Een deel van het linnen boek van Zagreb (Archeologisch museum, Zagreb)
Zoals ik al aangaf, heeft het Archeologisch Museum van Zagreb veel moois te bieden. Eén van de beroemdste stukken is de Zagreb Mummie. Die is in de negentiende eeuw ooit eens “afgewikkeld”. In het museum ligt nu een dode Egyptenaar tentoongesteld – wat ik eerlijk gezegd smakeloos vind – en daarnaast zijn de windsels te zien. Die bleken afkomstig uit een boek met linnen bladzijden waarop een Etruskische tekst te lezen stond. Hierboven een foto van het Liber linteus, het linnen boek.
Van het Etruskisch begrijpen we onvoldoende, al is het minder mysterieus dan wel wordt aangenomen en is duidelijk dat de tekst die via Egypte in Zagreb is beland, een religieus karakter heeft. Welke problemen zijn er zoal bij het doorgronden van een antieke taal?
De “Zeus-krater” uit Enkomi (Cyprusmuseum, Nicosia)
Ik blogde gisteren over het Cyprusmuseum in Nicosia, waar onder meer de voorwerpen uit Enkomi zijn te zien, een Bronstijd-havenstad uit oostelijk Cyprus die door Mykeense kooplieden werd aangedaan. Ik wees erop dat in Enkomi aspecten van de vroegste Griekse cultuur kunnen zijn gedocumenteerd die later in het moederland wat ondergesneeuwd zouden zijn.
De vaas hierboven – perfect bewaard, zoals veel aardewerk in het Cyprusmuseum – is wat dat betreft intrigerend. Het voorwerp staat bekend als de “Zeus-krater” en kan worden gedateerd in de vroege veertiende eeuw. Aan de voor- en achterkant staan octopussen, een standaardmotief waar wij vandaag geen aandacht aan hoeven besteden. Het gaat om de strijdwagen die is afgebeeld onder een van de oren. Er staan twee mannen in, maar er is een derde persoon afgebeeld: onder het paard staat nog een krijger, die de strijd lijkt te willen aanbinden. Een vierde persoon, gekleed in een lang gewaad, staat helemaal rechts, vóór de wagen. Dat is de figuur waar het om gaat.
Beeldje van een gehoornde godheid uit Enkomi (Cyprusmuseum, Nicosia)
Nog even een voorwerp uit het Cyprusmuseum in Nicosia: het mooiste museum waar ik in tijden ben geweest, vooral om een oogstrelende collectie puntgaaf bewaard aardewerk. Daarover zal ik het nog hebben. Vandaag schrijf ik over een bronzen beeldje, iets meer dan een halve meter hoog, dat is gevonden in Enkomi.
Dat vond ik op Cyprus de interessantste opgraving. Het gaat om een stad die in de Bronstijd – dus zeg maar het tweede millennium v.Chr. – bloeide dankzij de handel in koper, dat hier werd verscheept naar Byblos en Ugarit aan de kust van de Levant. Ook de Hittieten en Egyptenaren moeten tot de handelspartners hebben behoord. In de veertiende en dertiende eeuw legden ook Mykeense Grieken in Enkomi aan. Misschien heette de stad Alashiya, de naam van een koninkrijk op Cyprus dat in Egyptische, Hittitische, Akkadische, Ugaritische en Mykeense teksten wordt genoemd. Het verhaal van Wen-Amun eindigt er.
Cyprus, het kopereiland, heeft altijd handelaren en kolonisten aangetrokken van de omringende drie werelddelen. In de Late Bronstijd, die zo rond 1600 v.Chr. begon, was het een belangrijk knooppunt in een internationaal handelsnetwerk. Een eeuw later keken de Cyprioten de kunst van het schrijven af van hun westerburen, de Kretenzers en rond 1400 v.Chr. zien we een toename van importen uit het nog net wat verderop gelegen Mykeense Griekenland. De handel is gedocumenteerd in de Griekse Lineair-B-teksten.
Tegen het einde van de dertiende eeuw v.Chr. verkeerde dat Mykeense Griekenland echter in een crisis waarin de paleisburchten werden verwoest en verlaten. Het lijkt erop dat verschillende Mykeense aristocraten naar Cyprus verhuisden, de route volgend van hun handelscontacten. Ze waren echter niet de enige migranten: dit was de tijd van de “Zeevolken”, die in Egypte werden verslagen door koning Ramses III maar die elders steden als Hattusa (in Anatolië) en Ugarit (in Syrië) vernietigden. De Bronstijd liep in de twaalfde eeuw ten einde.
