Oudheidkunde en oudheidkundes

Niet dat dit theatermasker uit het museum in Thessaloniki iets wezenlijks over oudheidkunde overdraagt, maar ach, het is wel zo aardig.

Het kwam vorige week even ter sprake: wat is eigenlijk het verschil tussen al die oudheidkundige disciplines? Misschien is het zinvol om wat begripsverheldering te bieden, temeer omdat ik nogal eens word geconfronteerd met mensen die niet begrijpen dat geschiedenis een vak is.

De classici

De oude wereld wordt vanouds bestudeerd door mensen die ik classici zal noemen. Die staan in een prachtige traditie, teruggaand op de Renaissance, toen de inzet was dat de mensen graag beter wilden schrijven en de Oudheid als voorbeeld namen. Er waren destijds ook geleerden die de Oudheid niet zozeer wilden volgen maar gewoon wilden kennen. In feite zijn deze attitudes nog altijd aanwezig: er zijn nog volop classici die vooral bewondering voelen voor wat inderdaad mooi is – het boek van Simon Goldhill dat ik ooit besprak is een voorbeeld – en er zijn mensen die hun vakgroep liever “Griekse en Latijnse taal en cultuur” noemen. Meestal worden ze samen aangeboden, al oogt dat toch een beetje alsof je het hebt over de faculteit “Franse en Duitse taal en cultuur”, maar zo vreemd is dat niet: een groot deel van de Romeinse literatuur is nu eenmaal in het Grieks. Veel opvallender is eigenlijk de afwezigheid van het Aramees voor wie de literatuur en cultuur van de Romeinen wil bestuderen.

De archeologen

De tweede grote groep wetenschappers die zich met de oude wereld bezighoudt, zijn de archeologen. Oorspronkelijk waren dat vooral kunsthistorici à la Winckelmann, die de bewonderende houding deelden met sommige classici. Ik kan ver met hen mee gaan. Als ik niet meer minimaal eens per week zou denken “dit is mooi”, zou ik ander werk moeten gaan zoeken.

Lees verder “Oudheidkunde en oudheidkundes”

Lectio difficilior

Een kopiist voltooit zijn werk

Omdat ik woensdag een praatje houd over wetenschapsbloggen, meer in het bijzonder over uitleg van de methode, besprak ik afgelopen weekend mijn activiteiten met een paar mensen, en iemand wees me erop dat uitleg weleens een soort opstapeling is: soms kun je pas over iets bloggen als je bepaalde basiskennis kunt aannemen bij de lezers.

Ik herken het: regelmatig krijg ik reacties die duidelijk maken dat mensen eerdere stukken niet kennen. Je kunt dat redelijkerwijs ook niet verwachten. Des te leuker is het natuurlijk als iemand me eraan herinnert dat ik eerder iets anders heb beweerd, wat ik ook regelmatig meemaak.

Vandaag stapel ik maar eens een stukje op een eerder stukje: namelijk hierop, een blogje over de Lachmann-methode, de manier waarmee classici aan de hand van de fouten in middeleeuwse handschriften de tekst reconstrueren (“constitueren”) die antieke auteurs hebben geschreven.

Lees verder “Lectio difficilior”

De muren van Batenburg

Kasteel Batenburg

Toen ik nog jong en mooi was, en ook atletisch, ben ik eens langs kasteel Batenburg gefietst. Waar ik vandaan kwam en waar ik naartoe ging, weet ik niet meer. Wel herinner ik me dat ik destijds het rood-witte muurwerk wilde zien. Ook de teleurstelling staat me nog voor de geest: er is nauwelijks iets van het kasteel over. De poort die u op de foto hierboven ziet. Een rond veldje. Een halve toren. Nog wat muurresten. De Franse soldaten die er in 1794 tekeer gingen, hebben geen half werk geleverd.

Het is een oud kasteel: het dateert uit de twaalfde eeuw. De ronde vorm is een aanwijzing dat deze versterking moet zijn ontstaan als motte. Latere generaties meenden dat het nog ouder was en brachten zelfs een inscriptie aan dat het slot was gebouwd over een Romeinse tempel voor Mars. Gerard Geldenhouwer, over wie ik al eens blogde, leidde de naam af van Bato, de verzonnen voorouder van de Bataven.

Lees verder “De muren van Batenburg”

Individu en proces

Nog even over Luther. Ik blogde onlangs al over de curieuze poster en de al even curieuze webpagina van de Evangelische Omroep. Mijn steen des aanstoots was het feit dat ze de reformator presenteerden als de eerste beweger van de Reformatie. Dat is hij evident niet.

