Massinissa

Massinissa (Musée de Cirta, Constantine)

Ik zal niet zeggen dat afgelopen donderdag een dag van teleurstellingen was, want we hebben een prima dag gehad. Maar na een dag in Annaba en een dag in Madauros en Khemissa kon het alleen wat minder zijn. Hierboven het graf dat bekendstaat als Soumaa d’El Khroub. De laatste twee woorden zijn de naam van een stadje ten zuiden van Constantine en het eerste is een woord dat zowel graanspijker als kluizenaarscel kan betekenen. Daar lijkt het gebouw wel een beetje op maar ik wil nog eens uitzoeken of deze woordkeuze niet kan zijn ingegeven doordat zo’n mausoleum heel wel in de Oudheid aangeduid kan zijn geweest als een sema, “graf”. Hoe dat ook zij, dit is een van de koninklijke mausolea in Algerije die op de lijst van Werelderfgoed staan. Het is dus ook uw erfgoed.

Wie ligt er begraven? De Algerijnen weten het zeker: hier ligt Massinissa, de Numidische vorst die een bondgenoot was van Rome en die na de Tweede Punische Oorlog, waarin de Romeinen de Karthagers versloegen, eindeloos doorging met aanvallen op het grondgebied van de verslagen stad. Hij annexeerde zelfs Sabratha, Oea (het huidige Tripoli) en Lepcis Magna, helemaal in het huidige Libië. Uiteindelijk sloeg Karthago terug, voerde daarmee oorlog zonder toestemming van de Romeinse Senaat. Dat was de aanleiding van de Derde Punische Oorlog. Massinissa overleed in 148 v.Chr. en Tunesiërs weten zeker dat hij begraven ligt bij hun stad Dougga.

Lees verder “Massinissa”

Taaitaai in Madauros

Het Byzantijnse fort van Madauros

Ik vertelde al dat ik woensdag naar Souk Ahras was geweest. We volgden vanuit Annaba een riviertje omhoog, de bergen in (een oostelijke uitloper van de Atlas) en kwamen zo door een prachtig groen gebied met wilgen, sparren en olijfbomen. Een beeld dat me zal bijblijven is dat van de rode tractor die op een helling een veld aan het bewerken was en werd gevolgd door witte vogels. We lunchten langs de weg naar M’daourouch, het antieke Madauros. Eerlijk gezegd vond ik de gekookte pens en maag niet heel erg smakelijk, dus ik heb het laten staan met als excuus dat het petit-déjeuner in Annaba niet zo heel erg petit was geweest.

De hoogvlakte. Nog meer groen, nog meer bomen, nog meer weiden. Runderen, waaronder een enkele roodbonte koe. Dit was heel anders dan bijvoorbeeld Libië, waar al vrij snel achter de kuststrook de halfwoestijn begint. Ik zag nergens paarden, hoewel de hoogvlakte zich leent voor deze dieren en hoewel Numidische ruiterij ooit beroemd was.

Lees verder “Taaitaai in Madauros”

Augustinus’ olijfboom

Wat opvalt bij het lezen van Augustinus is dit: hij was rusteloos op zoek naar de waarheid. Hij bekeerde zich dus eerst (na de lectuur van Cicero’s Hortensius) tot de filosofie, bekeerde zich tot het manicheïsme, bekeerde zich tot het christendom, bekeerde zich daarbinnen weer tot de variant die we nu orthodox noemen en vond geen rust. De polemieken rond het pelagianisme zijn niet de teksten van een man die tevreden is met wat hij heeft gevonden of heeft bereikt.

Hij was bereid voor de waarheid een hoge prijs te betalen. Hij had, in de keizerlijke residentie Milaan, een voorname positie aan het hof, stond op het punt zich in te trouwen in een vooraanstaande familie en mocht vooruitzien naar lucratieve betrekkingen in het rijksbestuur, toen hij ineens een punt zette achter die loopbaan en zich terugtrok. Augustinus was maar een venditor verborum geweest, een kletsmajoor. Het is alsof iemand die op het punt staat de Nobelprijs voor de Letteren te krijgen, concludeert dat literatuur eigenlijk maar prietpraat is, de Zweedse Academie adviseert naar de pomp te lopen en besluit de waarheid buiten de literatuur na te jagen. Dat Augustinus zoiets deed, illustreert zijn gedrevenheid.

Lees verder “Augustinus’ olijfboom”

Augustinus’ perenboom

Een van de bekendste verhalen uit AugustinusBelijdenissen is een jeugdherinnering aan de diefstal van wat peren. Samengevat komt het erop neer dat de toekomstige bisschop van Hippo vertelt hoe hij met de opgeschoten jeugd van Thagaste (het huidige Souk Ahras, waar ik vandaag hoop aan te komen) aan het spelen was toen ze naast de wijngaard van Augustinus’ familie een boom zagen vol rijpe peren. De jongens vonden de vruchten er niet bijster smakelijk uitzien maar besloten ze toch te gappen.

