Turdetanische krijger

Turdetanische krijger (Musée des Antiquités nationales, Saint-Germain-en-Laye)

Osuna, het antieke Urso, ligt in het midden van de vlakte tussen Córdoba en Sevilla. Ik herinner me een provinciestadje, een kathedraal en een ruïneveld. Ook herinner ik me de landeigenaar, die een schilderijtje van een Vlaamse meester in zijn slaapkamer had hangen. En vooral herinner ik me de illegale opgravers die me wel wat oudheden wilden aansmeren.

Olijven

In de Oudheid stond de vlakte rond Osuna, die zich uitstrekte van de Guadalquivir tot de uitlopers van de Sierra Nevada, vol olijfbomen. De amforen die naar Rome zijn geëxporteerd en daar zijn weggeworpen op de Monte Testaccio, zijn beroemd geworden omdat ze een reconstructie van de Andalusische olijfolienijverheid mogelijk maakten. Dat is, voor de oude wereld, een unicum. De Carbonell-olijfolie die u bij Albert Heijn of Delhaize koopt, vertegenwoordigt een eeuwenoude agrarische traditie.

Lees verder “Turdetanische krijger” →

De gesel Gods (3)

Frankische ruiter op een mantelspeld (Archeologisch park, Xanten)

[Derde deel van een zevendelige reeks over Attila de Hun. Het eerste deel was hier en ik was gekomen tot de plundering van Rome door Alariks Visigoten, die plaatsvond in 410.]

Orosius had, zoals gezegd, een goede reden om de schade van de plundering van Rome in 410 te presenteren als minimaal. Onmiddellijk na de plundering van de stad hadden traditionele Romeinen beweerd dat deze ramp was veroorzaakt doordat de eredienst voor de oude goden was verwaarloosd. Om die kritiek te pareren, schreef Orosius dus zijn Wereldgeschiedenis tegen de heidenen, waarin hij beargumenteerde dat de rampen die de Romeinen sinds de opkomst van het christendom hadden getroffen, wel meevielen en dat vroeger alles slechter was geweest.

Hoewel de tijd deze visie heeft weersproken, had Orosius het in zijn analyse van de plundering van Rome wel ruwweg bij het rechte eind. Alarik wilde land en om die boodschap over het voetlicht te krijgen hoefde hij geen apocalyps te ontketenen. Rome herstelde van de klap en toen de Visigoten in Aquitanië eenmaal hun land hadden gekregen, werden ze trouwe bondgenoten van Rome. Hetzelfde gold voor andere stammen: de Sueben kregen Galicië, in het noorden richtten de Franken verschillende koninkrijkjes in, de Bourgondiërs vestigden zich aan de Midden-Rijn, en aan het land van de Vandalen herinnert nog altijd de naam [V]Andalusië. Met uitzondering van de laatsten, die onrustig bleven, stelden deze stammen zich in deze regel loyaal op en archeologisch gezien zijn er niet zulke grote verschillen tussen een autochtone Romeinse edelman in Gallië en een Visigotische krijger.

Lees verder “De gesel Gods (3)” →

De Tweede Punische Oorlog (11): Spanje

Iberische soldaten, zoals ze in de Tweede Punische Oorlog vochten, op een een kruik uit Catalonië (Museu d’Arqueologia de Catalunya, Barcelona)

[Dit is de elfde aflevering van een feuilleton over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). Het eerste is hier. In het laatste stukje van gisteren verkeerde de strijd in een impasse en diende de jonge Romeinse generaal Scipio zich aan.]

De Romeinen hadden sinds de dood van Scipio’s vader in Spanje terrein moeten prijsgegeven, maar beheersten nog altijd het gebied benoorden de Ebro. Bovendien waren ze goed getraind. Elders op het Iberische schiereiland waren drie Karthaagse legers actief en de jonge generaal begreep dat hij niet moest wachten tot die zich tegen hem verenigden.

Het geluk lachte hem toe. De Karthaagse strijdkrachten bevonden zich ver van hun hoofdstad, Nieuw Karthago (het huidige Cartagena), en de jonge generaal liet zijn soldaten daar in zeven dagen naartoe marcheren: zeven dagmarsen van vijfenzestig kilometer. Er bestaan parallellen, maar ze zijn zeldzaam en de legionairs zouden het wellicht niet hebben gedaan als Scipio hun niet had verteld dat droomgezichten hem succes hadden voorspeld en dat hij mocht rekenen op de zeegod Neptunus. In zeven dagen presteerden de mannen het bijna onmogelijke. De Karthaagse commandant Mago was totaal verrast.

Lees verder “De Tweede Punische Oorlog (11): Spanje” →

De Tweede Punische Oorlog (10)

De stadsmuren van Syracuse

[Dit is het tiende stukje in een reeks over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). Het eerste is hier. In het negende deel behandelde ik de diplomatieke situatie na de Karthaagse overwinning bij Cannae.]