Het was in het laatmiddeleeuwse West-Europa algemeen bekend dat de kerk, die op een bepaald moment drie pausen had, dringend toe was aan hervorming. Er was een conciliaire beweging, die de macht wilde leggen bij het concilie, dat als een soort Staten-Generaal moest optreden. Veel van de ideeën die Luther zou uitdragen, zijn al te vinden bij John Wyclif, Geert Groote en Johannes Hus. Er was onderzoek gedaan naar de grondtalen van de Bijbel. Savonarola had de terugkeer naar apostolische armoede verkondigd. Zwingli had benadrukt dat mensen alleen door geloof en genade konden worden gered, en niet door goede werken, waarvoor hij geen aanwijzingen meende te vinden in de Bijbel (maar hij kon natuurlijk niet profiteren van de Dode Zee-rollen, zodat hij Paulus wel verkeerd uitleggen moest). Dat was in 1515, twee jaar voordat Luther met zijn vijfennegentig stellingen een geleerde discussie opende. In 1520 zou Luther breken met Rome. Niet als eerste, al is dat een beetje een kwestie van definitie,  maar in elk geval met ideeën die nauwelijks nieuw waren te noemen.

Lees verder “Individu en proces”

Kwakgeschiedenis: Luther

Een tijdje geleden fietste ik van Zwolle naar Deventer. Ik was nog niet lang onderweg toen ik een gebouw zag dat ik nooit eerder had gezien maar uit duizenden herkende: Windesheim, een van de centra van de Moderne Devotie.  Dat dit een kerkelijke vernieuwingsbeweging uit de Late Middeleeuwen is geweest, reken ik tot de algemene ontwikkeling. Je hoeft in elk geval geen professioneel historicus te zijn om ervan te weten. Ik hoorde er bijvoorbeeld zelf van toen ik op de lagere school zat. De Moderne Devotie maakt nu geen deel meer uit van de canon, maar in ons geschiedenisboekje stonden Geert Groote en de Broeders des Gemenen Levens keurig vermeld.

Je hoeft ook geen doctor in de geschiedwetenschap te zijn om te weten dat in diezelfde Late Middeleeuwen Johannes Hus en John Wyclif twee belangrijke vernieuwers waren van het Europese christendom. Dat was op dat moment inderdaad toe aan vernieuwing: al rond 1300 hekelde Dante de rijkdommen van de kerk, daarop volgden eerst het verblijf van de pausen in Avignon en vervolgens het Westers Schisma, waarin er zowel in Rome als in Avignon een paus was. Het Concilie van Pisa (1409) moest daaraan een einde maken maar het eindresultaat was dat er vervolgens drie pausen waren.

Lees verder “Kwakgeschiedenis: Luther”

Oudheid als ambitie

De Nijmeegse uitgeverij Vantilt was zo vriendelijk me een exemplaar toe te sturen van Oudheid als ambitie. De zoektocht naar een passend verleden, 1400-1700 van Karl Enenkel en Koen Ottenheym. Ik voel me bij presentexemplaren altijd wat opgelaten omdat zo’n cadeautje doorgaans een onuitgesproken (en soms wél uitgesproken) verzoek is erover te schrijven, terwijl ik vaak betwijfel of het wel verstandig is er aandacht op te vestigen. Classici, historici en archeologen leggen, wanneer ze überhaupt schrijven voor het grote publiek, de lat nogal laag en wekken daardoor vooral de indruk dat het vak intellectueel weinig voorstelt. Voor Oudheid als ambitie was ik echter meteen gewonnen.

Nou ja, bijna meteen. De inleiding is niet opwindend, maar toen ik die las had ik al gezien dat het vervolg interessant zou zijn, heel interessant. Oudheid als ambitie is zo’n boek waarvan je al jaren hoopt dat iemand het schrijft: een overzicht van de door de eeuwen veranderende omgang met de oude wereld. Idealiter is dat een trilogie, met een eerste deel over de continuïteit van de laatantieke cultuur in de Middeleeuwen, daarna een deel over de periode die begint met de Renaissance en tot slot een deel dat begint met Montesquieu en Winckelmann. Enenkel en Ottenheym bieden het middendeel.

Lees verder “Oudheid als ambitie”

Wij Batavieren (2)

Karel van Egmont

Gisteren heb ik geschreven over het wonderlijke gegeven dat de Hollanders zich in de late zestiende eeuw begonnen te associëren met de Batavieren, zoals men destijds de Bataven noemde. De parallel die ze trokken tussen de eigen opstand tegen Spanje en de Bataafse Opstand tegen Rome, is bizar omdat ze immers een uiteindelijke nederlaag impliceert. Een eervolle nederlaag, zeker, maar een nederlaag. Ik opperde dat de Hollanders deze keuze maakten omdat er een model klaarlag.

Geldenhouwer

Dat is gevormd door de Nijmeegse humanist Gerard Geldenhouwer (1482-1542), die in 1530 een Historia Batavica publiceerde die in 1541 werd herdrukt. Daarin benadrukte hij (terecht) het Germaanse karakter van de Batavieren, claimde hij (terecht) dat Nijmegen hun hoofdstad was geweest en benadrukte hij (minder terecht) de continuïteit met het hertogdom Gelre.

