In museum het Valkhof in Nijmegen is momenteel de expositie “Moving Stories” te zien. Die toont hoezeer het antieke rivierenland een migratiegebied was en spiegelt dit aan de ervaringen van hedendaagse migranten. De tentoonstelling is goed ontvangen – lees maar hier of daar – maar ik voor mij was er niet enthousiast over.
Mijns inziens bleven het twee halve verhalen. Bij de moderne migratie lag de nadruk op vluchtelingen, wat maar één soort migranten is. Bij de Oudheid had meer aandacht kunnen zijn voor seizoensmigratie. Dat laatste om twee redenen. In de eerste plaats omdat het verweiden van kuddes in voorindustriële samenlevingen de grote, permanente onderstroom van bewegende mensen is geweest. Het was echt heel belangrijk. En in de tweede plaats (en iets minder belangrijk): als het waar is dat Noviomagus niet, zoals ooit gedacht, “nieuwe markt” betekent maar “het nieuwe veld”, en dus tegengesteld is aan Senomagus, “het oude veld”, dankt Nijmegen zijn naam zelfs aan seizoensmigratie.
De Vier Heemskinderen, gevelsteen op de hoek van de Herengracht/Leidsegracht in Amsterdam
[Tweede van vier door Dieter Verhofstadt geschreven stukken over de legende van het Ros Beiaard en de Vier Heemskinderen. Het eerste deel was hier.]
Van het verhaal bestaan sinds de dertiende eeuw diverse manuscripten met lichte variaties, ten gevolge van de mondelinge traditie waarin troubadours eigen elementen toevoegen.
Beiaard in vertaling
In 1508 komt een Nederlandse vertaling uit van de cyclus. In deze versie is Aymon niet erg opgetogen over de krijgsbuit die hem te beurt valt na trouw aan de zijde van Karel de Grote te hebben gevochten. Zelfs een huwelijk met Karels zuster Aye kan hem niet vermurwen. Hij zweert elk kind dat eruit voortkomt eigenhandig te doden. Als hij bij Aye na jaren klaagt over het kinderloos gebleven huwelijk, openbaart zij de vier zoons aan haar man. Aymon is in het bijzonder opgezet met de kloeke Reinout en schenkt hem het Ros Beiaard.
De tweede gekozen episode, nou ja een fase die jaren duurt, is de botsing tussen Erasmus en Luther. Een botsing die als ultieme consequentie had dat beider geschriften op de pauselijke index kwamen te staan. Waar ze pas in 1966 weer van afgehaald zijn.
Wetenschapper versus theoloog
De twee mannen deelden een afkeer van de verkeerde praktijken van de kerk (aflaten, obscene rijkdom, de ongerijmdheid van allerlei religieuze voorschriften, waaronder het priestercelibaat). Daar ging het conflict niet over. Het ging over wetenschap en geloof. Een wetenschapper en stond tegenover een gelovige, of misschien moet ik zeggen als gelovige theoloog.
Voor Erasmus was de uitgave van het Nieuwe Testament in het (oorspronkelijke) Grieks (met daarnaast in een kolom een verbeterde Latijnse Vulgaat) gebaseerd op zoveel mogelijk bronnen, niet een geloofsdaad maar een wetenschappelijk daad. Voor Luther was de vertaling van de bijbel in het Duits een geloofsdaad. Hij gebruikte wel Erasmus’ Griekse uitgave maar waar hem Erasmus’ nauwkeurigheid niet zinde omdat dat niet strookte met zijn geloofsopvattingen, corrumpeerde hij gewoon de tekst, beter: hij ging weer terug op de oude Vulgaat-vertaling waarvan Erasmus nu vastgesteld had dat die niet deugde of voegde gewoon de geloofswaarheden van Augustinus in, in plaats van de oorspronkelijke Griekse tekst.
Erasmus was de tweede (!) zoon van een priester. Dus, een onwettig kind. Anders dan moderne lezers wellicht denken was dit voor parochianen van toen eigenlijk niet echt een probleem. Veel priesters leefden in concubinaat met een vaste partner.
Wat schandaal wekte was een parochiepriester die wisselende relaties onderhield met verschillende vrouwen.
