De prioriteit van Marcus

We weten niet wat het “teken van Jona” was. (Soumela-klooster)

Dat de eerste drie evangeliën met elkaar verwant zijn, wisten de christelijke kerkvaders al. Augustinus meende dat Marcus een uittreksel was van Matteüs en om die reden staat Marcus in uw bijbel meteen na Matteüs. Negentiende-eeuwse oudheidkundigen verklaarden de overeenkomst anders: Matteüs en Lukas zouden Marcus hebben bewerkt. Dit is feitelijk niet meer dan een aanname. Die groeit op een gegeven moment uit tot consensus en versteent daarna tot feit.

De prioriteit van Marcus, zoals het heet, blijft echter een hypothese. Zoals al onze kennis. En er zijn ook wel tegenvoorbeelden te noemen, waar je denkt: nee, het is Marcus die hier de bewerking uitvoert, niet Matteüs en Lukas. Hier zijn vier passages.

Lees verder “De prioriteit van Marcus”

Vergeten aannames: de Drususgrachten

Twee weken geleden stuurde archeoloog Jan Verhagen me zijn proefschrift, gewijd aan de waterwerken die de Romeinen in de Lage Landen hebben aangelegd: Tussen de Dam van Drusus en de Zuilen van Hercules. Van wat ik er inmiddels van heb gelezen – niet alles – kan ik zeggen dat het leesbaarder is dan je van een proefschrift verwacht. Er staat veel in dat ik niet wist en waar ik bij gelegenheid nog eens op terug wil komen. Een waardevol cadeau dus en als ik hieronder een zwakte aanwijs, doe ik dat niet om afbreuk te doen aan Verhagens promotie. Ik wil een algemenere kwestie benoemen. Elk wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op aannames die een onderzoeker niet kan controleren en die mogelijk onjuist zijn.

De Drususgrachten

Mijn observatie betreft de Drususgrachten. Ik heb het er eerder over gehad. (Het is onbeleefd rond een promotie nog eens zaken naar voren te brengen die de doctorandus niet weten kon.) De Romeinse biograaf Suetonius (begin tweede eeuw) noemt fossas die generaal Drusus heeft laten aanleggen in Raetia en Germanië. Hij geeft ook een datering: in een jaar waarin Drusus de quaestuur of de praetuur uitoefende. Als de quaestuur is bedoeld, slaat het op het jaar 18 v.Chr., toen Drusus verbleef in Raetia (zuidelijk Duitsland/Zwitserland). Als de praetuur is bedoeld, hebben we het over 11 v.Chr., toen hij campagne voerde in het Overrijnse. Die campagne kennen we van Cassius Dio, die inderdaad werkzaamheden vermeldt aan de Lippe.

Lees verder “Vergeten aannames: de Drususgrachten”

Verliefd, verloren

De vlakte voor de Sabis/Selle

Een noot in een publicatie van vondsten uit Thuin waarvan ik de gegevens momenteel niet bij de hand heb, was de eerste keer dat me opviel dat er weer mensen zijn die denken dat de Sabis de Samber is. Terwijl het gaat om de Selle.

Wellicht verdient dat enige uitleg.

In het jaar 57 v.Chr. viel Julius Caesar de Belgen aan. Even ten noordwesten van het huidige Reims, aan de Aisne, versloeg hij zijn tegenstanders voor de eerste keer. Daarna rukte hij verder op tot hij bij de Nerviërs kwam, die de Romeinse bereden verkenners wisten te verrassen bij de rivier de Sabis. Dankzij de routine waarmee de legionairs reageerden, wonnen de Romeinen het gevecht. Korte tijd later veroverden ze het fort van de Aduatuci, dat is geïdentificeerd bij Thuin. De vraag is nu waar tussen de Aisne en Thuin de Sabis ligt. Het woord is een hapax, dat wil zeggen dat het maar één keer voorkomt in de antieke literatuur, en wel in Caesars eigen verslag.

Lees verder “Verliefd, verloren”

Stedelijke rechten

Agrippa, de stichter van Nijmegen (Altes Museum, Berlijn)

Ik had er eigenlijk niet over willen bloggen, maar het onderwerp dook in vier dagen drie keer op: wat is de oudste stad van Nederland? Die vraag leeft nogal in Maastricht (dat ooit toeristen lokte met de slagzin “Maastricht staat op zijn Romeinse verleden”), in Nijmegen (dat elk decennium een ander stichtingsjaar heeft en in Tongeren (waar alle bewijs bestaat uit een inscriptie die niemand ooit heeft gezien).

De eeuwige negentiende eeuw

Als ik het goed zie, is het in feite een negentiende-eeuws discussie. Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, is er te weinig informatie over de oude wereld en spelen de vooronderstellingen van de oudheidkundige een belangrijke rol bij de interpretatie van de schaarse data. Dat is de aard van het vak, maar als je niet oppast neem je de vooronderstellingen van je voorgangers over. En dat lijkt hier te zijn gebeurd: in de negentiende eeuw ging men ervan uit dat er zoiets was geweest als Romeins stadsrecht, zoals dat in de Middeleeuwen ook had bestaan.