Zo gezegd, zo gedaan, maar de peren smaakten zo beroerd als ze eruit zagen, dus voerden ze die maar aan de varkens. “We deden het alleen omdat we zin hadden iets te doen dat verboden was”, schrijft Augustinus, die vervolgens een jammerklacht aanheft waarin allerlei Bijbelpassages doorklinken. Die vorm is minder vreemd dan het lijkt – de man dacht nu eenmaal in Bijbeltermen en de ene allusie riep de volgende op. Wie de Belijdenissen leest, went er wel aan. Wat ik echter vreemd vind, is dat Augustinus vele jaren na de gebeurtenissen, toen hij al midden veertig was, er nog steeds oprecht ontdaan door lijkt te zijn. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit over de diefstal van sesamkoekjes op winkelcentrum Anklaar in Apeldoorn zal schrijven dat het schandelijk was, dat ik ervan hield, dat ik hield van ten gronde gaan, dat ik mijn ondergang beminde. Augustinus heeft voor zulk exuberant rouwbeklag genoeg aan een perelaar.

Lees verder “Augustinus’ perenboom”

Gezicht op Hippo

Gezicht op Hippo Regius

Hippo Regius, ooit door Feniciërs gesticht, was een belangrijke stad. De titel Regius, “koninklijk”, geeft aan dat het de residentie was van de vorsten van de Massylische Numidiërs, van wie Massinissa (r.202-148) de beroemdste is. De resten uit de Romeinse tijd strekken zich uit over een gebied van zeker vijf kilometer lengte en zijn, zo schijnt me toe, weer een mooi voorbeeld van het gegeven dat een antieke stad niet per se één centrum hoefde hebben. Net als Nijmegen, dat zo rond 100 na Chr. bestond uit een legioenkamp, een handelshaven, een woonstad en een religieus centrum, was ook Hippo een conglomeraat van neerzettingen, met een civiele kern in het zuiden, een civiele kern in het noorden en daartussen een handelshaven.

De zuidelijke kern is opgegraven. Ze ligt tussen twee heuvels en hier is het forum geïdentificeerd, samen met een macellum (een soort markthal), stadsvilla’s, een enorm badhuis en een kolossale kerk. De noordelijke kern is minder goed bekend: het is de middeleeuwse en Ottomaanse stad, met een wonderbaarlijk mooie, bijna duizend jaar oude moskee die is vernoemd naar de Andalusische mysticus Sidi Bou Merouane. Gelukkig hebben we voor de reconstructie van de noordelijke kern bovenstaand mozaïek nog, dat te zien is in het museum bij de opgravingen in het zuiden.

Lees verder “Gezicht op Hippo”

Augustinus, de man die “ik” zei

Relikwieën van Augustinus (Tunis)

Tegen de tijd dat u dit leest, zitten mijn reisgenote en ik waarschijnlijk aan het ontbijt in een hotel in Annaba. Het is het oude Hippo Regius, de bisschopsstad van de kerkvader Augustinus (354-430). Afkomstig uit een niet al te vermogende familie mocht hij naar school, stichtte hij zelf een schooltje in Karthago en maakte hij carrière in Italië, waar hij een hoge positie wist te verwerven in de keizerlijke residentie Milaan. Juist toen hij op het punt stond zich in een vooraanstaande familie in te trouwen en vooruit mocht zien naar een leuke functie in het rijksbestuur, bekeerde hij zich tot het christendom. Dat blokkeerde zijn verdere wereldlijke carrière.

Of beter: hij bekeerde zich, op een moment dat de nieuwe Romeinse godsdienst nog niet helemaal was uitgekristalliseerd, tot een christendom dat een wereldlijke carrière blokkeerde. Hij had ook een andere keuze kunnen maken, maar koos voor een ingetogen en ascetisch leven in wat we nu een klooster zouden noemen. Dat verhinderde niet dat hij bisschop werd in de havenstad Hippo – het Annaba waar we nu zitten te ontbijten dus – en een oeuvre schreef waarin hij de grondslagen legde van de westerse theologie. In Hippo dicteerde hij ook zijn beroemde Belijdenissen, een soort autobiografie waarin hij ervan getuigde dat God hem, ondanks allerlei dolingen en dwalingen, steeds nabij was geweest. De Belijdenissen zijn dus in de eerste plaats een tekst met een pastoraal doel: Augustinus wilde de gelovigen in Hippo de zorg van God tonen. Maar niet alleen dat.

Lees verder “Augustinus, de man die “ik” zei”

Naar Algerije

Ons eerste diner in Algerije (het derde gerecht van boven): köfte ofwel ballen des gehakts.

