De veldslag bij Issos

Albrecht Altdorfer, De slag bij Issos (1529)
Albrecht Altdorfer, De slag bij Issos (1529)

In 340 v.Chr. intervenieerde het Perzische Rijk in Europa. Drie legers staken de Hellespont en Bosporus over en ondersteunden de stad Perinthos, die werd belegerd door de Macedonische koning Filippos II. De gebeurtenis zal weinigen hebben verbaasd. De Perzen hadden niet lang daarvoor, toen de Atheners wat al te machtig dreigden te worden, namelijk al gedreigd tweehonderd oorlogsbodems naar het Egeïsche Zee-gebied te sturen, wat de Atheners schielijks had doen inbinden. Ook Filippos nam zijn verlies – de tweede nederlaag in een koningschap dat al twintig jaar duurde – maar stuurde vanaf dat moment aan op een vergeldingscampagne in Azië.

Daartoe lokte hij eerst een conflict uit met Athene en Thebe, die hij vernederde in de slag bij Chaironeia (338). Vervolgens dwong hij de Griekse stadstaten zijn bondgenoten te worden in een campagne naar het oosten. Onnodig te zeggen dat de soldaten die zo mee zouden gaan, in feite als gijzelaars instonden voor rust in hun moedersteden.

Lees verder “De veldslag bij Issos”

Herenhul

Herenhul

Even ten zuiden van Apeldoorn, achter Ugchelen, ligt het Herenhul: een niet al te grote open plek in het bos, op een oostelijke uitloper van de Veluwe (de “Hoge Bank”), vlakbij de Asselse Heide, waar in de Middeleeuwen klapperstenen werden gedolven om ijzer uit te winnen. Het was ook niet ver van de weg van Holland naar de IJsselvallei, die min of meer parallel loopt aan de huidige A1. De autosnelweg loopt rakelings langs het Herenhul en blokkeert vanuit Apeldoorn bezien de toegang; je rijdt er het makkelijkste heen vanuit Beekbergen en moet een stukje wandelen. Het is hier.

Omdat het niet heel bereikbaar is, was ik er nog nooit geweest en ik zou er ook nooit heen zijn gegaan als Sander Hurenkamp er niet over had geschreven in zijn Canon van Apeldoorn. Er is weinig te zien en de grote kei die er nu staat is er later geplaatst, maar dit was de plek waar de graaf van Gelre recht kwam spreken. Later was dat de taak van de hertog van Gelre, nog later van de vertegenwoordiger van de Habsburgse vorsten en tot slot van rechters van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het laatste vonnis schijnt te dateren uit 1620. De vonnissen werden hier ook voltrokken: de Hoge Bank was ook een galgenberg.

Lees verder “Herenhul”

Budé

Guillaume Budé

Kijk, daar werd ik nu blij van: ik werd benaderd door een aardige meneer uit Breukelen die van zijn vader een bibliotheek had geërfd vol boeken waar hij zelf niet meteen iets aan had. Had ik belangstelling in ruim veertig delen uit de Budé-reeks?

Reken maar.

De Franse humanist Guillaume Budé (1467-1540) was een van de grootste geleerden van zijn tijd. In de late twaalfde, vroege dertiende eeuw waren de Europese juristen ertoe overgegaan een selectie uit het Romeins Recht opnieuw in te voeren. Tegelijkertijd begonnen ze eerdere, feodale rechtsbepalingen opnieuw te formuleren met het romeinsrechtelijke begrippenapparaat. Ook latere bepalingen kregen die vorm. De koning van Frankrijk kon dus een volkomen nieuwe belasting bedenken maar deed dat in de taal van de keizer van Rome.

Lees verder “Budé”

Antiquarisme

Justus Lipsius’ uitgave van het boek van Martinus Smetius

Het is moeilijk voor te stellen hoe groot de mentale impact is geweest van de ontdekking van Amerika en de omzeiling van Afrika. In de eerste helft van de zestiende eeuw werden Europese geleerden geconfronteerd met tal van nieuwe zaken: planten als de aardappel en de tomaat, wonderlijke dieren als lama’s en buideldieren, nieuwe mineralen, specerijen, volken en landen. Sommige bizarre verhalen uit antieke bronnen bleken waar te kunnen zijn, en daardoor ontstonden nogal wat onduidelijkheden. Waar lag de grens tussen feit en fictie? Als Herodotos’ verhaal over de omzeiling van Afrika waar kon zijn, waarom zou zijn verhaal over goudbewakende griffioenen dan onwaar zijn? Elke geleerde trachtte orde te scheppen in de informatiewarboel en het daartoe meest voor de hand liggende middel was het verzamelen van observaties. De zestiende eeuw werd zo de tijd van rariteitenkabinetten en curiosacollecties. Alleen door al het nieuwe nauwkeurig te bestuderen kon een grens worden getrokken tussen feit en fictie, waarna de nieuwe gegevens konden worden gecombineerd met de bestaande.