Immers, informeert Langereis ons, er was nog geen concilie van Trente geweest waarin het celibaat echt een verplichting werd en de kerk ging “investeren in de training van het priesterlijk geweten”.
Dat omslag, een jonge Erasmus met felrode klaprozen op zijn overhemd, dat trok onmiddellijk mijn aandacht.
Toch kocht ik het boek nog niet, alhoewel ik al bijna een leven lang een grote fascinatie heb voor Erasmus. En dat kwam door de nogal zure recensie van David Rijser in het NRC Handelsblad die beweerde dat er eigenlijk niets nieuws stond in deze biografie. (Ik vermoed dat hij te weinig vertrouwd is met de theologische kwesties die onvermijdelijk en noodzakelijk in zo’n biografie aan de orde komen)
Later kwamen er, beter onderbouwde, recensies in andere media. Vooral die van Marc van Oostendorp in het online tijdschrift voor Neerlandistiek overtuigde mij. Toen dacht ik: maar natuurlijk moet ik dit lezen. En ik heb deze biografie achter elkaar door uitgelezen want het boek is ook nog eens goed en soepel geschreven. En levendig, doordat Sandra Langereis uitvoerig gebruikt maakt van en citeert uit al Erasmus’ brieven.
Kampen is voor Nederland wat Schilda is voor Duitsland, Chelm voor Polen en Abdera voor het oude Griekenland: een stadje waar spreekwoordelijk domme mensen wonen. Volgens een beroemd verhaal wilden de Kampenaren ooit net zo’n mooi carillon hebben als het even stroomopwaarts aan de IJssel gelegen Zwolle, waarop de Zwollenaren aanboden dat hun buren het klokkenspel voor een zacht prijsje wel van hen konden overnemen. Zo gezegd, zo gedaan en iedereen was tevreden tot die van Kampen ontdekten dat ze voor dat zachte prijsje makkelijk drie carillons hadden kunnen kopen.
De Blauwvingers van Zwolle
De koop was echter beklonken, dus betalen zouden ze. Ze konden de eer echter nog redden door het bedrag te voldoen is stuivers. Omdat de Zwollenaren nog twee dagen bezig waren om het bedrag na te tellen, staan ze bekend als blauwvingers.
Althans, dat is het verhaal. Het is niet waar. “Betalen in klein muntgeld” is een beroemd broodje aap, dat een jaar of tien geleden nog opdook in een anekdote over Samsung dat Apple een miljard dollar zou hebben betaald in stuivers en dat ook wordt verteld over een transactie tussen de Verenigde Staten en Iran.
Even ten zuiden van Apeldoorn, achter Ugchelen, ligt het Herenhul: een niet al te grote open plek in het bos, op een oostelijke uitloper van de Veluwe (de “Hoge Bank”), vlakbij de Asselse Heide, waar in de Middeleeuwen klapperstenen werden gedolven om ijzer uit te winnen. Het was ook niet ver van de weg van Holland naar de IJsselvallei, die min of meer parallel loopt aan de huidige A1. De autosnelweg loopt rakelings langs het Herenhul en blokkeert vanuit Apeldoorn bezien de toegang; je rijdt er het makkelijkste heen vanuit Beekbergen en moet een stukje wandelen. Het is hier.
Omdat het niet heel bereikbaar is, was ik er nog nooit geweest en ik zou er ook nooit heen zijn gegaan als Sander Hurenkamp er niet over had geschreven in zijn Canon van Apeldoorn. Er is weinig te zien en de grote kei die er nu staat is er later geplaatst, maar dit was de plek waar de graaf van Gelre recht kwam spreken. Later was dat de taak van de hertog van Gelre, nog later van de vertegenwoordiger van de Habsburgse vorsten en tot slot van rechters van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het laatste vonnis schijnt te dateren uit 1620. De vonnissen werden hier ook voltrokken: de Hoge Bank was ook een galgenberg.
Kijk, daar werd ik nu blij van: ik werd benaderd door een aardige meneer uit Breukelen die van zijn vader een bibliotheek had geërfd vol boeken waar hij zelf niet meteen iets aan had. Had ik belangstelling in ruim veertig delen uit de Budé-reeks?
Reken maar.
