenmuseum)
Hermes (Tropenmuseum)

Amsterdam is de stad van dominees en kooplieden. Die laatsten hebben gezorgd voor een van de officieuze symbolen van de stad: de alom aanwezige Hermes, de Griekse god van de handel, kooplieden, dieven, boodschappers en reizigers. De godheid – door de Romeinen aangeduid als Mercurius – wordt meestal afgebeeld als een naakte jonge man met twee attributen: de herautenstaf en een gevleugelde helm. Het beeld hierboven maakt deel uit van de decoratie van het Tropenmuseum.

De beeldhouwers die de sculptuur verzorgden van de Beurs van Berlage hadden wat meer moeite met naaktheid en gaven Hermes een mantel over de schouders en een nogal onpraktisch ogende rok die, zo te zien, permanent met de arm moest worden opgehouden.

Lees verder “Hermes in Amsterdam” →

De vaart der volkeren (1): Drie stappen

Turgot
Turgot

De meest in het oog springende activiteit van archeologen is dat ze voorwerpen opgraven, maar dat is beslist hun enige bezigheid niet. Die vondsten zeggen namelijk niet zo veel en krijgen pas betekenis als ze worden geïnterpreteerd. Een hoop ouwe muurresten krijgt betekenis als je een brandlaag herkent en kunt zeggen dat de stad door mensenhanden is verwoest. Het probleem hierbij zou kunnen zijn dat die brandlaag ook door een aardbeving kan zijn ontstaan. Of dat plunderaars de stad aanvielen toen die na een aarschok kwetsbaar was. (Wellicht herkent u dit voorbeeld: Troje.) Kortom: interpretatie is zo makkelijk nog niet en het wetenschappelijke van de archeologie zit ’m in de poging de subjectiviteit te verkleinen. Dat geldt trouwens voor alle subdisciplines van de oudheidkunde.

Er bestaan procedures en modellen en theorieën om de subjectiviteit te verkleinen maar daarmee zal ik u niet vervelen. Het gaat me erom dat wat op het niveau van een opgraving geldt, ook geldt voor het opgegraven verleden als geheel: al die archeologische informatie samen vertelt het verhaal van de mensheid, maar hoe herken je dat verhaal? Hoe rechtvaardig je, om zo te zeggen, de diverse plotwendingen?

Lees verder “De vaart der volkeren (1): Drie stappen” →

De Russen komen

De Russisch-orthodoxe kerk in Termez
De Russisch-orthodoxe kerk in Termez

Vorige maand schreef ik een reeks stukjes (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8) over de voor mij verwarde geschiedenis van Centraal-Azië, waarin ik probeerde wat structuur aan te brengen door haar te reduceren tot wat ik “vier vegen” noemde. Ik maakte de reeks nog niet af. De vierde “veeg” over de landkaart, de noordwest-zuidoostelijke beweging waarmee Centraal-Azië in de negentiende eeuw deel kwam uit te maken van het rijk van de Russische tsaar, was te recent. Ik wilde Oezbekistan eerst met eigen ogen hebben gezien. Vandaag echter de russificatie, morgen dan de staatsvorming, en overmorgen tot slot nog een Oezbeeks museumstuk om de reeks te brengen tot een voorlopig einde.

In feite hebben de Russen altijd belangstelling gehad voor Centraal-Azië: ze hadden vanouds te maken met de Mongolen. Toen de Oezbeken uit hun oorspronkelijke leefgebied wegtrokken en zich vestigden in het land dat nog altijd naar hen heet, ontstond ruimte voor Russische expansie naar het oosten, en deze expansie, eenmaal op gang gekomen, zou niet ophouden voor ze de Stille Oceaan had bereikt. De Russen bewogen dus gestaag naar het oosten en zuidoosten, langs de handelsroutes richting Khiva (aan de Amudarya, ten zuiden van het Aralmeer) en richting Tasj ofwel Tasjkent.

Lees verder “De Russen komen” →

Tambora

Het was een klein stukje in Kijk, een kleine veertig jaar geleden: iedereen kende de uitbarsting van de Krakatau, las ik, maar niet heel lang daarvoor was er, eveneens in Nederlands-Indië, een veel grotere vulkaanuitbarsting geweest, die de hele wereld had geschokt. Ik heb dat altijd onthouden, zelfs al wist ik de naam van de vuurspuwende berg niet meer. De wereldwijde impact van de vulkaanuitbarsting stond vanaf toen ergens op mijn mentale landkaart, met nog zoveel andere weetjes die je als jonge puber opdoet uit Kijk, uit de boeken van Jules Verne, uit Kuifje.

Tambora, zo heette de vulkaan, hij beheerste het eiland Soembawa en hij ontplofte in 1815. “De grootste natuurramp sinds mensenheugenis” noemt Philip Dröge de gebeurtenis in zijn boek De schaduw van Tambora, dat een paar weken geleden is verschenen. Ik heb het in één adem uitgelezen. Het is jaloersmakend goed. Lees verder “Tambora” →

Het Ottomaanse Rijk

Bayezid I, sultan van het Ottomaanse Rijk

In het Brusselse Bozar, op een steenworp van het centraal station, is momenteel een tentoonstelling over de manier waarop westerse kunstenaars in de vijftiende en zestiende eeuw keken naar het Ottomaanse Rijk. Zondag ben ik er met vrienden wezen kijken en ik kan alleen zeggen dat “Het Rijk van de Sultan” de moeite van een bezoek alleszins waard is. Die moeite bestond in ons geval uit tweemaal drie-en-half uur in de trein, maar je moet er iets voor over hebben.

In ruim twintig zalen worden diverse aspecten getoond van de wijze waarop Europese kunstenaars omgingen met dat wat ze over de Turken wisten (of meenden te weten). Eigenlijk moet ik zeggen: beeldende kunstenaars, want bijvoorbeeld muziek en literatuur blijven onderbelicht. Dat is een keuze en vermoedelijk een verstandige, want wat er nu aan schilderijen, tapijten, penningen, vuurwerkinstallaties, wapenrustingen en etsen wordt getoond, is al bijna meer dan een mens kan bevatten. Het is bovendien allemaal even interessant: dit is typisch zo’n expositie die je twee keer moet bezoeken, wat ons, Hollandse dagjesmensen, vanzelfsprekend niet lukte.

Lees verder “Het Ottomaanse Rijk” →

Johannes Kinker

kinker
Johannes Kinker

Jaloers was ik, toen ik hoorde dat de bewoners van de Apeldoornse Vondellaan in hun straat een buste hadden geplaatst van de grote dichter. Ik woon aan de Bilderdijkkade in Amsterdam en het is ondenkbaar dat de naamgever hier ooit een gedenkteken zal krijgen, hoewel zijn Aanmerkelijke luchtreis best de moeite van het lezen waard is. Het is in feite de eerste Nederlandstalige science fiction. Maar Bilderdijk zal nooit een buste krijgen, laat staan een standbeeld.

Amsterdam is namelijk slecht in het eren van zijn schrijvers. Een paar blokken van mijn huis is W.F. Hermans geboren en de school waar hij leerde schrijven (en waar “Manuscript in een kliniek gevonden” zich afspeelt) is er nog steeds. Vanzelfsprekend komt daar geen gedenkteken – dat  zou hypocriet zijn in een stad die hem persona non grata verklaarde. Dat is al erg genoeg, maar nee, hij kreeg nog een trap na: toen de school een nieuwe naam moest krijgen, werd ze vernoemd naar een andere schrijver.

Lees verder “Johannes Kinker” →