Er is iets wonderlijks met het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius op het Capitoolplein. Ik beken dat ik het pas de tweede keer herkende, wat ermee te maken zal hebben dat ik het voor het eerst zag toen het werd gerestaureerd. Eigenlijk kon ik toen niet goed zien dat het beeld vol contrasten zit. Het eerste: we zien een keizer in militair tenue, maar hij draagt geen wapens en heeft de hand opgeheven in een gebaar dat vrede beduidt. Het is dat je beter weet, want anders zou je denken dat hier iemand capituleerde.
Ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius (Capitolijnse Musea, Rome)
De eerste keer dat ik in Rome was, in oktober 1982, wachtte me op het Capitoolplein een teleurstelling: het ruiterstandbeeld van keizer Marcus Aurelius was weg. Een lege sokkel, daarmee moesten we het doen. Het monument was zwaar aangetast door luchtvervuiling en moest worden geconserveerd – iets wat geen volk ter wereld zo goed kan doen als de Italianen.
Aangetast: in feite was het een wonder dat het beeld überhaupt de twintigste eeuw had gehaald. Terwijl we letterlijk tienduizenden marmeren beelden hebben uit de oude wereld, zijn er nauwelijks beelden van brons. Ze moeten er destijds echter ook bij duizenden zijn geweest: een aardige aanwijzing bood de expositie “Van hun voetstuk” vorig jaar in het Nijmeegse Valkhof, waarbij in kaart werd gebracht welke bronzen standbeeldresten er benoorden de Alpen waren – en dat waren er, zo ontdekten de betrokkenen, verbluffend veel. De meeste beelden zijn echter verloren: we hebben slechts fragmentjes over of kennen alleen de sokkel. Het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius is een unicum, dat we uitsluitend te danken hebben aan het feit dat de Middeleeuwers dachten dat dit beeld de christelijke keizer Constantijn voorstelde. Daarom werd het niet omgesmolten om er bommen en granaten van te maken.
Het Coemeterium Maius, de “grote begraafplaats” even ten noordoosten van Rome, dateert uit de derde en vierde eeuw. Je kunt er niet in, maar aan het begin van de vorige eeuw kon dat wel en toen maakte Joseph Wilpert zijn boek Die Malereien der Katakomben Roms (1903), waaruit de bovenstaande afbeelding komt.
De wetenschappelijke studie van de catacomben stond toen, zoals men dan zegt, nog in haar kinderschoenen: eigenlijk was men er nog geen halve eeuw mee bezig. De allereerste fase was zwaar politiek beladen geweest. De liberale Italianen verenigden zich en wilden Rome als hoofdstad, de conservatieve paus was daar tegen en benutte de catacomben om te bewijzen dat allerlei vrome legenden een kern van historische waarheid hadden. Het pausdom, zo was de boodschap, was wat het altijd had beweerd en was dus door God gewild. Het was niet voor het laatst dat de oudheidkunde zich leende voor politiek misbruik.
Priamos en Achilleus (Nationaal Museum, Kopenhagen)
Dit is een van de twee Hoby-bekers, gemaakt door een Griekse zilversmid die Cheirisofos heette. Het voorwerp wordt stilistisch gedateerd in de eerste eeuw v.Chr. De afgebeelde scène is afkomstig uit het laatste boek van de Ilias: koning Priamos van Troje bezoekt Achilleus om het stoffelijk overschot van zijn zoon terug te kopen. Er is een tweede beker waarop is te zien hoe de held Filoktetes, die een lelijke slangenbeet heeft opgelopen, wordt behandeld. Elco Brinkman zou dit edelsmeedwerk hebben aangeduid als “topkunst”.
Het leuke is de vindplaats waarnaar de bekers zijn vernoemd: het dorpje Hoby op het Deense eiland Lolland. Daar heeft archeoloog Knud Friis Johansen ze in 1920 aangetroffen in het graf van een ongeveer dertig jaar oude Germaanse krijger. Ze zijn nu te zien in het Nationale Museum in Kopenhagen, dat een van de beste oudheidkundige collecties ter wereld bezit en een reis naar Denemarken waard is. Serieus.
Reconstructie van de Laokoöngroep (Vaticaanse Musea, Rome)
Oké, het beeld hierboven, dat kent u allemaal: Laokoön. Hij was een priester in Troje en had in de gaten dat het Trojaanse Paard geen geschenk aan de godin Athena was, maar vol zat met soldaten. Omdat het de bedoeling was dat de heilige veste ten onder zou gaan, zonden de goden een tweetal zeeslangen dat Laokoön en zijn zonen wurgde. Het standbeeld hierboven toont hun doodsstrijd.
Het beeld is in 1506 gevonden op de heuvel ten noorden van het Colosseum en meteen werd gezegd dat dit het beeld is dat Plinius de Oudere vermeldt in zijn Natuurlijke geschiedenis 36.37:
De tweede in mijn reeks van voorwerpen uit de Oudheid die niet waren wat we dachten is een heel simpele: de bovenstaande buste gold lange tijd als een portret van Brutus, de man die tegen het einde van de zesde eeuw de koningen verdreef uit Rome en de republiek stichtte. Die identificatie is gebaseerd op munten uit de eerste eeuw v.Chr., waarop Brutus met een korte baard staat afgebeeld.
Wanneer die identificatie is ontstaan, weet ik niet, maar in 1789 was de Franse schilder Jacques-Louis David ermee vertrouwd: op zijn doek Les licteurs rapportent à Brutus les corps de ses fils toont hij hoe Brutus vergeefs probeert – let op de verkrampte voeten – onbewogen te reageren als hij wordt geconfronteerd met de lichamen van zijn zonen, die hij zelf ter dood heeft veroordeeld. De geschilderde Brutus is duidelijk geïnspireerd op de buste.
