Ik ben een van de zeer weinige Nederlanders die de speelfilm Redbad in de bioscoop zagen. Dat was zo’n wanproduct – ik deed meteen verslag – dat ’ie bijna onmiddellijk uit roulatie is gehaald. Omdat ik me destijds al realiseerde dat een kaartje een collector’s item zou worden, heb ik het bewaard. Er is al eens een bedrag van vier cijfers voor geboden, dus er zijn slechtere beleggingen denkbaar voor de oude dag.
Radbodus, Radboud, Redbad
Waarom ging ik überhaupt naar de bioscoop? Omdat Radbodus, zoals hij in onze bronnen heet, ofwel Redbad, zoals hij in Fries heet, ofwel Radboud, zoals hij in het Nederlands heet, een interessant figuur is. We weten dat hij heeft bestaan en tot 719 regeerde in het westen en noorden van Nederland; we weten dat dit gebied Frisia heette; we weten dat hij voornaam genoeg was om zijn dochter Theudesinde uit te huwelijken aan de voorname Frankische edelman Grimoald II; we weten dat hij een rol speelde in de Frankische Burgeroorlog (715-718); we weten dat zijn Frankische tegenstanders hem typeerden als onverbeterlijke heiden.
Dat de Nederlandse kennisinfrastructuur wordt gesloopt, is een snoeihard feit. Dat mensen die het belang van kennis niet begrijpen, een handicap hebben als ze problemen moeten aanpakken, is een ander snoeihard feit. Daarover is een hoop meer te zeggen, maar dat ga ik niet doen: ik beperk me tot een derde snoeihard en pijnlijk feit, namelijk dat dat kennisinstellingen meewerken aan de sloop van de kennisinfrastructuur.
Zoals de Rijksuniversiteit Groningen. Ik weet niet precies wat daar verkeerd is gegaan, maar er is blijkbaar geldgebrek en dus wil de universiteit haar museum sluiten. Ze zijn totaal mesjogge. Ik heb daar twee à drie dingen over te zeggen, maar de petitie vindt u alvast hier. Teken die handel, mensen, teken haar en deel haar op de sociale media.
De tekst van de Daodejing draait om drie rollen: die van het volk, van de heerser en van de wijze. Het volk is lijdzaam, emotioneel, gericht op de behoeften en geneugten, en reageert op wat gebeurt. Verder is en blijft het onwetend. Ook een heerser tast vaak in het duister. De wijze bekijkt hem meewarig, en adviseert hem hoe hij het best kan handelen.
Uiteraard vereenzelvigt de tekst van de Daodejing zich met de wijze. Die bezit zijn wijsheid uiteraard omdat hij kennis heeft van de dao. Zijn adviezen aan alle mensen hebben we al gezien, al weet de wijze dat maar weinig mensen hem zullen begrijpen, en zelfs om hem zullen lachen. (Het volk blijft immers kortzichtig en onwetend.) Wat is dan zijn advies aan de heerser?
Hoe kan er kennis zijn van iets wat fundamenteel onkenbaar is? We zagen al dat volgens het taoïsme de dao de geest van het universum is, de oerwet. Maar het is tevens dat wat aan alles voorafgaat; ook wel “het onbewerkte blok” genoemd.
De dao rationeel begrijpen, dat kunnen we niet – dat blijft de Daodejingkeer op keer herhalen. De wijze beseft daarom vooral dat alle kennis betrekkelijk is. Zijn belangrijkste kennis is te weten wat hij niet weet, en dat absolute kennis feitelijk onmogelijk is.
De wijze was een oudere tijdgenoot van Confucius, en al aardig op leeftijd toen hij het land wilde verlaten. Bij de bergpas stuitte hij echter op een grenswachter, Yin Xi genaamd. Yin verzocht, gebood of smeekte de wijze om, als hij dan toch vertrok, althans zijn wijsheid achter te laten … op schrift.