Lees verder “Stedelijke rechten”

Macedonische oorlogsheld

Reliëf van Hefaistion (Archeologisch Museum van Thessaloniki)

Het bovenstaande reliëf fotografeerde ik in 2010 in het archeologisch museum van Thessaloniki. Het is gevonden in Pella, de oude hoofdstad van Macedonië, en stelt een afgestegen ruiter voor die ergens wordt verwelkomd door een vrouw. Het onderschrift is intrigerend: ΔΙΟΓΕΝHΣ ΗΦΑΙΣΤΙΩΝΙ ΗΡΩΙ, “Diogenes aan de held Hefaistion”. Op stilistische gronden wordt deze sculptuur gedateerd in het laatste kwart van de vierde eeuw v.Chr.

Dit is zeker intrigerend. De geliefde van Alexander de Grote heette Hefaistion en kreeg na zijn dood de eerbewijzen van een heros, een woord dat letterlijk “held” betekent, maar in deze context duidt op een halfgod. Het was niet ongebruikelijk zulke eerbewijzen te verlenen aan iemand die een stad had gesticht, en Alexanders Hefaistion had dat inderdaad gedaan (vermoedelijk o.a. Ai Khanum in Afghanistan). Los daarvan was dit ereteken een opstapje naar de vergoddelijking van Alexander zelf, die deze status om politieke redenen nodig had: weliswaar was hij als koning al verheven boven zijn onderdanen, maar de rol van het koningschap was bij elk van de onderworpen volken een andere en dat maakte het Macedonische hofritueel eindeloos complex. Zelfvergoddelijking maakte de zaken eenvoudiger en de verheffing van Hefaistion tot heros was een eerste stap. Het hierboven afgebeelde reliëf zou met deze cultus kunnen samenhangen. Met wat fantasie kun je in de afgestegen ruiter zelfs Hefaistion herkennen – dit is zijn portret.

Lees verder “Macedonische oorlogsheld”

Delahaye en zijn volgelingen (1)

De Romeinse vlootbasis van Velsen (Graham Sumner)

Regelmatig sturen uitgevers me ongevraagd boeken toe met het verzoek ze op deze blog te bespreken. Soms doe ik het wel, soms doe ik het niet: het hangt af van de beschikbare tijd, onderwerp, belangstelling, auteur en die merkwaardige, subjectieve kwaliteit “of d’r een stukje in zit”. Dat ik niet eerder heb geschreven over de boeken van de Studiekring Eerste Millennium, die me meer dan eens zijn toegestuurd, heeft te maken met de eerste factor: tijd. Ik zal ze ook nu niet bespreken, maar er zit wel een stukje in en het is wel zo beleefd althans iets te schrijven als mensen je boeken cadeau doen.

In de tweede helft van de vorige eeuw trok Albert Delahaye (1915-1987) de aandacht met zijn theorie dat de Romeinen nooit, of maar heel kort, in de Lage Landen zouden zijn geweest. Dat dit nu wat merkwaardig klinkt, is omdat wij weet hebben van de archeologische dataexplosie die sindsdien heeft plaatsgevonden. Ook destijds was het idee niet verdedigbaar, maar het bewijsmateriaal was nog niet zo overdonderend rijk als tegenwoordig en Delahaye had zijn bewonderaars. Na zijn dood erkenden die dat de theorie onhoudbaar was, maar ze meenden ook dat er problemen waren met de wetenschappelijke reconstructie van de Romeinse topografie. Onder andere om die te bestuderen, richtten ze de genoemde studiekring op.

Lees verder “Delahaye en zijn volgelingen (1)”

Het Scheermes van Ockham

Jacob Revius

Ik blogde gisteren over een vergissing in het Handelsblad.

Het leven van Jacob Revius valt grotendeels in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1658).

In heb in totaal negen reacties gehad. Zes mensen meenden dat de fout zit in het eerste getal en dat de schrijver de levensjaren van Revius verkeerd heeft weergegeven. De geleerde is geboren in 1586, en het is makkelijk daarvan 1568 te maken. Deze verklaring vind ik plausibel. De drie anderen meenden dat de vergissing zit in het tweede getal. Zij meenden dat de schrijver de duur van de oorlog heeft willen aangeven, en dat 1658 is getypt in plaats van 1648. Ook dat is plausibel.

Welke verklaring zou de juiste zijn? We kunnen hier het logische beginsel op loslaten dat bekendstaat als het Scheermes van Ockham. Het houdt in dat die verklaring de voorkeur verdient, die de minste aannames nodig heeft. Dit principe is geformuleerd door de middeleeuwse filosoof Willem van Ockham.

Lees verder “Het Scheermes van Ockham”