Ze schijnen echt te bestaan, mensen die nooit de memoires van Casanova hebben gelezen. En dat is natuurlijk vreemd. Het kan gebeuren dat ouders verzuimen hun kinderen kennis te laten maken met Jules Verne; niet iedereen heeft de middelen voor de aanschaf van het verzameld werk van W.F. Hermans; er zullen buitengewesten bestaan waar men geen Kuifje leest; natuurlijk mag je halverwege De toverberg zeggen dat het te saai is om verder te lezen. Dat kan allemaal, dat mag ook allemaal, maar dat er mensen zijn die nooit iets hebben gelezen van Casanova, dient te gelden als ernstige misstand.
Een maatschappelijke misstand, want een individuele keuze kan het niet zijn. Wie kennismaakt met de autobiografie van Casanova, leest haar uit. Het is hét hoogtepunt van de achttiende-eeuwse Europese letteren. Als mensen de twaalf delen niet allemaal lezen, kan dat alleen komen doordat hun nooit is verteld hoe geweldig boeiend Casanova is en het achterhouden van zulke informatie is gewoon asociaal wangedrag. Een ernstige misstand dus waarover, zelfs in de jaren waarin Jan Peter Balkenende hamerde op het belang van nette maatschappelijke omgangsvormen, nooit ook maar één Kamervraag is gesteld.
De riviergod Acheloös; bronsje uit Tarquinia dat verder niet zoveel met dit stukje heeft te maken maar wel uit de juiste stad komt. Nu te zien in de Villa Giulia, Rome.
Twee jaar geleden werd in Tarquinia in Italië een mooi Etruskisch graf gevonden. Het had alles om een goed verhaal te vertellen, zoals een nog bewaard grafmaal (zie foto). Mooi, zou je denken, maar nee, het was nog niet spectaculair genoeg. De opgravers identificeerden het graf meteen als dat van een prins van koninklijke bloede en een familielid, misschien wel een broer, van de vijfde koning van Rome, Tarquinius Priscus.
In Italië wordt namelijk alles wat wordt opgegraven toegeschreven aan een uit de bronnen bekend persoon. Klaarblijkelijk zijn de aannames van de Italiaanse archeologie dat alle personen die ooit hebben bestaan, in onze bronnen staan vermeld, en dat archeologie geen bewijs kan leveren dat onafhankelijk is van geschreven bronnen. Als classici en oudhistorici het potentieel van de archeologie zo slecht begrijpen, lach je erom, maar in Italië zijn het de archeologen zelf en dat is om te huilen.
“Het tweede beest rees op uit de aarde en had twee hoorns als een lam maar sprak als een draak. … Wie doorzicht heeft, kan het getal van het beest berekenen: het duidt een mens aan, en het getal is 666.” (Openbaring 13.11, 18; gravure Doré)
Ik ben al een tijdje niet in Rome geweest en eerlijk gezegd: zonder spijt. Ooit kwam ik er twee keer per jaar en schreef ik er een boek over, Stad in marmer, maar kort na de publicatie daarvan ben ik het plezier een beetje kwijt geraakt.
Natuurlijk, er zijn altijd minder leuke kanten geweest. Rome heeft soms iets gruwelijk provinciaals – ik heb lang geleden eens een hele zaterdagmiddag lopen zoeken naar een functionerend fotokopieerapparaat. Ergens rond de millenniumwisseling is er echter iets veranderd. In de jaren negentig waren er eveneens racistische Romeinen, die zich bijvoorbeeld uitleefden op Chinese restaurants, maar de weerzin tegen immigranten werd na pakweg 2000 openlijker en gemener. De musea, waarvan er sommige altijd al druk waren, werden nu helemaal onprettig druk. De stad verslonsde: je zag het vooral op plekken waar de plantsoenendienst minder vaak langs kwam. Waarom zou je een stad ook schoonmaken als de toeristen toch wel komen? De neergang zal samenhangen met het catastrofale economische beleid: waar alle landen van Europa opbloeiden na de invoering van de euro, wist het Italië van Berlusconi er nauwelijks van te profiteren.
De slag bij de Milvische Brug: Constantijns soldaten doden hun verslagen tegenstanders, die liggen in het water van de Tiber. Hoewel dit reliëf op de boog van Constantijn groter is, ontbreken soldaten met op hun schild het -teken.
[Het is vandaag 1703 jaar geleden dat Constantijn de Grote even ten noorden van Rome, bij de Milvische Brug over de Tiber, zijn rivaal Maxentius versloeg. Bovendien is er momenteel een aardige Constantijn-expositie in de Nieuwe Kerk, dus ik trakteer u vandaag op een passage uit mijn boek Oorlogsmist.]
In de Late Oudheid legitimeerden de Romeinse keizers zich vaak door een claim dat ze de speciale steun genoten van deze of gene godheid. Wie er anders over dacht, kreeg het moeilijk. De leiders van de zogeheten manicheeërs, die meenden dat er twee goden waren, werden levend verbrand en ook de christenen kregen het buitengewoon zwaar te verduren. In 311 maakte keizer Galerius een einde aan het vervolgingsbeleid.
Op dat moment heerste in West-Europa keizer Constantijn, die zich liet voorstaan op een bijzondere band met de zon. In 310 beweerde hij zijn beschermer, in de gedaante van de god Apollo, te hebben gezien in een visioen. Een redenaar haalde later in het jaar herinneringen op:
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.