De grote rivieren voor het graven van de Gelderse IJssel; in groen de grenzen van de gouw Hamaland.
Nu ik regelmatig in Zutphen werk – op het moment dat dit stukje geautomatiseerd online gaat worstel ik om een trein te halen – raak ik ook geïnteresseerd in het verleden van Gelderland. Over Erve Eme schreef ik al, het belangrijke Living History-park dat een van de weinige plekken is dat ons eigen, Frankische verleden documenteert. Als vanzelf raakte ik ook geïnteresseerd in het verdere verleden, toen de Chamaven in dit gedeelte van Nederland woonden. Ze zijn weinig meer dan een naam.
Zoals alle Germaanse stammen zijn de Chamaven vooral bekend uit Griekse en Romeinse bronnen. De eerste auteur die over hen schrijft, is de Romeinse historicus Tacitus, die hun land van herkomst ergens ten noorden van de Beneden-Rijn situeert.
De Saalburg is de moeder van alle reconstructies van de limes.
[Ik heb woensdag in Utrecht op een bijeenkomst over de Romeinse limes gesproken over de vraag hoe we wetenschapsscepsis vóór kunnen zijn. In het eerste deel legde ik uit wat wetenschapsscepsis is, in het tweede wees ik op de punten waar de limes kwetsbaar is en in het derde vertelde ik iets over het eerste van drie niveaus waarmee ik de communicatie zó zou willen aanpakken dat we scepsis vermijden.]
Het tweede niveau
Zo komen we bij het tweede niveau, waar we het wetenschappelijk proces uitleggen. Soms gebeurt dit al, zoals wanneer wordt uitgelegd wat dendrochronologie is. Tegelijk kan er meer en ik hoop dat u me toestaat dat ik verwijs naar eigen werk: in het tijdschrift dat ik redigeer, Ancient History Magazine, hebben we een vaste rubriek “How do they know?” waarin we wat dieper ingaan op de methoden. Wat is, om eens iets te noemen, een koolstofdatering en wat is een reservoireffect? De lezers reageren daar heel positief op en ik zie geen reden waarom we aan de limes deze verdieping niet eveneens zouden aanbieden.
Om een voorbeeld te geven: bij het Corbulo-kanaal wordt verteld dat Tacitus schrijft dat het is gegraven in het jaar 47 terwijl de dendro-dateringen suggereren dat het later is gebeurd. Leg maar uit waarom je uit één en dezelfde tekst de door de auteur genoemde datum niet gelooft maar de rest van zijn informatie – dat Corbulo gouverneur was, dat soldaten het kanaal groeven – kritiekloos overneemt. Op deze wijze toon je mensen iets van het oudheidkundig ambacht en maak je duidelijk dat de oudheidkundige disciplines wetenschappen zijn en dat een vakopleiding belangrijk is. Ik denk dat de Nijmeegse aquaductenkwestie vermeden had kunnen worden als het publiek duidelijker geïnformeerd was geweest over de aard van de oudheidkundige bewijsvoering – dat het bewijs voor de aanwezigheid van een aquaduct niet was gebaseerd op aanwezige data maar op vergelijking.
De fundamenten van een toren bij de poort van het limes-fort te Aardenburg
[Ik heb woensdag in Utrecht op een bijeenkomst over de Romeinse limes gesproken over de vraag hoe we wetenschapsscepsis vóór kunnen zijn. In het eerste deel legde ik uit wat wetenschapsscepsis is en in het tweede wees ik op de punten waar de limes kwetsbaar is.]
Een informatie-overaanbod
Terwijl er steeds meer hoogopgeleiden komen, mensen die scherpe kritiek kunnen formuleren én de wegen kennen om het de wetenschap moeilijk te maken, is de limes een betrekkelijk nieuw project, met enkele hierboven beschreven kwetsbaarheden. Gelukkig zijn we niet de enigen die te maken hebben met wetenschapsscepsis en is er, vanuit de wetenschapscommunicatie en -journalistiek, verkend hoe we daarmee moeten omgaan. In feite is de vraag “waarom geloven mensen niet zomaar wat de wetenschap zegt?” de prikkel geweest voor de professionalisering van de diverse vormen van voorlichting.