De Franse humanist Guillaume Budé (1467-1540) was een van de grootste geleerden van zijn tijd. In de late twaalfde, vroege dertiende eeuw waren de Europese juristen ertoe overgegaan een selectie uit het Romeins Recht opnieuw in te voeren. Tegelijkertijd begonnen ze eerdere, feodale rechtsbepalingen opnieuw te formuleren met het romeinsrechtelijke begrippenapparaat. Ook latere bepalingen kregen die vorm. De koning van Frankrijk kon dus een volkomen nieuwe belasting bedenken maar deed dat in de taal van de keizer van Rome.
Justus Lipsius’ uitgave van het boek van Martinus Smetius
Het is moeilijk voor te stellen hoe groot de mentale impact is geweest van de ontdekking van Amerika en de omzeiling van Afrika. In de eerste helft van de zestiende eeuw werden Europese geleerden geconfronteerd met tal van nieuwe zaken: planten als de aardappel en de tomaat, wonderlijke dieren als lama’s en buideldieren, nieuwe mineralen, specerijen, volken en landen. Sommige bizarre verhalen uit antieke bronnen bleken waar te kunnen zijn, en daardoor ontstonden nogal wat onduidelijkheden. Waar lag de grens tussen feit en fictie? Als Herodotos’ verhaal over de omzeiling van Afrika waar kon zijn, waarom zou zijn verhaal over goudbewakende griffioenen dan onwaar zijn? Elke geleerde trachtte orde te scheppen in de informatiewarboel en het daartoe meest voor de hand liggende middel was het verzamelen van observaties. De zestiende eeuw werd zo de tijd van rariteitenkabinetten en curiosacollecties. Alleen door al het nieuwe nauwkeurig te bestuderen kon een grens worden getrokken tussen feit en fictie, waarna de nieuwe gegevens konden worden gecombineerd met de bestaande.
Antiquarisme
Lange tijd was er geen scherpe grens geweest tussen antiquiteiten en rariteiten. Het waren niet uitsluitend boeren in afgelegen dorpen die meenden dat aardewerk, net als fossielen, spontaan groeide in de grond. Nog in de achttiende eeuw waren er verzamelaars die meenden dat de stenen pijlpunten en klingen die in de bodem werden gevonden, elfenwapens waren. De grenzen tussen Griekse en Romeinse oudheden, prehistorische artefacten, fossielen en andere bijzondere voorwerpen waren onduidelijk, zodat men in oudheidkundig bedoelde collecties ook biologische curiosa en meteoren kon aantreffen. Geleidelijk ontstonden er echter specialismen en begonnen verzamelaars zich toe te leggen op deelgebieden: de Grieks-Romeinse Oudheid bijvoorbeeld, waarbinnen men zich dan kon specialiseren op gemmen, inscripties, vazen, militaria, sculptuur of voorwerpen uit een regio als Etrurië of Romeins Egypte. Vrijwel elke Europese vorst bezat een muntencollectie.
Stelt je voor dat astronomen een canon zouden opstellen van wat iedereen over hun vak moest weten. Zou dat een overzicht opleveren van sterrenbeelden? Nee natuurlijk. Ze zouden de telescoop, de periodieke terugkeer van kometen, radioastronomie en zwaartekrachtgolfdetectors noemen. Een wetenschap onderstreept haar belang immers niet met de objecten die ze onderzoekt, maar met de ontdekte patronen. En haar vooruitgang blijkt uit vernieuwende methoden, nieuwe soorten inzicht en nieuwe bijdragen aan andere disciplines.
Het is, dacht ik althans, logisch je niet te presenteren met de onderzoeksobjecten. Presenteer een wetenschap als wetenschap. De canon die de Commissie Van Oostrom voor de Nederlandse geschiedenis heeft opgesteld, beperkt zich echter wel tot de objecten en draagt zo bij aan het beeld dat geschiedvorsing geen echte wetenschap is. Het gaat om hunebedden, de Romeinse limes, Karel de Grote en wat dies meer zij. Onderwerpen, kortom, die zich lenen voor een blogje hier of een causerie daar, maar die niet tonen waarom geschiedenis een wetenschap is. Hieronder is mijn alternatief.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.