MoM | Hoe kennen we Herodotos?

Modern beeld van Herodotos (Bodrum)

Een kleine twee jaar geleden publiceerde ik een stukje, eigenlijk meer een bedelbrief, waarin ik u vertelde dat we filmpjes waren begonnen te maken om u uit te leggen hoe oudheidkundigen komen tot hun conclusies. Hoe weten wetenschappers nou wat ze weten? Wat maakt oudheidkunde tot een wetenschap?

Ik denk (en niet als enige) dat het belangrijk is dat we dit soort dingen uitleggen. Niemand schiet er immers iets mee op als deze of gene u vertelt wat er in de Oudheid is gebeurd of hoe men dacht of handelde. Dat zoekt u immers wel op het internet op. Een wetenschap die haar naam waard is, legt zich professioneel uit en toont het wetenschappelijk proces.

Sindsdien hebben we – mede dankzij uw bijdragen – kunnen filmen in Amsterdam, in Museumpark Oriëntalis en het Valkhofmuseum in Nijmegen, in het Huis van Hilde in Castricum, nog een keer in Museumpark Oriëntalis bij Nijmegen, in het Thermenmuseum in Heerlen, in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en bij Second Sun in Eindhoven. Daarna begon de montage en nu, na bijna twee jaar na het begin, is het eerste filmpje daar: classicus Hein van Dolen legt uit hoe het mogelijk is dat we na vijfentwintig eeuwen nog altijd de Historiën van Herodotos kunnen lezen. Antieke literaire teksten zijn immers overgeleverd in middeleeuwse handschriften vol kopiistenfouten, maar toch kunnen classici de oudere voorbeelden reconstrueren. Hoe, ziet u hieronder.

Lees verder “MoM | Hoe kennen we Herodotos?”

MoM | Conjecturen en kritische apparaten

Een paar weken geleden blogde ik op deze plaats over de Lachmannmethode, waarmee filologen vaststellen hoe antieke teksten, die we vooral kennen uit middeleeuwse handschriften, precies moeten zijn geweest. De truc is kopiistenfouten te gebruiken om een stamboom van handschriften te maken. Daar blijft het werk van filologen echter niet toe beperkt, zoals blijkt uit een voorbeeld dat ik ontleen aan de Anabasis, de biografie die de Grieks-Romeinse auteur Arrianus wijdde aan Alexander de Grote.

Hij meldt dat bij de stad Babylon een kanaal lag en dat heet in de handschriften nu eens Pollakopas en dan weer Pollakottas. Wie met de Lachmannmethode een archetype reconstrueert, komt er niet echt uit. Er zijn niet voldoende handschriften om één variant de voorkeur te geven en het woord is niet Grieks, dus dat helpt ook al niet. De filoloog zal op dit punt een keuze moeten maken. Gelukkig is dat niet moeilijk, want het kanaal is bekend uit kleitabletten en heet daarin Pallukkatu. We mogen aannemen dat Arrianus een correcte vorm heeft gebruikt en dat er twee groepen handschriften zijn ontstaan doordat een kopiist het ongebruikelijke woord verkeerd las. Het verschil tussen π en ττ is immers niet zo heel erg groot. De tekstcriticus zal daarom “Pollakottas” beschouwen als authentiek.

Lees verder “MoM | Conjecturen en kritische apparaten”

De Lachmannmethode

We hebben weinig teksten uit de Oudheid over. Wat we wél hebben, zijn kopieën uit de Middeleeuwen, die echter vol schrijffouten zitten. Ik blogde vorige maand over zo’n manuscript. Lange tijd hebben oudheidkundigen gedacht dat hoe ouder de handschriften waren, hoe kleiner de kans was op vergissingen. Daar is wel iets voor te zeggen, maar in de Renaissance realiseerde de Italiaanse geleerde Angelo Poliziano zich dat dit niet het laatste woord behoeft te zijn.

Stel je voor dat een Romeinse schrijver twee klerken heeft, een nauwkeurige en een slordige, en dat die elk een kopie maken van een tekst. Latere generaties lazen die teksten, ze sleten, en er kwamen kopiisten die ze opnieuw overschreven, waarna de oude kopieën werden weggegooid. In de vijfde eeuw n.Chr., toen er een einde kwam aan de antieke overschrijfactiviteit, waren er zo twee families van manuscripten, een die was afgeleid van de slordige kopie en een die afstamde van de nette. In de Vroege Middeleeuwen gingen de meeste manuscripten verloren, maar in de tijd van Karel de Grote kwamen er weer kopiisten, die toevallig een net exemplaar vonden en kopieerden, waarmee de tekst weer onder de mensen kwam en kopiisten kreeg, tot tijdens de Renaissance de eerste wetenschappelijke uitgave werd gemaakt. Wanneer nu een classicus anno vandaag een vierde-eeuws exemplaar zou vinden uit de slordige manuscriptenfamilie, zou hij daaraan, volgens het principe “ouder is beter”, de voorkeur moeten geven, hoewel het in feite gaat om een tekst vol slordigheden.

Lees verder “De Lachmannmethode”

Weggepoetste informatie (2)

hulspas_mohammed_en_het_ontstaan_van_de_islam
(klik=groot)

[In het op 1 juli te verschijnen boek van wetenschapsjournalist Marcel Hulspas, Mohammed en het ontstaan van de islam, noemt hij een oud Koranmanuscript dat op een ongebruikelijke wijze was gedateerd. Mijn goede vriend Richard Kroes ontdekte dat dat geen toeval was: de vreemde presentatie moet de lezer weg houden van vreemde ideeën. Hij schetste gisteren hoe de Koran is overgeleverd in verschillende reciteerwijzen, de twintig qira’at.]

Die qira’at wijzen op een zekere geschiedenis. Die twintig zijn namelijk alleen de canonieke, erkende reciteerwijzen. Er zijn er meer bekend en in de islamitische literatuur zijn daarnaast vele citaten te vinden van passages die afwijken van de erkende teksten. Vaak zijn dat citaten uit korans die in het bezit zouden zijn geweest van directe volgelingen van Mohammed. Die exemplaren zouden uiteindelijk verloren zijn gegaan tijdens één van de meest ingrijpende hervormingen waar de islamitische traditie herinneringen aan bewaart: het vaststellen van een standaardtekst van de Koran onder de derde kalief Uthman (r. 644-656) ten koste van alle andere teksten, die moesten worden verbrand.

Lees verder “Weggepoetste informatie (2)”