Collatio Legum (2): Wat en Wie?

Modern standbeeld voor Ulpianus (Tyrus)

In het vorige stukje hebben we gezien hoe eerdere wetenschappers de puzzel van de Collatio hebben gelegd. Toch hebben we geconcludeerd dat we weinig zeker weten over wie het geschreven heeft, waar, wanneer, of waarom. In dit artikel wil ik graag de tekst zelf bekijken, met de nadruk op de inhoud van de tekst en de identiteit van de auteur. We houden ons nu dus vooral bezig met het “wat” en het “wie”. In het volgende stukje kunnen we ons dan focussen op de plaats, het doel en de tijd waarin hij schreef. Zeg maar het “waar”, “waarom” en “wanneer”.

Wat?

We hebben al gezien dat de Collatio een juridisch vergelijkend document is dat Romeinse wetten naast Mozes’ wetten plaatst, met als doel gelijkenissen aan te tonen. Het is dus geen wetboek met geboden en verboden, maar eerder een verzameling teksten die overeenkomsten tussen Bijbels en Romeins Recht wil aantonen.

Lees verder “Collatio Legum (2): Wat en Wie?”

Collatio Legum (1): De puzzelstukjes

Mozes met Wet (Gevelsteen, Mozeskerk, Amsterdam)

“Ik heb hier iets liggen… misschien is dit wel wat voor jou”. Hij stond op, liep naar een kast, en pakte er een stapeltje papieren uit. Ik bekeek ze goed. Op dat moment wist ik het nog niet, maar mijn scriptiebegeleider had me zojuist kennis laten maken met een van de best bewaarde geheimen van de rechtsgeschiedenis: de Collatio Legum Mosaicarum et Romanarum.

Ondanks een succesvolle scriptie, zijn die geheimen overigens nog niet opgehelderd. Zoals Jona ons op dit blog regelmatig herinnert: oudheidkunde is de wetenschap van dataschaarste. Onderzoek doen is dan een puzzel leggen met een beperkt aantal stukjes en zonder voorbeeld. Daar horen allerlei vragen bij: Hoe leg je een puzzel als je niet alle stukjes hebt? Kan ik de losse stukjes begrijpen zonder context? Hoe ga je om met stukjes die beschadigd of onvolledig zijn? Welke stukjes horen eigenlijk bij deze puzzel? En hoe verhoudt mijn oplossing van de puzzel zich tot eerdere pogingen van andere onderzoekers?

Lees verder “Collatio Legum (1): De puzzelstukjes”

De Vandalen in Andalusië

Munt van Vespasianus, voorzien van het getal 83; het gaat om oude munt die in Vandaals Andalusië is omgerekend naar een laatantieke muntstelsel (Bode-Museum, Berlijn)

Al een paar keer heb ik geschreven dat de Vandalen, komend vanuit Centraal-Europa, zich begin vijfde eeuw vestigden in Andalusië en in 429 na Chr. daarvandaan overstaken naar de Maghreb. Daar namen ze in 431 de havenstad Hippo Regius in om acht jaar later ook Karthago te veroveren en een eigen koninkrijk te stichten. Over het Vandaalse verblijf in Andalusië heb ik nooit echt geschreven, maar er zijn interessante dingen over te vertellen.

Eén vraag is bijvoorbeeld hoeveel mensen er nou eigenlijk naar Andalusië kwamen. Niet heel veel in elk geval. De Spaanse oudhistoricus Javier Arce houdt het op zo’n 50.000 mannen, vrouwen, kinderen, lijfeigenen, slaven en andere onvrije arbeiders. Op het Iberische Schiereiland woonden op dat moment zo’n zes miljoen mensen, dus het is niet vreemd dat de Vandaalse aanwezigheid geen sporen heeft achtergelaten.

Lees verder “De Vandalen in Andalusië”

Augustinus over astrologie

Deel van een diptiek van twee astrologische tabletten (Archeologisch museum, Grand)

Van weinig antieke auteurs – misschien wel geen enkele – is het oeuvre zo goed bewaard als dat van de kerkvader Augustinus. Gek genoeg is hij moeilijk te peilen: nu eens denk je dat het een strenge man is geweest die hoge eisen stelde aan de mensheid, dan weer proef je oprechte vriendschap en vergevingsgezindheid. Maar misschien is die tegenstelling wel gewoon menselijk. In elk geval is hij heel intellectueel: hij stelt goede vragen en neemt geen genoegen met gemakkelijke antwoorden. Ook niet met moeilijke antwoorden trouwens. Hij lijkt zijn leven lang zoekend te zijn geweest.

