Eise Eisinga

Eise Eisinga (Stadhuis Franeker)

Franeker is even klein als leuk. In het Martenamuseum was vorig jaar een geslaagde expositie over het boekenbezit van de voormalige universiteit waar ik met veel plezier heb rondgelopen. De wereld van Reinerus Neuhusius. Even verderop – het zal geen steenworp zijn maar het scheelt weinig – is het beroemde planetarium van Eise Eisinga.

Het bijbehorende verhaal is te beroemd om niet nog eens te vertellen. In 1774 zouden de maan en de planeten Mercurius, Venus, Mars en Jupiter vlak bij elkaar aan de hemel staan en er gingen geruchten dat daardoor de aarde uit zijn baan zou worden getrokken. Een door een dominee Eelco Alta geschreven brochure veroorzaakte nogal wat paniek.

Het misverstand dat hij de wereld in hielp is overigens interessant omdat het bewijst dat hij kennis had van de zwaartekrachtwet van Newton en begreep dat andere hemellichamen krachten uitoefenden op onze aarde, maar het effect overschatte. Dit is hoe pseudowetenschap altijd werkt. Mensen begrijpen wel het principe van deze of gene wetenschappelijke methode, maar zijn niet goed in staat de werking te kwantificeren.

Lees verder “Eise Eisinga”

De Brusselse Nehalennia

De Domburgse Nehalennia in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (Brussel)

[De Zeeuwse godin Nehalennia, over wie ik meer dan eens (1, 2, 3) heb geblogd, blijft de gemoederen bezighouden. Vandaag een gastbijdrage van Roger Rymen uit Kontich over een altaar in Brussel. Ik beken dat ik altijd heb gedacht dat het een afgietsel was. Boy was I wrong.]

Op 5 januari 1647 legde een storm een aantal antieke resten bloot in de duinen bij Domburg op Walcheren, wat uiteindelijk resulteerde in de ontdekking van ruim dertig Gallo-Romeinse altaarstenen. De Walcherse Archeologische Dienst publiceert op deze website een detail van de kaart van Visscher-Roman (ca. 1650) met daarop de vermelding “Verdronken woninge der Oude Gotthen”. We zijn van die bijzondere vondst ook goed ingelicht door een opgewonden brief van een ooggetuige. Een tekst uit de zeventiende eeuw spreekt over de godin Nehalennia, waaraan tal van de gevonden votiefstenen uit 180 à 230 na Chr. werden opgedragen. Kortom, een redelijk gedocumenteerde zeventiende-eeuwse vondst.

Lees verder “De Brusselse Nehalennia”

Positivisme

David Ricardo

Een tijdje geleden schreef ik een blogje waarin ik eraan herinnerde dat een historicus niet alleen wat feitjes oplepelt, zoals Paul Schnabel denkt, maar het verleden ook probeert te verklaren. Dat wil zeggen: de gereconstrueerde feiten in verband brengen met andere feiten. Eén mogelijkheid om dat te doen is het zoeken van oorzaken (“causale verbanden” voor wie het deftig wil uitdrukken). Bij deze methode van verklaren wordt in feite gekeken naar de natuurwetenschappen.

De methode is dan ook eigenlijk wel redelijk bekend. Eerst observeren de onderzoekers de verschijnselen en na verloop van tijd herkennen ze regelmatigheden, die dan wordt aangeduid als een natuurwet. Een voorbeeld is de wet van Boyle, die behelst dat de druk van een gas omgekeerd evenredig is aan het volume. In de tweede fase worden voorspellingen getoetst die op de veronderstelde regelmatigheden zijn gebaseerd. Stemmen de nieuwe waarnemingen overeen met wat is voorspeld, dan is de wet bevestigd, althans voor het moment. (Voor wie het deftig wil uitdrukken: een en ander is “gecorroboreerd”.) Is er daarentegen geen overeenstemming, dan is de wet óf niet geldig óf incompleet en moet ze worden verfijnd. In ons voorbeeld is dit laatste het geval. De volledige wet van Boyle luidt immers dat de druk van een gas omgekeerd evenredig is aan het volume zolang de temperatuur en de hoeveelheid gas dezelfde blijven.