Badkuip uit Oud-Pafos (District Archaeological Museum)
Een badkuip, die hebben we nog niet gehad in onze inmiddels toch vrij lange reeks blogstukjes over museumvoorwerpen. U vroeg zich natuurlijk al af waarom ik u museaal sanitair al die tijd heb onthouden. Ik weet het ook niet, maar ik weet het goed met u gemaakt en zal u niet zomaar een badkuip tonen. Dit is namelijk wél even een badkuip uit het Cypro-Geometrisch I. Eat that.
En die badkuip vertelt een klein verhaaltje. Na de ondergang van de Mykeense paleisburchten in Griekenland vestigden groepen Grieken zich in het westen van Cyprus. Hun aardewerk namen ze mee, zodat archeologen voorwerpen die ze in Griekenland rekenen tot de zogeheten “submykeense periode” (pakweg de tweede helft van de elfde eeuw v.Chr.) in Cyprus vinden met voorwerpen die ze rekenen tot het “Cypro-Geometrisch I”. Deze badkuip, gevonden in een warrior burial bij Oud-Pafos (Kouklia), documenteert deze beginnende Griekse aanwezigheid op Cyprus.
Als er een Trojaanse Oorlog is geweest, zijn er strijdwagens ingezet (Nationaal Museum, Beiroet)
[Het laatste stukje in mijn kerstserie over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]
Eerst maar even een samenvatting van wat we tot nu toe hebben bezien. In de eerste plaats: dé ontdekking van Heinrich Schliemann was de Egeïsche Bronstijdcultuur, ergens tussen 1600 en 1200 v.Chr. Deze mensen spraken Grieks, zoals we zagen door de ontcijfering van het Lineair-B. Verder hebben we gezien dat archeologen vaststelden dat er in Troje allerlei bewoningslagen zijn, waarvan er twee in aanmerking komen het Homerische Troje te zijn geweest:
het prachtige Troje VI, dat rond 1300 v.Chr. ten onder is gegaan door een aardbeving,
en Troje VIIa, dat door mensenhanden is verwoest rond 1190 v.Chr., op een moment waarop de Mykeense Grieken geen expeditie meer konden uitvoeren.
Dat is een behoorlijk probleem. Het Hittitische materiaal (1, 2, 3) leverde het inzicht op dat de op een steile heuvel gelegen stad ooit Wiluša en Taruwiša heeft geheten, geregeerd is geweest door een koning Alaksandus en de god Apalliunas heeft vereerd. Het leverde ook voldoende aanwijzingen op voor een Trojaanse Oorlog. Om precies te zijn: voor vier min of meer Trojaanse Oorlogen.
[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]
Rond 1983 werd de Manapa-Tarhunta-brief gevonden. De inhoud lag in het verlengde van wat al bekend was over de relaties tussen de Hittieten en het westen: het bevestigde een paar zaken en voegde er nog wat aan toe. Ik zal het totaalbeeld in het volgende stukje schetsen. De crux is dat een Hittitische leger oprukt naar Wiluša en daarbij eerst het zogeheten Seha-land aandoet. Omdat dit de vallei is van een van de rivieren in het westen van het huidige Turkije, moest Wiluša dus in die richting liggen en eigenlijk was alleen het noordwesten van mogelijk. Steeds meer wetenschappers accepteerden nu Forrers vermoeden dat Wiluša gelijk was aan Troje.
De geografische aanwijzing was niet de eerste. Welbeschouwd lag het bewijsmateriaal al een tijdje op tafel, maar soms is een zetje nodig om het te aanvaarden. Om te beginnen was er de dubbele naamovereenkomst: het Wiluša en Taruwiša uit de Hittitische bronnen correspondeerden met het Ilios en Troia uit de Griekse teksten. Blijkbaar had de stad twee namen. Er was de naam van de koning, Alaksandus, die sterk lijkt op de naam van de Homerische held Alexandros, en bovendien was er de naam Apalliunas, die overeenkomt met de Apollo die in de Ilias de stad beschermt.