Vandaag citeer ik eens een stukje uit De stad van God, zijn belangrijkste werk. En omdat het een echt klassieke tekst is, heeft menigeen ervan gehoord en heeft niemand het gelezen. Gelukkig is er een tijdje geleden een toegankelijke Nederlandse vertaling verschenen, gemaakt door Chris Dijkhuis. Het sterke ervan is dat deze veel toelichting bevat. Ik ben al een tijdje bezig met het lezen, en dat het niet opschiet, komt doordat er steeds andere boeken tussendoor komen.

Lees verder “Augustinus over astrologie”

Alarik

Re-enactors van een laat-antiek Romeins leger (©re-enactmentgroep Fectio)

Twitter was leuk, tot schreeuwlelijkerds er de toon gingen zetten en Elon Musk er de macht overnam. Evengoed stonden er best leuke dingen, zoals de draadjes die de Gentse oudhistoricus Jeroen Wijnendaele postte over de Late Oudheid. Hier is er een over Alarik, vertaald in het Nederland. Het Engelse origineel is hier.

***

Rome geplunderd

1. Vandaag 1615 jaar geleden, op 24 augustus 410 dus, werd Rome geplunderd door een groep die nu bekend staat als de Visigoten – een naam die zij zelf niet kenden. De gebeurtenis is wijd en zijd bekend, maar vermoedelijk is bijna alles wat u denkt te weten onjuist.

Lees verder “Alarik”

De snelle arabisering van de Maghreb

Maghrebijnse munt, vroege achtste eeuw (Raqqada, Kairouan)

[Laatste van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Er is een wonderlijk verschil tussen landen als Syrië en Egypte enerzijds en de Maghreb anderzijds: in de oostelijke landen bleef, toen de Arabieren kwamen, de laat-Romeinse bevolking nog lange tijd herkenbaar, terwijl ze in de Maghreb snel verdween. Anders geformuleerd: in de Levant (en ook op het Iberische Schiereiland, trouwens) waren nog eeuwenlang niet-Arabisch sprekende, joodse of christelijke groepen aanwezig, maar in de Maghreb was dat fors minder. Waarom?

Steden en nomaden

Het kan samenhangen met de inbedding van de steden in het grotere economische systeem. In het oosten waren de steden oeroud en was de hele sociaal-economische wereld gebaseerd op steden. In Tunesië, Algerije en Marokko waren de Fenicische en Numidische steden weliswaar ontstaan vóór de Romeinen, maar pas groot gemaakt toen de Romeinen begonnen met de systematische kolonisatie van de Hautes Plaines. Ze waren veel minder dominant en met de demografische neergang van de Late Oudheid verschoof het economisch zwaartepunt naar de nomadische Berbers.

Lees verder “De snelle arabisering van de Maghreb”

Circumcelliones

Timgad, Donatistisch complex

Als we de kerkvader Augustinus mogen geloven, is de naam circumcelliones afgeleid van het feit dat deze lieden circum cellas pleegden te zwerven, “rondom de heiligdommen”. Dat is niet onmogelijk, maar “heiligdom” is niet de eerste betekenis van cella. Misschien bezondigt de hoogwaardige bisschop zich aan een volksetymologie, ik geef straks een andere verklaring. In elk geval gaat het om opstandelingen op het Numidische platteland die iets te maken kregen met de donatistische kerk.

Wat was dat ook alweer? Het zat zo. Nadat keizer Licinius (r.308-324) zijn medekeizer Constantijn (r.306-337) ervan had overtuigd dat de christenen financieel moesten worden gecompenseerd voor de jarenlange vervolging, kwam de vraag op of de bisschop van Karthago wel correct was gewijd. Eén van de deelnemende geestelijken had zich namelijk nogal meegaand betoond tijdens de vervolging. De officiële, door de keizers erkende kerk zou zich op het standpunt stellen dat priesters ook maar mensen waren, maar dat zo’n kerkelijke wijding toch vooral Gods eigen werk was. Gods zegen rustte dus wel op een bisschop die door niet-helemaal-volmaakte mensen was gewijd. De donatisten waren het daarmee oneens. Ze verwachtten totale zuiverheid van elke geestelijke. Lange tijd is er in de Maghreb naast de keizerlijke kerk een donatistische parallelkerk geweest, en de enorme omvang van het donatistische complex in Timgad bewijst dat die parallelkerk beschikte over aanzienlijke middelen.

Lees verder “Circumcelliones”

Saturnus Africanus (2)

Wijding aan Saturnus Africanus (Nationaal archeologisch museum, Algiers)

[Dit is het tweede van twee blogjes over Saturnus Africanus. Het eerste was hier.]