Lees verder “Positivisme”

De Marseillaise

Isidore Pils – Kapitein Rouget de Lisle zingt de Marseillaise (1849)

Het schilderij hierboven, in 1849 vervaardigd door Isidore Pils en te zien in Straatsburg, is niet het allermooiste en de afgebeelde gebeurtenis is ook niet wereldberoemd: u ziet hoe genie-kapitein Claude Joseph Rouget de Lisle op 26 april 1792 ten overstaan van de burgemeester van Straatsburg een lied ten gehore bracht dat hij in de voorafgaande nacht had geschreven. Het heette Chant de guerre pour l’Armee du Rhin.

Het Franse Rijnleger kon in die lente wel wat inspiratie gebruiken. Drie jaar daarvoor had koning Lodewijk XVI, geconfronteerd met diverse grote problemen, de Staten-Generaal samengeroepen en de vertegenwoordigers van de burgerij hadden vervolgens gezworen het land een grondwet te zullen geven. Toen die er eenmaal was, volgde radicalisering en de ambitie de verworvenheden van de Franse Revolutie te exporteren, waarop de Europese grootmachten tot oorlog besloten. Op 20 april 1792 verklaarde Lodewijk XVI, die meende dat oorlog goed was om het verdeelde Frankrijk onder zijn gezag te herenigen, de oorlog aan Oostenrijk. Het lag in de rede dat Straatsburg het eerste Oostenrijkse aanvalsdoel zou zijn en dus gaf de burgemeester van Straatsburg kapitein Rouget de Lisle opdracht een strijdlied te schrijven.

Lees verder “De Marseillaise”

Hermes in Amsterdam

Hermes (Tropenmuseum)
Hermes (Tropenmuseum)

Amsterdam is de stad van dominees en kooplieden. Die laatsten hebben gezorgd voor een van de officieuze symbolen van de stad: de alom aanwezige Hermes, de Griekse god van de handel, kooplieden, dieven, boodschappers en reizigers. De godheid – door de Romeinen aangeduid als Mercurius – wordt meestal afgebeeld als een naakte jonge man met twee attributen: de herautenstaf en een gevleugelde helm. Het beeld hierboven maakt deel uit van de decoratie van het Tropenmuseum.

De beeldhouwers die de sculptuur verzorgden van de Beurs van Berlage hadden wat meer moeite met naaktheid en gaven Hermes een mantel over de schouders en een nogal onpraktisch ogende rok die, zo te zien, permanent met de arm moest worden opgehouden.

Lees verder “Hermes in Amsterdam”

Gevelstenen

De Vier Heemskinderen, gevelsteen op de hoek van de Herengracht/Leidsegracht in Amsterdam

Blader in boeken over de geschiedenis van de kunst en je ziet schilderijen, architectuur en beelden uit ’s wereld beste musea. Typische volkskunst staat er zelden bij, terwijl die vaak net zo leuk is en een eigen verhaal vertelt. Vandaag iets over gevelsteentjes.

Het genre is vrijwel uniek voor de Lage Landen: je vindt gevelsteentjes eigenlijk vooral in de Nederlandse en enkele Belgische steden, hoewel er elders in West-Europa ook enkele zijn. Dat ik hieronder alleen Amsterdamse gevelstenen toon, mag u uitleggen als hoofdstedelijke arrogantie maar is in feite omdat ik daar nou eenmaal woon en ik mijn camera niet bij me heb in Hoorn, Zutphen, Middelburg, Maastricht of Antwerpen – al weet ik dat ook daar leuke steentjes zijn.

