Alexander de Grote in Tyrus (2)

De pilaren in de kruisvaarderskerk van Tyrus zijn vermoedelijk afkomstig uit de tempel van Melqart

[Dit is het laatste van twee blogjes over Alexanders belegering van Tyrus. Het eerste was hier.]

Alexanders ingenieurs bouwden ondertussen enorme belegeringsmachines. Drijvende platforms voor katapulten, blijden en boogschutters waren de eenvoudigste wapens. Hiermee kon de stad dag en nacht worden bestookt. Daarnaast plaatsten de Macedoniërs torens op gigantische catamarans; ook hiervandaan konden blijden en katapulten de stad onder vuur nemen. De Tyriërs moeten mentaal zijn gesloopt doordat ze voortdurend op hun hoede moesten zijn voor inslaande projectielen; ze kregen geen moment rust.

Het gevaarlijkste wapen was een boomstamgrote stormram, die was opgehangen onder een driehoekig dak, dat rustte op twee schepen. Vanaf een derde schip, dat erachter lag, konden matrozen de boom heen en weer trekken. Het was de bedoeling hiermee een bres te beuken in de zuidelijke zeemuur, maar daarvoor moesten de drie schepen wel verankerd liggen. Tyrische duikers slaagden erin om de touwen los te snijden, waarop de Macedoniërs nieuwe ankers neerlieten, dit keer hangend aan metalen kettingen. Dag en nacht kon de stormram nu inslaan op een deel van de muur, en uiteindelijk groeide een voldoende brede bres.

Lees verder “Alexander de Grote in Tyrus (2)”

Alexander de Grote in Tyrus (1)

Een Fenicische priester uit Tyrus (Louvre, Parijs)

Zoals de regelmatige lezers van deze blog inmiddels hebben gemerkt, ben ik begonnen aan een reeks over de oorlog van Alexander de Grote tegen het Perzische Rijk. In eerdere afleveringen vertelde ik over de wijze waarop hij aan de macht kwam en zijn wederwaardigheden in het huidige Turkije. Over de slag bij Issos, waarin de Macedoniërs de Perzische troepen van Darius III Codomannus versloegen, had ik lang geleden al eens geblogd. Dat gevecht, in de eerste dagen van november 333 v.Chr., eindigde in een afschuwelijke slachting omdat de Perzen niet weg konden komen.

Na afloop begon Alexander een relatie met een Perzische maîtresse, Barsine. Over haar heb ik eerder geschreven; ze moet een soort Doña Marina zijn geweest, die de Macedoniërs hielp bij het begrijpen van de oosterse cultuur. Maar niet voldoende, zoals we constateren bij het vervolg: hoe Alexander Fenicië veroverde.

Lees verder “Alexander de Grote in Tyrus (1)”

Herakles (2)

De Kretenzische Stier (Archeologisch Museum, Antalya)

In mijn vorige blogje introduceerde ik de eerste zes werken die Herakles moest verrichten voor koning Eurystheus van Tiryns. De halfgod had de Peloponnesos ontdaan van monsters en zou voor zijn volgende zes werken reizen maken buiten de Peloponnesos.

De Kretenzische stier

Herakles’ zevende werk was het vangen van de Kretenzische stier. De bronnen zijn het oneens over de aard van dit beest: was het de vader van de Minotaurus of was dit het dier dat Europa vervoerde van Fenicië naar Kreta? Om het nog wat complexer te maken, wordt hetzelfde verhaal verteld over de Atheense held Theseus. In elk geval: men vertelde dat Herakles het ondier bedwong in de buurt van Marathon.

Lees verder “Herakles (2)”

Melqart in meervoud

Viermaal Melqart (Cádiz Museum)

Wie mijn blog een beetje volgt, heeft inmiddels mijn fascinatie met Cádiz herkend: het eiland aan de rand van de wereld, waar de Feniciërs een tempel bouwden voor Melqart. Dat is meer een titel dan een godheid, want het betekent niets meer dan “stadskoning”.