Het onderzoek naar de inscripties is al begonnen in de negentiende eeuw en de grote Algerije-kenner Stéphane Gsell vatte het allemaal samen. Daaraan voegde Marcel Le Glay in 1966 de resultaten van driekwart eeuw archeologisch onderzoek toe; u vindt de monografie hier. Daarna zijn er deelpublicaties geweest, maar ik ken geen andere synthese dan die van Le Glay. Die behandelt gelukkig wel een veelvoud aan aspecten, zoals de eigenlijke eredienst.

Verering

Er was, zo begrijp ik, onderscheid tussen de priesters (sacerdotes) en de ingewijde gelovigen (sacrati), die bij wijze van initiatie onder een juk moesten doorgaan. Een ander ritueel was het samen drinken van een honing-melk-drank. Ouders konden, zoals met de christelijke kinderdoop, baby’s al opdragen aan de bescherming van de god. De Saturnus-eredienst stond dus niet voor iedereen open; je moest een keuze maken voor toetreding, waarna er eisen aan je werden gesteld. Die doen zo oosters aan als je verwacht bij een godheid die minimaal ten dele uit Fenicië komt: je moest je schoenen uitdoen als je een heiligdom betrad en je mocht geen varkensvlees eten. En je moest je zoveel mogelijk onthouden van de verering van andere goden. Saturnus was niet zomaar een god, hij was simpelweg de heer, ba’al ofwel dominus.

Lees verder “Saturnus Africanus (2)”

Saturnus Africanus (1)

Saturnus Africanus (Musée du Bardo, Tunis)

Je hoeft geen Latijn te kennen om te begrijpen dat “Saturnus Africanus” de godheid Saturnus is zoals die werd vereerd met Afrikaanse rituelen. Wie Tunesië, Algerije of Marokko bezoekt, kan niet om deze Romeinse godheid heen, al was het maar omdat hij staat vermeld in bijna 2500 gepubliceerde Latijnse inscripties, gevonden van Karthago in het oosten tot Volubilis in het westen. Vaak staat hij op die inscripties ook afgebeeld; er zijn verder honderden afbeeldingen zonder tekst. Ook zijn 200 cultusplaatsen bekend. Het bovenstaande reliëf was tien jaar geleden een van de pronkstukken op de Karthago-expositie in het Rijksmuseum van Oudheden; als u het daar niet zag, zult ervoor Tunis moeten, naar het Bardo-museum.

Van boven naar beneden herkent u de god, gezeten op een troon, met een scepter en een snoeimes in de hand, met vóór hem het hoofd van óf zijn echtgenote Venus Caelestis óf de zon. Onder hem ziet u degene die deze stèle heeft opgericht. Hij staat op het punt een lam te offeren. De vlammen laaien al op van het altaar. Er zijn honderden van dit soort afbeeldingen. De baardige godheid draagt vaak een kleed over het hoofd en gaat niet zelden vergezeld van de goddelijke Tweelingen of de Zon en Maan.

Lees verder “Saturnus Africanus (1)”

Het museum van Oudenburg

Het Romeinse fort Oudenburg rond 325 na Chr.

In de jaren zeventig van de tweede eeuw na Chr. plunderden Chauken (*Hauhae ofwel “hooghemers”, zeg maar de bewoners van de wierden in Groningen) het Vlaamse kustgebied. Daar woonden de zogeheten Menapiërs: een oeroude naam die de Romeinen bleven gebruiken voor de bewoners van een gemeente die ze bestuurden vanuit Doornik. We zouden niets van de Chaukische plundertocht hebben geweten als de Romeinse generaal die tegenmaatregelen trof, Didius Julianus, in 193 niet een paar weken keizer zou zijn geweest, waardoor we beschikken over zijn biografie. Er waren al wat forten langs de Noordzee, maar nu maakten de Romeinen echt werk van de kustverdediging. In deze context moeten we het fort plaatsen van Oudenburg.

Een fort uit de vierde eeuw

Het plaatje hierboven toont hoe het er uitzag in de vierde eeuw: een zes meter hoge muur die inmiddels was opgetrokken uit steen, een brede gracht en torens waarop de soldaten geschut konden plaatsen. Binnen de muren waren een badhuis, een lazaret, een stafgebouw, werkplaatsen, voorraadschuren, een huis voor de commandant en de gebouwen waar de soldaten overnachtten. Er leefden ook vrouwen in het fort, maar hun status is onduidelijk.

Lees verder “Het museum van Oudenburg”