Aardewerk uit Troje VI, de stad van de Trojaanse Oorlog (Archeologisch Museum van Istanbul)
[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]
Archeologen kunnen aan de stratigrafie van hun vondsten afleiden wat ouder en en wat jonger is. Dit heet de “relatieve chronologie” en die is voor de Griekse Bronstijd voldoende robuust. Het is echter veel leuker als we de inzichten ook kunnen koppelen aan een kalenderjaar, al is het maar bij benadering. Om deze “absolute chronologie” vast te stellen, was er lange tijd niets beters dan zogeheten “kettingdatering”. Als op het Griekse vasteland een bepaald soort aardewerk werd gevonden – laten we zeggen Laat-Helladisch IIIb – dat ook bekend was van Cyprus, en daar werd aangetroffen in combinatie met Egyptisch aardewerk, dat op zijn beurt weer ergens was gevonden in combinatie met een scarabee met de naam van een farao, kun je aannemen dat LH IIIb werd gemaakt tijdens of ná die farao. Aangezien de regeringsjaren van de Egyptische koningen redelijk bekend zijn, kunnen we het Griekse aardewerk dateren door de schakel van de Mykeense cultuur te laten grijpen in de schakel van Cyprus in de schakel van Egypte. Vandaar: kettingdatering. De methode is bedacht door de op deze kleine blog al eens beschreven Oscar Montelius.
[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier, maar ik begin hieronder met een samenvatting.]
Ik heb u gisteren verteld hoe de negentiende-eeuwse Britse oudhistoricus George Grote had beargumenteerd dat de Trojaanse Oorlog niet kon hebben plaatsgevonden: de Griekse stadstaten waren maar nauwelijks in staat geweest hun eenheid te bewaren ten tijde van Xerxes’ invasie, dus het was onwaarschijnlijk dat in een veel primitievere tijd een paar armzalige Griekse dorpen zich wél zouden hebben kunnen verenigen in een grootscheepse overzeese expeditie. De Duitse miljonair Heinrich Schliemann had echter de Griekse Bronstijd ontdekt: er waren machtige burchten geweest waarin krijgers hadden gewoond. Niks primitieve tijd, niks armzalige dorpen. De ontcijfering van het Lineair-B bevestigde dat het Mykeense Griekenland veel geavanceerder was geweest dan vóór Schliemann aangenomen was geweest.
Schliemann had aan het einde van zijn leven geopperd dat Troje VI de stad moest zijn geweest waaraan Homeros had gedacht toen hij de Ilias schreef. Een kleine halve eeuw later had de Amerikaanse archeoloog Carl Blegen echter vastgesteld dat Troje VI rond 1300 v.Chr. door een aardbeving was verwoest, ruwweg toen de Mykeense paleisburchten op het Griekse vasteland bloeiden, maar dat Troje VIIa rond 1260 door mensenhanden was verwoest in de nadagen van de Mykeense beschaving. De Trojaanse Oorlog zélf was echter nog altijd zoek, maar het Hititische materiaal leek enkele verrassingen te bieden.
Teksten als deze uit inscriptie van Suppiluliuma II uit Hattusa wierpen licht op de Trojaanse Oorlog.
[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]
De Hittieten waren lange tijd alleen bekend uit de Bijbel, waarin ze verschillende keren worden genoemd. Uit die beschrijvingen valt af te leiden dat ze ergens tussen de rivier de Eufraat en het Libanongebergte woonden en een machtig volk waren: volgens 2 Koningen 7.6-7 was het geluid van de nadering van de Hittitische koning al voldoende om Israëls vijanden op de vlucht te doen slaan.
Met de ontcijfering van het hiërogliefenschrift begon daar informatie bij te komen. Uit de historische verslagen van de farao’s van de Achttiende en Negentiende Dynastie bleek dat zij contact hadden met de bewoners van het land “Cheta”, ergens in het noorden. In zijn vijfde regeringsjaar (1274 v.Chr.) zou Ramses II de Hittieten hebben verslagen in de Slag bij Kadesh, en in zijn eenentwintigste regeringsjaar (1258 v.Chr.) had hij vrede met hen getekend. Spijkerschriftteksten bevestigden dat ook de Assyriërs de Hittieten kenden. Ze onderhielden in deze tijd contacten met de stad Karchemis in “het land Hatti”.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.