Zoals in het moederland gebruikelijk, stonden er twee zuilen voor die tempel, de “zuilen van Melqart” dus. Hier eindigde de Mediterrane wereld, hier begon iets anders. De Grieken, die Melqart gelijkstelden aan hun Herakles, verplaatsten de naam naar de Straat van Gibraltar: de twee bergtoppen aan weerszijden zouden door Herakles óf van elkaar zijn gescheiden om er water binnen te laten, óf naar elkaar toe zijn getrokken om zeemonsters weg te houden uit de Mediterrane wateren. Het hielp niet, maar in elk geval: de Zuilen van Herakles markeerden opnieuw een eindpunt.

Lees verder “Melqart in meervoud”

Fenicisch Cádiz

Fenicische sieraden uit Cádiz (Cädiz Museum)

Ik blogde al over mijn bezoek aan de Spaanse havenstad Cádiz en vertelde dat daar Fenicische huizen waren opgegraven. Die lagen onder een Romeinse vissaus-werkplaats die op zijn beurt weer ligt onder een modern marionettentheater. (Daarom noemt het even verderop gelegen Cádiz Museum de vindplaats Teatro Comico.) De vissen en de marionetten laat ik wat ze zijn, het gaat me om die Fenicische huizen.

Niet zomaar een stad

Cádiz is namelijk niet zomaar een stad en die huizen zijn niet zomaar huizen. Simpel gezegd: Cádiz (ofwel Gadeira ofwel Gadir, “kasteel”) was het meest westelijke punt waar de Feniciërs kwamen. Hier knoopte hun eigen handelsnetwerk aan op het Atlantische netwerk. Dat strekte zich naar het zuiden uit tot de goudaders van de Bambouk en naar het noorden naar de tinmijnen van Armorica en misschien Cornwall. Een derde handelsnetwerk was het Andalusische, dat men ook wel aanduidt als Tartessos: een naam voor de Zuid-Iberische Brons- en IJzertijdcultuur. Cádiz was niet zomaar een stad maar een knooppunt.

Lees verder “Fenicisch Cádiz”

Een dienstreis naar Cádiz

Punische terracotta (Museum van Cádiz)

Er was eens een man in Karthago die, naar eigen zeggen, stapelgek was. Insanus. Deze Heliodorus liet zijn geestelijke situatie merken door in zijn testament te bepalen dat zijn sarcofaag geplaatst moest worden in Cádiz, opdat hij zou zien wie helemaal naar de rand van de aarde zouden reizen om zijn graf te zien. Die mensen zouden nog gekker zijn dan hij.

Die gek, dat ben ik. Eind jaren tachtig hoorde ik over dit grafschrift en dus moest ik het zien. Toen ik destijds door Andalusië reisde, nam ik vanuit Sevilla de trein naar Cádiz. Helaas stapte ik verderop over op de verkeerde trein, zodat ik het grafschrift destijds niet heb gezien. Zo’n drieëndertig jaar later, afgelopen zaterdag, had ik de herkansing. Mijn vriendin had in Nederland al een treinkaartje besteld van Córdoba naar Cádiz, want voor mij zijn online financiële transacties te ingewikkeld en de hogesnelheidslijn veronderstelt reservering.

Lees verder “Een dienstreis naar Cádiz”

De Griekse kolonisatie

Een strijdwagen met twee paarden: een typisch aristocratisch attribuut (Archeologisch Museum van Syracuse)

Een van de kenmerken van de Archaïsche Periode is de Griekse kolonisatie. Dat is eigenlijk een draak van term. Ik noemde al een scenario waaruit dit blijkt. Stel, een kleine groep Griekse kooplieden vestigt zich aan een vreemde kust; mensen uit de omgeving komen bij hen wonen; zij nemen de Griekse levenswijze over; en zo ontstaat een Grieks-ogende nederzetting – is zoiets dan een kolonie? Of moeten we daarvoor de term “zelfvergrieksing” verzinnen? En verder: een kolonie is doorgaans afhankelijk van het moederland, maar dat was met de Griekse apoikia niet het geval. Het waren (zoals Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek correct constateert) zelfstandige poleis, die alleen in tijden van crisis in het moederland vroegen om een generaal, een nieuwe wetgever of een scheidsrechter.