De Romeinen heroverden Syracuse in 212, hoewel de beroemde ingenieur Archimedes de Syracusanen bijstond met de grootste blijden die ooit waren gemaakt. (De beroemde anekdote dat hij met behulp van brandspiegels Romeinse schepen in brand wist te steken, is een sprookje.) Een jaar later viel ook Hannibals belangrijkste stad in Italië, Capua, hoewel Hannibal nog probeerde de aandacht af te leiden met een opmars richting Rome. Omdat die stad, zoals we al zagen, niet in te nemen viel, hoefden de Romeinen niet in paniek te raken en ze wachtten geduldig de capitulatie van Capua af.

Alleen in Spanje verliep de oorlog in Karthaags voordeel doordat de inheemse stammen zich afwendden van Rome en partij kozen voor hun oude meesters. Daardoor konden de Karthagers de legioenen terugdringen naar Catalonië. Al met al was de oorlog enigszins in balans gekomen en was alles nog mogelijk.

Lees verder “De Tweede Punische Oorlog (10)” →

De Tweede Punische Oorlog (9)

De stadsmuur die Rome tijdens de Tweede Punische Oorlog beschermde

[Dit is het negende stukje in een reeks over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). Het eerste is hier. In het achtste deel lazen we hoe de Karthaagse generaal Hannibal de Romeinen versloeg bij Cannae.]

Na de veldslag bij Cannae, zo vertelt Livius, vergaderden de Karthaagse commandanten, en de meesten waren het erover eens dat het leger eerst een dag mocht uitrusten. De aanvoerder van de cavalerie, Maharbal, dacht er anders over: als de overwinnaars nu op Rome marcheerden, zouden ze over vijf dagen dineren op het Capitool. Toen Hannibal aarzelde, repliceerde Maharbal dat de goden nooit alles aan één mens gaven en dat Hannibal beter wist hoe een veldslag te winnen dan te benutten. “Velen geloven dat het uitstel op die dag de redding heeft betekend van Rome en het Romeinse Rijk,” meende Livius.

Lees verder “De Tweede Punische Oorlog (9)” →

De Tweede Punische Oorlog (6)

Helm uit de tijd van de Tweede Punische Oorlog (British Museum, Londen)

[Ik vervolg het feuilleton over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). Het eerste is hier. Gisteren kwamen we tot het vijfde deel, waarin ik vertelde hoe de Karthaagse generaal Hannibal in 217 de Romeinse generaal Flaminius versloeg bij het Trasimeense Meer.]

De Romeinse nederlaag bij het Trasimeense Meer deed de Romeinen besluiten een dictator aan te wijzen, een militaire leider met onbeperkte bevoegdheden. Quintus Fabius Maximus gold als een capabele generaal en beschikte over goede contacten met Hannibals tegenstanders in Karthago, wat suggereert dat de senatoren een diplomatieke oplossing niet uitsloten.

De dictator was daar echter niet op uit. Zijn eerste taak was het herstel van de goede relaties met de goden, die duidelijk hun woede hadden laten blijken over de wijze waarop Flaminius de voortekenen had genegeerd. Hij beloofde tempels te wijden aan de oorlogsgod Mars en aan Venus Erycina, dat wil zeggen: Venus zoals ze werd vereerd op de berg Eryx in het uiterste westen van Sicilië. De cultus was van oorsprong Karthaags (eigenlijk heette de godin Astarte), erkende de godin niet alleen als patrones van de liefde maar ook als krijgsgodheid, en de diepere zin van de tempelwijding was dat de Romeinen trachtten de voornaamste godheid van hun vijand aan hun zijde te krijgen.

Lees verder “De Tweede Punische Oorlog (6)” →

De Tweede Punische Oorlog (1): Saguntum

Saguntum, waar Hannibal de Tweede Punische Oorlog ontketende

[Vier jaar geleden blogde ik rond kerstmis vrij uitgebreid over het Ardennenoffensief, een historische gebeurtenis die in de nieuwscyclus altijd wordt overschaduwd door de gebruikelijke eindejaarsoverzichten en -lijstjes. Mocht u die stukjes destijds niet hebben gelezen, dan beveel ik ze u van harte aan. Het jaar erna blogde ik over de Trojaanse Oorlog en vorig jaar waren de christenvervolgingen het thema van het inmiddels traditionele vervolgverhaal met kerstmis. Dit jaar kreeg ik tot viermaal toe een verzoek om de Tweede Punische Oorlog. Het is wat ver verwijderd van “Vrede op aarde in de mensen een welbehagen”, maar wie een longread zoekt voor de kerst, heeft hier een veertiendelige reeks.]

Het blijft een van de meest tot de verbeelding sprekende verhalen uit de Oudheid: de Karthaagse veldheer Hannibal Barka die met zijn olifanten over de Alpen trekt. Met deze operatie viel hij de Romeinen aan waar ze het nooit hadden verwacht: in het noorden, in plaats van op Sicilië. Titus Livius, een belangrijke bron, presenteert de Tweede Punische oorlog als strijd op leven en dood, wat enigszins overdreven is omdat Hannibal er niet op uit was Rome te verwoesten. Het ging hem erom het Romeinse stelsel van bondgenoten te ontmantelen en de vijand te reduceren tot de status van stadstaat.

