Hesiodos en het Lied van Kumarbi

Zeus (Nationaal museum, Athene)

Op naam van de archaïsche Griekse dichter Hesiodos, die u zo rond 700 v.Chr. moet plaatsen, zijn twee grote leerdichten overgeleverd: om te beginnen Werken en dagen, een schitterend gedicht over het dagelijkse management van een boerderij (en ja, dat onderwerp sluit allerminst uit dat iemand er mooi over schrijft), en daarnaast de Theogonie (“geboorte der goden”), een overzicht van alle goden en hun onderlinge conflicten, in het Nederlands vertaald door Ronald Blankenborg.

De Theogonie

We horen over hoe uit de oorspronkelijke chaos twee goden zijn voortgekomen, namelijk Ouranos en Gaia ofwel Vader Hemel en Moeder Aarde. Dit kosmische paar krijgt verschillende kinderen, waaronder de graangod Kronos, die jaloers is op de macht van zijn vader. Gaia heeft zo haar eigen redenen om een afkeer te hebben van Ouranos, en zij zet haar kinderen op tegen hun vader. Kronos neemt het voortouw bij de aanslag en overmeestert Ouranos, die hij met zijn graansikkel castreert.

Lees verder “Hesiodos en het Lied van Kumarbi”

Het Uruk-fenomeen

Vrouwenportret uit Uruk (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)

Eén reden waarom de opgraving van Uruk interessant is, is wetenschapshistorisch. Zoals ik al eens heb beschreven, deden archeologen in de jaren twintig van de vorige eeuw op drie plaatsen in Zuid-Irak onderzoek. In Tell al-‘Ubaid en in de onderste lagen van het daarnaast gelegen Ur vond de Britse onderzoeker Leonard Woolley ietwat groenige, beschilderde scherven, gemaakt zonder draaischijf. Ruim 250 kilometer verderop groef het Amerikaans-Britse team van Stephen Langdon in Jemdet Nasr bruinig, geometrisch gedecoreerd aardewerk op, gemaakt op een draaitafel. En dan was er de Duitser Arnold Nöldeke, die in Uruk opvallend primitief, draaitafelgemaakt aardewerk had gevonden. Je zou verwachten dat dit primitieve aardewerk het oudst was, maar het was op een draaitafel gemaakt. Dat zou betekenen dat ze in ‘Ubaid iets waren verleerd dat ze in Jemdet Nasr hadden onthouden. Dat was vreemd.

Om het op te lossen, liet Nöldeke in Uruk een diepe put graven om alle bewoningslagen te analyseren. Het bleek dat hij op de diepste strata ‘Ubaid-aardewerk vond, dat wij nu in het vijfde millennium v.Chr. dateren, dat daarop het Uruk-aardewerk volgde, dat wij in het vierde millennium plaatsen, en dat in de hoogste bewoningslagen Jemdet Nasr-aardewerk was gebruikt, dat wij dateren rond 3000 v.Chr. Dit resultaat overtuigde iedereen toen de archeologen in 1929 in Leiden een symposium belegden om de kwestie te bespreken. Voor het eerst beschikten archeologen over een betrouwbare chronologie van de laatste fase van de Prehistorie. Eindelijk had men vat op de tijd waarin de eerste steden zijn ontstaan.

Lees verder “Het Uruk-fenomeen”

Uruk, een oeroude stad

Uruk, met de ziggurat van Inanna

Uruk, dat in de Bijbel Erech en tegenwoordig Warka heet, was al in het vierde millennium een belangrijke stad in Zuid-Irak. Het was hier dat Arnold Nöldeke de aardewerkchronologie vaststelde waarover ik vorige week al blogde. Wat u zich rond 3200 v.Chr. bij zo’n grote stad moet voorstellen: iets met een oppervlakte van 250 hectare. Ter vergelijking: dat is een fractie meer dan het gebied dat in Rome was omsloten door de Serviaanse Muur (246 hectare) en fors meer dan de Amsterdamse Grachtengordel (198 hectare).

Uruk was al bewoond in de ‘Ubaid-periode (strata XVIII-XIII). Toen was het nog een groot dorp aan de Eufraat. De verstedelijking kwam in het vierde millennium op gang in de naar deze opgraving vernoemde Uruk-tijd (strata XI-VI). In de daarop volgende Jemdet Nasr-periode (strata V-III) was het al wel een echte stad, een van de eerste ter wereld. (Een mooi reliëf van een leeuwenjacht en de beroemde Warka-vaas, waarover ik binnenkort blog, stammen uit deze tijd.) De Eanna, de tempel van de liefdesgodin Inanna, was in de Vroegdynastieke tijd (Uruk II-I) een van de voornaamste religieuze centra van Mesopotamië. Het is de oudst-bekende vindplaats van wat bekendstaat als cone mosaic, een soort mozaïek van gekleurde kegeltjes.

Lees verder “Uruk, een oeroude stad”

Ziggurat

Ur, ziggurat

Het handboek waarover ik elke week een keer blog, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, bevat een tekening van de ziggurat ofwel tempeltoren waarvan u hierboven een foto ziet. Ziggurats zijn het Mesopotamische equivalent van de Egyptische piramiden: grote kunstmatige vierkante bergen van steen. Ze zijn ook ruwweg even oud: ergens in het vroege derde millennium werd begonnen met de constructie van deze monumenten. Anders dan een piramide, die een vorstengraf is, is een ziggurat een tempel; en terwijl de bouw van de piramiden al na twee eeuwen over zijn hoogtepunt was (letterlijk) en rond 1640 v.Chr. helemaal ophield, gingen de Sumeriërs, Elamieten, Akkadiërs, Babyloniërs, Assyriërs de volken op de Iraanse hoogvlakte door met de bouw van tempeltorens tot in de Seleukidische tijd. De foto hierboven toont een hellenistisch monument.

Het woord ziggurat is afgeleid van ziqqurratu, Akkadisch voor “oprijzend gebouw”. Sommige van deze monumenten rezen inderdaad hoog. De tempeltoren die bekend staat als Etemenanki (“Huis van het fundament van de hemel op aarde”) in Babylon was 92 meter hoog. Nog groter was het heiligdom van de god Anu te Uruk, gebouwd in de derde of tweede eeuw v. Chr. De best bewaarde tempeltoren staat in Choga Zanbil in Elam, het huidige Khuzestan in Iran.

Lees verder “Ziggurat”