We arriveerden in Annaba, de eerste grote havenstad in Algerije als je aankomt uit Tunesië, eerder dan we hadden gepland. Dat betekent dat ik opnieuw tijd heb voor een blogje over wat ik zoal heb meegemaakt. Dat is niet zoveel hoor. Eerst had ik in Tunis een zakelijke afspraak en daarna kwam onze Algerijnse chauffeur ons ophalen om ons naar Annaba te rijden. Na het gebruikelijke trage rijden om een grote stad uit te geraken, bereikten we de autosnelweg, waarna we met een strakke 170 westwaarts reden, zodat ik me soms afvroeg wanneer we zouden opstijgen.

Na een vlakte volgde een wat heuvelachtig landschap dat me deed denken aan Sicilië. Op een minaret in een stadje dat Béja heette zag ik een ooievaarsnest. We staken de bergen over en bereikten de kust bij de havenstad Tabarka. Het was makkelijk te begrijpen waarom de Feniciërs deze regio hebben gekoloniseerd, want het landschap is volkomen vergelijkbaar met Libanon: beboste bergen die komen tot aan de zee.

Lees verder “Naar Algerije”

Numidië

Timgad, een van de voornaamste Romeinse steden in Numidië

De Numidiërs waren de mensen die woonden in het gebied ten westen van Karthago. Er waren twee regio’s, bewoond door de Massyliërs in het noordoosten van het huidige Algerije en de Masaeisyliërs in het noordwesten.

Het land

Het Numidische landschap bestaat uit een kuststrook met daarin de havens van Caesarea (het moderne Cherchell), Tipasa, Icosium (Algiers) en Hippo Regius (Annaba). Daarachter beginnen de hooglanden van Numidië. Wie vanuit de havensteden het land intrekt, steekt eerst een oostelijke uitloper van de Tell Atlas over, bereikt daarna de golvende vlakte die nu de “Hautes Plaines” wordt genoemd, en steekt vervolgens de Sahara-Atlas over om te eindigen bij de zandwoestijn, de Grand Erg. In het oosten sluiten de twee uitlopers van de Atlas zich in het berglandschap dat Aurès heet. Net ten oosten van de Tunesische grens werd bij Chimtou het beroemde giallo antico gewonnen dat je in alle delen van de oude wereld wel vindt.

Lees verder “Numidië”

Numidische grafstèle

Grafsteen uit Mascula (Algerije), nu in het Amsterdamse Allard Pierson-museum

Vorige week blogde ik over twee Numidische votiefstèles die ik ooit in het Louvre heb gefotografeerd. Beide waren gesteld in het Punisch, dateerden uit de tweede eeuw v.Chr., waren voorzien van het “teken van Tanit” en waren afkomstig uit hetzelfde heiligdom bij Cirta (Constantine in Algerije). De ene was een gewoon bedankje van een zekere Abdeshmun aan de god Baal-Hammon, de tweede was interessant omdat degene die de stèle had opgericht een Italische naam had. Niet onmogelijk, maar ik had in de tweede eeuw v.Chr. geen Italiaan in Algerije verwacht. Zo leren we elke dag bij.

Vandaag een andere Algerijnse inscriptie, dit keer uit Mascula (het huidige Khenchela), die ik fotografeerde in het Amsterdamse Allard Pierson-museum. Deze stèle is zo’n tweehonderd jaar jonger. Terwijl de vorige inscriptie een Romein of een Italiaan documenteerde die in het Punisch een lokale godheid aanbad, is dit keer de godheid geromaniseerd. Hij is bovenaan afgebeeld: dit is Saturnus. De aloude Baäl-Hammon, de heerser van het dodenrijk, had een nieuwe naam aangenomen, ongeveer zoals in Gallië de god Lug zich was gaan tooien met de naam Mercurius.

Lees verder “Numidische grafstèle”

Votiefstèles uit Numidië

Twee stèles uit Numidië (Louvre, Parijs)

Bovenstaande twee stèles, tegenwoordig in het Louvre in Parijs, zijn gevonden bij de antieke hoofdstad van Numidië, Cirta, het huidige Constantine in Algerije. Voordat de Romeinen hier in 44 v.Chr. de macht overnamen, woonden in deze streek de Numidiërs. Of beter gezegd, hier woonden de Massyli, een van de twee grote Numidische groepen. De andere groep was die van de Masaeisyli – hoe verzin je zo’n naam? – en die woonden wat westelijker. Hoewel de oude Grieken in de naam van de antieke Numidiërs hun eigen woord voor rondzwervende herders herkenden, νομάδες, waren de mensen in deze regio geen nomaden. Ze waren sedentair.

We zien dat in Cirta. Dat was in de voor-Romeinse tijd al een behoorlijke nederzetting en het is geen verrassing dat archeologen in het in 1950 ontdekte heiligdom van El-Hofra vele tientallen votiefstèles vonden. 281 waren voorzien van Punische inscripties (zoals de twee hierboven), 17 hadden Griekse inscripties, 7 hadden Latijnse inscripties, en de overige waren te beschadigd voor bestudering.

Lees verder “Votiefstèles uit Numidië”