Wanneer we het hebben over Babylonisch recht, gaat het meestal over een van de beroemdste teksten uit de oude wereld: de Wetten van Hammurabi, uit de achttiende eeuw v.Chr. Het probleem met deze codificatie is dat we niet goed begrijpen wie de in spijkerschrift geschreven tekst zouden hebben kunnen lezen. Hammurabi lijkt vooral te hebben willen aangeven dat hij zijn best deed een goede koning te zijn. Daar is niks mis mee, maar een tekst die leesbaar is voor slechts een minderheid, biedt duidelijkheid aan slechts een minderheid. Maar ook een koning moet natuurlijk ergens beginnen.
In de dagelijkse praktijk zal de rechtsvinding in handen zijn geweest van dorpshoofden die moesten improviseren aan de hand van traditie, analogie en billijkheid. We hebben echter wat teksten – geschreven documenten, dus betrekking hebbend op de elite – die tonen dat er ergens tussen Hammurabi’s principe en de dagelijkse gang van zaken toch een formele praktijk was die ruimte liet voor allerlei nuances. Noem het voor mijn part notariaat. Hier is een voorbeeld.
Portret van een Romein (Archeologisch Museum, Thessaloniki)
In de niet bestaande reeks “Algerijnen die iedereen behoort te kennen” presenteer ik u vandaag niemand minder dan Quintus Lollius Urbicus. Oké, hij had van Algerije niet gehoord en zou zichzelf “Romein” hebben genoemd. Maar hij kwam uit het Numidische stadje Tiddis en zijn loopbaan illustreert het leven van de bestuurlijke elite van de Romeinse keizertijd: mannen die van de ene naar de andere functie gingen, voortdurend onderweg waren, en feitelijk Rome maakten tot het machtige rijk dat het was.
Beginnersfuncties
De man stamde dus uit Tiddis, een van de satellietstadjes rond Cirta (het huidige Constantine). Ik noemde de Confederatio Cirtensis al eens, een viertal in naam onafhankelijke steden die feitelijk werden bestuurd door de Romeinse gouverneur van Africa Proconsularis. Dat die onafhankelijkheid in de tweede eeuw maar weinig betekende, blijkt wel uit het feit dat Urbicus carrière maakte in Rome.
Alexander Smarius (tweede van links) tussen drie door AI gegenereerde personages uit zijn nieuwe muziekvideo. Een tableau vivant naar een bekend Romeins reliëf in Trier.
De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarmee ik de journalistieke aandacht voor archeologische vondsten en ongefundeerde parallellen tussen toen en nu wil verplaatsen naar het proces waarmee wetenschappelijke inzichten ontstaan en worden overgedragen. Vandaag is het woord aan Alexander Smarius, die weleens eerder schreef voor deze blog. Als leraar Grieks en Latijn op het vwo – voor Vlaamse lezers: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs – is hij meestal niet direct met wetenschap bezig: liever helpt hij opgroeiende tieners zich voor te bereiden op wetenschap.
**
Welke rol heeft een leraar om jonge mensen voor te bereiden op wetenschap?
Kort en goed: het klimaat creëren waarin er een klassengesprek ontstaat dat de leerstof ontstijgt. Ruim baan geven aan situaties die ook in Griekse filosofenscholen konden plaatsvinden.
De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarin wetenschappers vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Zeker als het gaat om Israël zijn er nogal wat misverstanden en daarom geef ik vandaag het woord aan archeoloog/religiewetenschapper Martine van den Berg, die momenteel werkzaam is in Jeruzalem.
***
Wat bestudeert u?
Mijn promotieonderzoek betreft de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 van onze jaartelling door de Romeinen, die in de contemporaine literaire bronnen als een alomvattende gebeurtenis wordt beschreven. Bovendien is deze verwoesting in de loop van de eeuwen voorzien van een theologische betekenis: voor christenen was het de vervulling van Jezus’ profetie en in het jodendom markeerde dit het einde van politieke autonomie en het begin van de diaspora.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.