Lees verder “Wij Batavieren (2)”

Wij Batavieren (1)

Het traditionele beeld van de Oudheid, waarin veel aandacht was voor de Germanen, was nog dominant in de jaren negentig, toen Wim de Bie deze elpee maakte. Als Hagenaar kon hij zich even makkelijk associëren met het even verderop gelegen Romeinse Forum Hadriani, maar hij koos ervoor zich te zien als Cananefaat.
Het traditionele beeld van de Oudheid, waarin veel aandacht was voor de Germanen, was nog dominant in de jaren negentig, toen Wim de Bie deze elpee maakte.

Ik heb op deze kleine blog al een paar keer gewezen op het revolutionaire karakter van de aandacht die momenteel wordt gegeven aan de limes. Dertig jaar geleden had slechts een enkeling ervan gehoord. De Romeinse rijksgrens is “op de kaart gezet” – een cliché dat ik niet meer horen wil – met de Monumentenwet 1988 en vervolgens gecanoniseerd door de Commissie-Van Oostrom. Het gaat om een breuk met het traditionele beeld van de Nederlandse Oudheid, waarin vanouds niet de Romeinen centraal staan maar de Germanen. De Eburonen en de Bataven dus, en de Cananefaten, Chamaven, Friezen en Franken.

Hoewel ik de voordelen van het nieuwe geschiedbeeld herken, denk ik dat het niet zal beklijven. In de jaren tachtig ijverden de historici voor een soortgelijke aanpassing van ons beeld van de Patriottentijd, maar bij de recente herdenking van “tweehonderd jaar koninkrijk” klonk weer het aloude “de Patriotten waren de NSB-ers van Napoleon”. Tenzij de limes-organisaties gaan uitleggen waarom de limes een beter geschiedbeeld is dan het traditionele, kunnen we erop rekenen dat Nederland de limes over dertig jaar nog steeds niet zal herkennen als het eigen verleden en dat het project zal worden beschouwd als even nep als de visualisaties die momenteel aangeven waar ooit iets Romeins is geweest. De limessamenwerking zal eindigen met de reputatie een speeltje te zijn geweest voor projectontwikkelaars en werkverschaffing voor archeologen, die vaderlands verleden inruilden voor een Europees construct.

Lees verder “Wij Batavieren (1)”

Peutingerkaart

Rome op de Peutingerkaart (Österreichische Nationalbibliothek)
Rome op de Peutingerkaart (Österreichische Nationalbibliothek)

Ik moet vijftien of zo zijn geweest toen ik in het voormalige museum Kam in Nijmegen de Peutinger-landkaart voor het eerst zag. Of beter: een mooie oude replica uit 1591. De eindeloos lange kaart fascineerde me: ze toonde het hele Romeinse én Perzische wegennetwerk, zij het met heel vreemde proporties. De noord-zuid-verhoudingen zijn samengeperst tot 33 centimeter, terwijl de kaart een kleine zeven meter lang is.

De kaart, genoemd naar de Augsburgse geleerde die haar ontdekte, Konrad Peutinger, is getekend in de Oudheid en (zoals zoveel antieke teksten) overgeleverd in een middeleeuwse kopie. Ze vormt een sleuteldocument voor het begrip van de antieke geografie. Zo leren we dat 35 kilometer ten westen van Tongeren een plaats moet hebben gelegen die “Pernacum” heette. Daar zijn inderdaad Romeinse resten gevonden, namelijk bij Braives, een naam waarin je met enige goede wil het woord “Pernacum” nog herkent.

Lees verder “Peutingerkaart”

De David van Michelangelo

De David van Michelangelo (©Wikimedia commons | Jörg Bittner Unna)

Grappig verhaaltje in The Guardian: iemand in Melbourne heeft een vier meter hoge replica van de David van Michelangelo in zijn tuin gezet. Het is geen exacte kopie, meer een moderne imitatie met bijvoorbeeld een aangepast kapsel en, zo op het eerste gezicht, een iets smallere taille. Niet iedereen blijkt echter te zijn geïnteresseerd in Renaissance-kunst: de buren vinden het vulgair en zeggen dat het pijn aan hun ogen doet. Ze hebben drie officiële klachten ingediend.

Inmiddels is het een klucht waarin alle standaardelementen aanwezig zijn. De buren klagen dus over de onvermijdelijkheid van het huns inziens lelijke beeld. De gemeente zegt er niets tegen te kunnen doen. Een kunstcriticus komt langs om zout in de wonde te strooien: wat is het toch fascinerend hoe controversieel kunst kan zijn, om nog maar te zwijgen van het ook al zo fascinerende conflict tussen privé en openbaar. Uiteraard prijst hij zijn eigen, veel verfijndere smaak:

It looks like a reproduction that hasn’t re-imagined what that work could be in a contemporary Australia context, which, for me, would be a more interesting take.

Lees verder “De David van Michelangelo”