Los daarvan is het woord “kolonie” ook bekend uit de Europese geschiedenis. Dan heeft het te maken met handel en exploitatie. Nu speelden die ook in de Griekse kolonisatiefase een rol, maar door te spreken van “de Griekse kolonisatie” duw je de interpretatie van het antieke verschijnsel wel in een bepaalde, niet per se correcte richting. De Europese kolonies waren bijvoorbeeld projecten van een overheid (of iets dat er tegenaan schurkte, zoals de VOC of koning Leopold). Dat is van de apoikia moeilijk vol te houden.

Lees verder “De Griekse kolonisatie”

De tempel van Melqart in Cádiz

De nu ontdekte ruïne van de tempel van Melqart bij Cádiz middenin de foto (© Universiteit van Sevilla)

Als een krant kopt dat wetenschappers de “heilige graal” van een vakgebied hebben gevonden, weten we dat de journalist de stof oninteressant vond. Anders zou ’ie geen cliché hebben hoeven gebruiken. Als lezer laat je het ongelezen. Desondanks is dit artikel in El País is wel de moeite waard.

Onderzoekers van de Universiteit van Sevilla en het Andalusisch Instituut voor Historisch Erfgoed hebben namelijk een FenicischKarthaags-Romeins gebouw gevonden dat weleens de tempel kan zijn geweest van Melqart. Dit was een van de beroemdste gebouwen uit de oude wereld. Hannibal heeft er geofferd. Het is waar Julius Caesar in huilen uitbarstte toen hij het beeld zag van Alexander de Grote. De Romeinse magistraat had nog niets voor de eeuwigheid gedaan op de leeftijd waarop Alexander de wereld al had veroverd. Als de anekdote waar is, verraadt ze veel over Caesars ambitie.

Lees verder “De tempel van Melqart in Cádiz”

Het portret van Hannibal

Dit is niet Hannibal

Er is geen boek over de Karthaagse veldheer Hannibal, nee, er is geen boek over Karthago, of bovenstaande kop staat erin. De buste is gevonden in Capua (even ten noorden van Napels) en dateert uit de tweede of misschien derde eeuw na Christus. Door de sterke contrasten van de foto is het wat je noemt een markante kop. Daarmee is de foto beter dan het origineel, dat eigenlijk nogal vlak is.

Probleem: het kan onmogelijk een portret zijn van Hannibal, zelfs geen Romeinse kopie van zijn portret. De Karthager had namelijk aan het begin van zijn campagne in Italië een oog verloren en bovenstaande heer heeft er echt twee, compleet met pupil. Afgaand op de helm zou ik eerder denken aan een praetoriaanse gardist, maar dat is ook maar een losse gedachte.

Lees verder “Het portret van Hannibal”

Stervende goden

Melqart (Deens Nationaal Museum, Kopenhagen)

In de negentiende eeuw was het simpel. Antieke religie had iets te maken met de natuur en met vruchtbaarheid. Het idee was dat godsdienst zou zijn ontstaan om te verklaren wat men niet wist. Wisselden de seizoenen? Er was ergens een godheid aan de gang. Blikseminslag, watersnood, aardbeving? Er was ergens een godheid aan de gang. Misoogst? Er was ergens een godheid aan de gang. Zwangerschap en geboorte? Zorg maar dat er een godheid voor je aan de gang ging om het nieuwe leven te beschermen.

Althans, zo zagen de negentiende-eeuwse wetenschappers het. Hun aanname was dat de mensen in de Oudheid net zo nieuwsgierig waren als zijzelf, en dat staat vanzelfsprekend nog maar te bezien. Een andere aanname was dat mensen in de Oudheid net zo geobsedeerd waren door seksualiteit als de victorianen en ook dat is slechts een aanname.

Lees verder “Stervende goden”