Antiquarisme

Lange tijd was er geen scherpe grens geweest tussen antiquiteiten en rariteiten. Het waren niet uitsluitend boeren in afgelegen dorpen die meenden dat aardewerk, net als fossielen, spontaan groeide in de grond. Nog in de achttiende eeuw waren er verzamelaars die meenden dat de stenen pijlpunten en klingen die in de bodem werden gevonden, elfenwapens waren. De grenzen tussen Griekse en Romeinse oudheden, prehistorische artefacten, fossielen en andere bijzondere voorwerpen waren onduidelijk, zodat men in oudheidkundig bedoelde collecties ook biologische curiosa en meteoren kon aantreffen. Geleidelijk ontstonden er echter specialismen en begonnen verzamelaars zich toe te leggen op deelgebieden: de Grieks-Romeinse Oudheid bijvoorbeeld, waarbinnen men zich dan kon specialiseren op gemmen, inscripties, vazen, militaria, sculptuur of voorwerpen uit een regio als Etrurië of Romeins Egypte. Vrijwel elke Europese vorst bezat een muntencollectie.

Lees verder “Antiquarisme”

De historische canon

Stelt je voor dat astronomen een canon zouden opstellen van wat iedereen over hun vak moest weten. Zou dat een overzicht opleveren van sterrenbeelden? Nee natuurlijk. Ze zouden de telescoop, de periodieke terugkeer van kometen, radioastronomie en zwaartekrachtgolfdetectors noemen. Een wetenschap onderstreept haar belang immers niet met de objecten die ze onderzoekt, maar met de ontdekte patronen. En haar vooruitgang blijkt uit vernieuwende methoden, nieuwe soorten inzicht en nieuwe bijdragen aan andere disciplines.

Het is, dacht ik althans, logisch je niet te presenteren met de onderzoeksobjecten. Presenteer een wetenschap als wetenschap. De canon die de Commissie Van Oostrom voor de Nederlandse geschiedenis heeft opgesteld, beperkt zich echter wel tot de objecten en draagt zo bij aan het beeld dat geschiedvorsing geen echte wetenschap is. Het gaat om hunebedden, de Romeinse limes, Karel de Grote en wat dies meer zij. Onderwerpen, kortom, die zich lenen voor een blogje hier of een causerie daar, maar die niet tonen waarom geschiedenis een wetenschap is. Hieronder is mijn alternatief.

Lees verder “De historische canon”

De Pragmatieke Sanctie van 1549

Wigle van Aytta van Swichum (door Jacob de Punder, 1564)

Ik weet niet precies waarom, maar de Pragmatieke Sanctie van 1549 krijgt niet helemaal de aandacht die ze verdient. Het is echter een sleutelmoment geweest in onze geschiedenis. Het is maar een klein beetje overdreven om te zeggen dat het vandaag 470 jaar geleden is dat Nederland officieel ontstond.

In de voorgaande eeuw waren de gewesten van wat nu de Benelux heet in handen gekomen van de hertogen van Bourgondië en hun erfgenaam was de Habsburger Karel V: bij de gratie Gods keizer van het Duitse Rijk, koning van een stuk of vier Spaanse koninkrijken, heer van nog zo het een en ander, en verder “heer der Nederlanden” omdat het opsommen van alle titels uit onze contreien zo omslachtig was. Deze titel maakte al duidelijk dat Karel de “zeventien provinciën” zag als een eenheid.

Lees verder “De Pragmatieke Sanctie van 1549”

Oudheidkunde en oudheidkundes

Niet dat dit theatermasker uit het museum in Thessaloniki iets wezenlijks over oudheidkunde overdraagt, maar ach, het is wel zo aardig.

Het kwam vorige week even ter sprake: wat is eigenlijk het verschil tussen al die oudheidkundige disciplines? Misschien is het zinvol om wat begripsverheldering te bieden, temeer omdat ik nogal eens word geconfronteerd met mensen die niet begrijpen dat geschiedenis een vak is.

De classici

De oude wereld wordt vanouds bestudeerd door mensen die ik classici zal noemen. Die staan in een prachtige traditie, teruggaand op de Renaissance, toen de inzet was dat de mensen graag beter wilden schrijven en de Oudheid als voorbeeld namen. Er waren destijds ook geleerden die de Oudheid niet zozeer wilden volgen maar gewoon wilden kennen. In feite zijn deze attitudes nog altijd aanwezig: er zijn nog volop classici die vooral bewondering voelen voor wat inderdaad mooi is – het boek van Simon Goldhill dat ik ooit besprak is een voorbeeld – en er zijn mensen die hun vakgroep liever “Griekse en Latijnse taal en cultuur” noemen. Meestal worden ze samen aangeboden, al oogt dat toch een beetje alsof je het hebt over de faculteit “Franse en Duitse taal en cultuur”, maar zo vreemd is dat niet: een groot deel van de Romeinse literatuur is nu eenmaal in het Grieks. Veel opvallender is eigenlijk de afwezigheid van het Aramees voor wie de literatuur en cultuur van de Romeinen wil bestuderen.