Lees verder “De Tweede Punische Oorlog (1): Saguntum” →

Muzikantengraf

Grafsteen (Museo Nacional de Arte Romano, Mérida)

De bovenstaande inscriptie is te zien in het Museo Nacional de Arte Romano in het Spaanse Mérida. Ik ben er in of rond 1990 geweest en heb toen dia’s gemaakt, maar die heb ik cadeau gedaan aan het Archeologisch Instituut van de VU en ik heb ze niet meer. (Het zou me trouwens verbazen als ze die nog hadden – mijn eigen dia’s staan ook al jaren op zolder stof te vangen.) De foto hierboven is dan ook gemaakt door een vriend die een huisje in Spanje heeft en weleens oudheden voor me fotografeert.

Getuige de inscriptie heeft een zekere Lutatia Severa de steen opgericht en gewijd aan de ziel van de zestienjarige meisje Lutatia Lupata. De afkorting aan het einde, HSESTTL, betekent Hic sita est. Sit tibi terra levis, “Ze ligt hier begraven. Moge de aarde licht voor je zijn.” De relatie tussen de twee vrouwen wordt aangegeven met het woord alumna, wat vermoedelijk slaat op een leerlinge maar ook kan slaan op een pleegdochter. De naamovereenkomst suggereert dat de lerares een vrijgelatene was van de familie van de overledene. Waarom de ouders of broers van het meisje geen aandeel hadden in de begrafeniskosten? Uw gok is zo goed als de mijne. Misschien was de jonge vrouw verstoten, misschien waren er geen familieleden en hebben we niet te maken met een lerares maar een pleegmoeder.

Lees verder “Muzikantengraf” →

Nis

Tichel met christusmonogram uit Spanje (British Museum, Londen)

Nog heel even iets over het plaatje dat ik afbeeldde bij mijn stukje over de Visigotische aanwezigheid op het Iberische Schiereiland: het Christusmonogram dat ik hierboven nogmaals toon. De zesde-eeuwse tichel, mogelijk afkomstig uit Ronda, is te zien in het British Museum en het (moeilijk leesbare) randschrift luidt BRACARI VIVAS CUM TUIS, waarvan het eerste woord “van Bracarius” betekent en de drie andere zoiets als “moge jij leven bij de jouwen”. Anders gezegd, het is een grafsteen die ooit, beschilderd en wel, tegen een muur of plafond was aangebracht.

De dood wordt dus herdacht door te zeggen dat iemand leeft en dat is niet de enige paradox. De alfa en de omega (de eerste en laatste letters van het Griekse alfabet) staan voor het begin en het einde en dat representeert… de eeuwigheid. Multatuli wees er al eens op dat wie mensen wil mobiliseren, ze een paradoxale boodschap moest geven: we moeten bijvoorbeeld samenwerken voor onze bevrijding. Dat paradoxale boodschappen, die immuun zijn tegen falsificatie, het beste werken, is natuurlijk een wat platvloers inzicht, maar ja, de diepste waarheden liggen nu eenmaal aan de oppervlakte.

Lees verder “Nis” →

Berbers en Arabieren

De moskee van Córdoba

Gisteren blogde ik over het Rijk van Toledo en ik schreef dat deze laat-Romeinse staat, centraal georganiseerd als ze was, door Arabieren in één keer kon worden overgenomen. Koning dood, het hof uitgeschakeld, hoofdstad ingenomen: dan houdt het verder op. Ik werd terecht gecorrigeerd: het leger dat de genadeklap uitdeelde bestond uit Berbers. Het grappige is dat ik daar bij het schrijven aan had gedacht. Omdat het leger marcheerde uit naam van de Umayyadische kalief van Damascus, had ik besloten het stukje niet nog ingewikkelder te maken dan het al was – maar het is geen onbeduidend detail.

De verovering begon in april 711, toen generaal Tariq, een islamitische Berber, met zo’n 12.000 soldaten de Straat van Gibraltar overstak. (“Gibraltar” is overigens een verbastering van Jebel Tariq, “Tariqberg”.) In juli versloeg hij bij Jerez het leger van de Toledaanse koning Roderik, waarna de joden in Córdoba en Écija Tariq en zijn mannen als bevrijders binnenhaalden. Of het enthousiasme oprecht was of een lepe reactie op het simpele feit dat er geen Toledaans leger meer was dat de steden kon beschermen, zullen we nooit meer weten. Wel moet worden aangetekend dat de handelingen van de diverse kerkelijke synodes duidelijk maken dat de christelijke autoriteiten de joden liever zagen gaan dan komen.

Lees verder “Berbers en Arabieren” →