Lees verder “Gevelstenen”

De vaart der volkeren (1): Drie stappen

Turgot
Turgot

De meest in het oog springende activiteit van archeologen is dat ze voorwerpen opgraven, maar dat is beslist hun enige bezigheid niet. Die vondsten zeggen namelijk niet zo veel en krijgen pas betekenis als ze worden geïnterpreteerd. Een hoop ouwe muurresten krijgt betekenis als je een brandlaag herkent en kunt zeggen dat de stad door mensenhanden is verwoest. Het probleem hierbij zou kunnen zijn dat die brandlaag ook door een aardbeving kan zijn ontstaan. Of dat plunderaars de stad aanvielen toen die na een aarschok kwetsbaar was. (Wellicht herkent u dit voorbeeld: Troje.) Kortom: interpretatie is zo makkelijk nog niet en het wetenschappelijke van de archeologie zit ’m in de poging de subjectiviteit te verkleinen. Dat geldt trouwens voor alle subdisciplines van de oudheidkunde.

Er bestaan procedures en modellen en theorieën om de subjectiviteit te verkleinen maar daarmee zal ik u niet vervelen. Het gaat me erom dat wat op het niveau van een opgraving geldt, ook geldt voor het opgegraven verleden als geheel: al die archeologische informatie samen vertelt het verhaal van de mensheid, maar hoe herken je dat verhaal? Hoe rechtvaardig je, om zo te zeggen, de diverse plotwendingen?

Lees verder “De vaart der volkeren (1): Drie stappen”

Casanova

Casanova
Casanova

Ze schijnen echt te bestaan, mensen die nooit de memoires van Casanova hebben gelezen. En dat is natuurlijk vreemd. Het kan gebeuren dat ouders verzuimen hun kinderen kennis te laten maken met Jules Verne; niet iedereen heeft de middelen voor de aanschaf van het verzameld werk van W.F. Hermans; er zullen buitengewesten bestaan waar men geen Kuifje leest; natuurlijk mag je halverwege De toverberg zeggen dat het te saai is om verder te lezen. Dat kan allemaal, dat mag ook allemaal, maar dat er mensen zijn die nooit iets hebben gelezen van Casanova, dient te gelden als ernstige misstand.

Een maatschappelijke misstand, want een individuele keuze kan het niet zijn. Wie kennismaakt met de autobiografie van Casanova, leest haar uit. Het is hét hoogtepunt van de achttiende-eeuwse Europese letteren. Als mensen de twaalf delen niet allemaal lezen, kan dat alleen komen doordat hun nooit is verteld hoe geweldig boeiend Casanova is en het achterhouden van zulke informatie is gewoon asociaal wangedrag. Een ernstige misstand dus waarover, zelfs in de jaren waarin Jan Peter Balkenende hamerde op het belang van nette maatschappelijke omgangsvormen, nooit ook maar één Kamervraag is gesteld.

Lees verder “Casanova”

De Russen komen

De Russisch-orthodoxe kerk in Termez
De Russisch-orthodoxe kerk in Termez

Vorige maand schreef ik een reeks stukjes (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8) over de voor mij verwarde geschiedenis van Centraal-Azië, waarin ik probeerde wat structuur aan te brengen door haar te reduceren tot wat ik “vier vegen” noemde. Ik maakte de reeks nog niet af. De vierde “veeg” over de landkaart, de noordwest-zuidoostelijke beweging waarmee Centraal-Azië in de negentiende eeuw deel kwam uit te maken van het rijk van de Russische tsaar, was te recent. Ik wilde Oezbekistan eerst met eigen ogen hebben gezien. Vandaag echter de russificatie, morgen dan de staatsvorming, en overmorgen tot slot nog een Oezbeeks museumstuk om de reeks te brengen tot een voorlopig einde.

In feite hebben de Russen altijd belangstelling gehad voor Centraal-Azië: ze hadden vanouds te maken met de Mongolen. Toen de Oezbeken uit hun oorspronkelijke leefgebied wegtrokken en zich vestigden in het land dat nog altijd naar hen heet, ontstond ruimte voor Russische expansie naar het oosten, en deze expansie, eenmaal op gang gekomen, zou niet ophouden voor ze de Stille Oceaan had bereikt. De Russen bewogen dus gestaag naar het oosten en zuidoosten, langs de handelsroutes richting Khiva (aan de Amudarya, ten zuiden van het Aralmeer) en richting Tasj ofwel Tasjkent.

Lees verder “De Russen komen”