De archeologen

De tweede grote groep wetenschappers die zich met de oude wereld bezighoudt, zijn de archeologen. Oorspronkelijk waren dat vooral kunsthistorici à la Winckelmann, die de bewonderende houding deelden met sommige classici. Ik kan ver met hen mee gaan. Als ik niet meer minimaal eens per week zou denken “dit is mooi”, zou ik ander werk moeten gaan zoeken.

Lees verder “Oudheidkunde en oudheidkundes”

De muren van Batenburg

Kasteel Batenburg

Toen ik nog jong en mooi was, en ook atletisch, ben ik eens langs kasteel Batenburg gefietst. Waar ik vandaan kwam en waar ik naartoe ging, weet ik niet meer. Wel herinner ik me dat ik destijds het rood-witte muurwerk wilde zien. Ook de teleurstelling staat me nog voor de geest: er is nauwelijks iets van het kasteel over. De poort die u op de foto hierboven ziet. Een rond veldje. Een halve toren. Nog wat muurresten. De Franse soldaten die er in 1794 tekeer gingen, hebben geen half werk geleverd.

Het is een oud kasteel: het dateert uit de twaalfde eeuw. De ronde vorm is een aanwijzing dat deze versterking moet zijn ontstaan als motte. Latere generaties meenden dat het nog ouder was en brachten zelfs een inscriptie aan dat het slot was gebouwd over een Romeinse tempel voor Mars. Gerard Geldenhouwer, over wie ik al eens blogde, leidde de naam af van Bato, de verzonnen voorouder van de Bataven.

Lees verder “De muren van Batenburg”

Individu en proces

Nog even over Luther. Ik blogde onlangs al over de curieuze poster en de al even curieuze webpagina van de Evangelische Omroep. Mijn steen des aanstoots was het feit dat ze de reformator presenteerden als de eerste beweger van de Reformatie. Dat is hij evident niet.

Het was in het laatmiddeleeuwse West-Europa algemeen bekend dat de kerk, die op een bepaald moment drie pausen had, dringend toe was aan hervorming. Er was een conciliaire beweging, die de macht wilde leggen bij het concilie, dat als een soort Staten-Generaal moest optreden. Veel van de ideeën die Luther zou uitdragen, zijn al te vinden bij John Wyclif, Geert Groote en Johannes Hus. Er was onderzoek gedaan naar de grondtalen van de Bijbel. Savonarola had de terugkeer naar apostolische armoede verkondigd. Zwingli had benadrukt dat mensen alleen door geloof en genade konden worden gered, en niet door goede werken, waarvoor hij geen aanwijzingen meende te vinden in de Bijbel (maar hij kon natuurlijk niet profiteren van de Dode Zee-rollen, zodat hij Paulus wel verkeerd uitleggen moest). Dat was in 1515, twee jaar voordat Luther met zijn vijfennegentig stellingen een geleerde discussie opende. In 1520 zou Luther breken met Rome. Niet als eerste, al is dat een beetje een kwestie van definitie,  maar in elk geval met ideeën die nauwelijks nieuw waren te noemen.

Lees verder “Individu en proces”

Kwakgeschiedenis: Luther

Een tijdje geleden fietste ik van Zwolle naar Deventer. Ik was nog niet lang onderweg toen ik een gebouw zag dat ik nooit eerder had gezien maar uit duizenden herkende: Windesheim, een van de centra van de Moderne Devotie.  Dat dit een kerkelijke vernieuwingsbeweging uit de Late Middeleeuwen is geweest, reken ik tot de algemene ontwikkeling. Je hoeft in elk geval geen professioneel historicus te zijn om ervan te weten. Ik hoorde er bijvoorbeeld zelf van toen ik op de lagere school zat. De Moderne Devotie maakt nu geen deel meer uit van de canon, maar in ons geschiedenisboekje stonden Geert Groote en de Broeders des Gemenen Levens keurig vermeld.

Je hoeft ook geen doctor in de geschiedwetenschap te zijn om te weten dat in diezelfde Late Middeleeuwen Johannes Hus en John Wyclif twee belangrijke vernieuwers waren van het Europese christendom. Dat was op dat moment inderdaad toe aan vernieuwing: al rond 1300 hekelde Dante de rijkdommen van de kerk, daarop volgden eerst het verblijf van de pausen in Avignon en vervolgens het Westers Schisma, waarin er zowel in Rome als in Avignon een paus was. Het Concilie van Pisa (1409) moest daaraan een einde maken maar het eindresultaat was dat er vervolgens drie pausen waren.

Lees verder “Kwakgeschiedenis: Luther”