Vandaag blogje numero 7500, en ik wijd het aan een van de grote vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis: Veleda. De enige keer dat ik iets zag dat in de verte leek op een standbeeld, was een reliëf in Regensburg, in het Walhalla. Maar misschien moeten we daar eens verandering in gaan brengen.
Om te beginnen: Veleda was (althans volgens de Romeinse auteur Publius Cornelius Tacitus) een van de belangrijkste personages uit de Bataafse Opstand, namelijk de profetes die de diverse Germaanse groepen het vertrouwen gaf voor de strijd tegen Rome. Zelf behoorde ze tot de Bructeren, die leefden van de Achterhoek tot aan de Lippe in Duitsland.
Vandaag een kort blogje. Het gaat over de Rijn maar niet over de waterstanden. Het gaat wel over Duisburg, een stad in het Roergebied die u zult kennen als u weleens met de trein naar het zuiden spoort. Niet bepaald de eerste stad waaraan u denkt als het gaat om het antieke verleden. De oudste vermelding is middeleeuws, uit 883.
Maar er waren daarvoor al Romeinen. Logisch, want aan de andere kant van de Rijn lag het fort Asciburgium ofwel Moers-Asberg. De daar gelegerde soldaten zorgden ervoor dat er aan de Germaanse kant van de stroom geen al te grote nederzetting was – of het moest iets zijn dat de Romeinen controleerden. Een dergelijke nederzetting is nooit gevonden, maar dát er Romeinen in Duisburg waren, staat vast. Stenen die zijn gevonden in Krefeld en nu zijn te zien in het mooie museum Burg Linn, zijn gewonnen in wat nu Duisburg is.
Reconstructie van een Atheense rammelaar (Celicia Ceramics)
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er een reeks blogjes aan. Dit is het laatste en het eerste was hier.]
Het Museumpark Orientalis heette ooit de Heilig Land-stichting en was destijds, een eeuw geleden, bedoeld om mensen die de pelgrimage naar Palestina niet konden maken, te tonen in welke wereld Jezus had geleefd. Sympathiek bedoeld, maar de implicatie was dat in het Midden-Oosten de tijd had stilgestaan en dat de bewoners niet in staat waren tot dezelfde innovatie die typerend is voor Europa. Orientalis is echter niet alleen een confrontatie met het denken van een eeuw geleden, het is ook het museumpark dat elke zomer ruimte biedt aan het Laat-Romeins Festival, het gezelligste en oudste nog bestaande Romeinenfestival in Nederland.
Keramiek
In het tentoonstellingsgebouw is nu een expositie over oude handelsroutes, die dus mooi aansluit bij de nieuwe opstelling in het Valkhof Museum, maar ik kwam vooral om wat bekenden te ontmoeten en me door archeologe Ester Schraven van Celicia Ceramics te laten bijpraten over historisch geïnspireerd aardewerk. Elk museum verkoopt wel wat imitaties van antiek keramiek of glas, maar ik heb geen idee hoe dat nu wordt gemaakt en hoe authentiek dat nu eigenlijk is.
Als er journalistieke aandacht is voor de Oudheid, gaat het meestal over archeologische vondsten, die nogal stereotiep worden gebracht (“schat”, “mysterie”). Verder zijn er altijd weer slecht onderbouwde parallellen tussen toen en nu (West-Europa wacht al twee eeuwen het veronderstelde lot van het Romeinse Rijk). Met de rubriek “zes vragen” wil ik de aandacht terugleggen bij het eigenlijke wetenschappelijke proces. Als lezers weten wat onderzoekers doen, begrijpen ze immers beter wat er op het spel staat en herwint de oudheidkunde draagvlak.
Als tweede laat ik archeoloog Wil Kuijpers aan het woord, die zich bezighoudt met Romeinse baggervondsten uit het Nederlandse rivierengebied. Daarbij staat de vraag centraal in hoeverre zulk materiaalonderzoek kan bijdragen aan de reconstructie van verdwenen Romeinse nederzettingen. Hij combineert vondstanalyses met landschappelijk onderzoek, historische bronnen en vergelijkingen met andere vindplaatsen langs de limes.
***
Wat bestudeert u?
Als burgeronderzoeker onderzoek ik archeologische vondsten uit onderspoelde Romeinse vindplaatsen in het Gelderse rivierengebied. Mijn bevindingen deel ik via publicaties en lezingen.
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes of zeven blogjes aan. Dit is het voorlaatste. Het eerste was hier.]
Het moet een halve eeuw geleden zijn dat mijn vader me meenam naar Nijmegen, naar Museum Kam, destijds het archeologische museum van de stad. De locatie kon niet beter: het stond op de rand van de Romeinse legerbasis op de Hunerberg. De graven van de legionairs en hun tijdgenoten zijn gevonden in de straat waar het museum werd gebouwd, die inmiddels Museum Kamstraat heet. Mijn vader en ik kregen uitleg van meneer Stuart, die mijn ontluikende liefde voor Romeins Nederland aanwakkerde met een mooi verhaal. (Voor de insiders die zich afvragen hoe het kwam dat een Zo Grote Naam Uit De Nederlandse Archeologie twee passanten kwam verwelkomen, voeg ik toe dat Peter Stuart de broer was van een collega van mijn vader.)
Museum Kam is eind jaren negentig gesloten. De collectie is overgebracht naar het Valkhof Museum, waarover ik gisteren blogde, en het gebouw is sindsdien in gebruik voor andere doelen. In de coronatijd is het ingericht als onderzoekscentrum met bibliotheek.
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit stukje meetel. Dit is het vierde; het eerste was hier.]
Wie van Romeins Nederland houdt, houdt van het Valkhof Museum in Nijmegen. Het is echter – althans voor mij – een liefde die soms teleurstelt, zoals toen de directie verdwaalde in een tunnelvisie. Het museum was enige tijd gesloten, werd verbouwd en is onlangs heropend, en nu weet ik weer waarom ik er graag kom. Al vóór je binnen bent, zie je de verandering: het museumcafé bevindt zich nu aan de voorkant, zodat het gebouw veel opener is naar de buitenwereld. Ook het malle monument op het plein, een tegen de archeologische wetenschap opgeheven middelvinger in de vorm van een verzakte replica van een Romeins monument, is gelukkig verwijderd.
Kristalhelder thema
Feitelijk bestaat de nieuwe archeologische afdeling uit een heel grote C-vormige ruimte, met een kristalhelder thema: Nijmegen als onderdeel van een grotere wereld. Dit verhaal wordt strikt chronologisch verteld. Uit die keuze vloeit voort dat de verzameling nederzettingen die we aanduiden als “Romeins Nijmegen”, minder centraal staat dan vroeger. De eerste getoonde voorwerpen komen uit Bennekom, bepaald niet om de hoek.
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit blogje meetel. Dit is het derde; het eerste was hier.]
Bloeitijd
In de tweede eeuw bloeide Ulpia Noviomagus. Op het grafveld zijn prachtige barnstenen en kristallen voorwerpen gevonden die bewijzen dat in elk geval de elite het breed kon laten hangen. Oude schattingen hielden het erop dat het stadje zo’n 5.000 inwoners had; inmiddels is duidelijk dat het er fors meer waren, misschien wel 10.000. Met een legioenbasis ernaast was het al met al te groot om te worden gevoed vanuit het achterland, zelfs al verrees langs de Waal de ene boerderij na de andere. Graan en andere levensmiddelen moesten worden geïmporteerd, en de inscriptie van graanhandelaar Marcus Liberius Victor, die zijn producten aanvoerde vanuit het verre Henegouwen, is heel typerend.
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit blogje meetel. Dit is het tweede; het eerste was hier.]
Ulpia Noviomagus
In de jaren na de Bataafse Opstand reorganiseerden de Romeinen het Rijnland. Ze bekortten de weg naar de Donau door het Zwarte Woud (de Agri Decumates) te annexeren, en ook kregen meer legerbases stenen funderingen. Rome was niet langer in het offensief maar ging ervan uit dat de noordelijke rivieren voor langere tijd moesten worden verdedigd. In deze context moeten we ook de legioenbasis in Nijmegen plaatsen.
Er was in 2011 een claim dat een legioen zijn hoofdkwartier had ingericht in het stadscentrum, waar de resten zouden zijn gevonden op het Sint-Josephhof. Ik heb over die claim sindsdien niets meer gehoord, maar het zou een loepzuivere parallel opleveren met Jeruzalem, dat eveneens in 70 werd verwoest. Daar vestigde een legioen zich in de veroverde stad, maakte daarmee duidelijk wie de baas was, en dwong de bewoners te vertrekken naar het drie kilometer verderop gelegen Shu‘afat. Idem in Nijmegen: onderworpen opstandelingen, legioen in hun stad, bevolking drie kilometer verderop. Omdat ik over de Nijmeegse basis echter nooit meer had gehoord, was opheldering daarover een van de redenen waarom ik afgelopen weekend Nijmegen bezocht. Ik heb de deskundigen echter niet kunnen spreken en de oplossing van dit mysterie ligt derhalve voorshands verborgen in de mist der tijden.
Ik ging naar Nijmegen om een badhuis te zien. Ik zag geen badhuis. Maar het was een geslaagd weekend. Deze week enkele blogjes, waar u ook het blogje over de Nijmeegse classicus Vincent Hunink bij mag rekenen. Maar eerst even iets over de geschiedenis van Romeins Nijmegen.
Oppidum Batavorum
In 19 v.Chr. werd in het oosten van de huidige stad een militaire basis ingericht (Hunerberg), die echter niet lang in gebruik is gebleven. Even oostelijker lag op het Kops Plateau een kleiner kamp, dat tientallen jaren functioneerde. De meest duurzame stichting lag echter in het huidige stadscentrum, waar een civiele nederzetting verrees, bewoond door migranten uit het Overrijnse die de geschiedenis in zijn gegaan als Bataven. Die naam betekent “bewoners van de Betuwe”, wat weer is afgeleid van *bat-agwiō, “vruchtbaar eiland” (tussen Waal en Rijn). De burgerlijke nederzetting heette Batavodurum of ook wel Oppidum Batavorum, wat allebei “Batavenburcht” betekent.
Een deel van de voorwerpen uit Springendal (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Vandaag zijn Holland en Vlaanderen elk weer één gewest. Nederlandssprekende provincies.]
Springendal
Eerder vanavond schreef ik dat de archeoblabla niet moe wordt n’importe welke vondst aan te duiden als schat, terwijl er maar een paar vondsten zijn die werkelijk zo zijn te typeren. Een heel kras voorbeeld is het edelmetaal uit Springendal, in Twente, in het oosten van Nederland: een stuk of honderd gouden munten en nog wat andere edelmetaal. Verschillende mensen hebben daar in de late zesde eeuw en in de zevende eeuw munten achtergelaten op een met palen gemarkeerd kruispunt van wegen. Tot de oudste stukjes edelmetaal behoort het beslag van een riem, mogelijk nog uit de vijfde eeuw.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.