Even nep als de limes-reconstructies: de citadel van Veliko Tarnovo (Bulgarije)
[Ik heb woensdag in Utrecht op een bijeenkomst over de Romeinse limes gesproken over de vraag hoe we wetenschapsscepsis vóór kunnen zijn. In het eerste deel legde ik uit wat wetenschapsscepsis is.]
Gerechtvaardigde argwaan
De limes is een betrekkelijk jong project. Een kwart eeuw geleden hadden nog maar weinig mensen ervan gehoord. Het woord viel ergens in de erfgoedwetgeving, dus helemáál onbekend was hij niet, maar er was een Commissie Van Oostrom voor nodig om de limes te doen inburgeren: de Romeinse Rijksgrens is een van de vijftig “vensters” op het verleden in de canon van de Nederlandse geschiedenis.
Ik geloof niet dat de limes op dit moment diepgevoelde weerzin oproept, maar het project is kwetsbaar voor al dan niet terechte kritiek. Ik wil nu enkele kwetsbaarheden noemen en de eerste daarvan is dat de oudheidkunde als geheel kwetsbaar is geworden. Er zijn teveel idiote dingen gebeurd: de claims van de Israëlische archeologen die inmiddels zó vaak het gelijk van de Bijbel opgroeven dat zelfs de Evangelische Omroep niet meer gelooft dat archeologie een serieus te nemen vak is, de hypes rond Amfipolis en het graf van Nefretite, de “special pleading” om Hannibal over een bepaalde Alpenpas te krijgen, de grote papyrologische schandalen van de laatste jaren (het Evangelie van de Vrouw van Jezus, de leugens over de Sapfo-papyri, de vernietiging van een kartonnage om een evangeliesnipper te bemachtigen).
De Capitolijnse Trias in het Archeologisch Museum van Xanten
Xanten: vanuit Nijmegen bezien net over de Duitse grens en interessant omdat er een complete Romeinse stad is. Of beter: vijf Romeinse nederzettingen.
Vijf nederzettingen
De Romeinen kwamen hier rond 13 v.Chr. aan. Tegenover de plek waar de Lippe in de Rijn uitmondt, bouwden ze op een lage heuvel een basis voor twee legioenen, Vetera, die nog zo’n tachtig jaar dienst zou doen. Iets naar het noorden lag een stadje: veteranen moeten immers ook ergens wonen, de graanleveranciers van het Romeinse leger moesten ook ergens slapen en de inheemse bevolking moest ook ergens leven. Het heette Cibernodurum, “markt van de Ciberni” (of Cugerni), en wellicht herkent u de analogie met Nijmegen: twee legioenen op de Hunerberg en even verderop een stadje dat Batavodurum heette, “Batavenmarkt”.
Menigeen zal weten wat het bovenstaande is: een schaal van terra sigillata, “gestempeld aardewerk”. Het is het gebruikelijke luxe-aardewerk in de Romeinse tijd en is gevonden op opgravingen van Syrië tot Schotland. Omdat de mallen waarmee het werd vervaardigd zo herkenbaar zijn en zelden heel lang mee gingen, is terra sigillata (kortweg TS) ideaal om opgravingen te dateren.
De bovenstaande schaal is zo leuk door de vindplaats: Germa, diep in de Libische woestijn. Als je vanaf de Mediterrane kust naar “zwart” Afrika reisde, was de eerste oase nog Romeins, waarna Germa de tweede halte was. Daarop volgden Ghat en nog wat oases, tot je aankwam aan de middenloop van de Niger. Romeinse kooplieden kwamen hier om goud, ivoor en wilde dieren te halen.
Soms vertelt één noot meer dan een pagina tekst. Als Ammianus Marcellinus, de auteur van een magistrale militaire geschiedenis van het Romeinse Rijk in de jaren 353-378, het heeft over een “inspecteur van de kunstschatten van Rome”, legt classicus Daan den Hengst, die de Latijnse tekst heeft vertaald in mooi Nederlands, uit dat de taken van deze functionaris onvoldoende bekend zijn maar dat hij vermoedelijk toezag op historische gebouwen en oude kunstwerken. Dat lijkt het intrappen van een open deur, maar Den Hengst wijst de lezer hier op twee wezenlijke punten: enerzijds dat voor de Romeinen van de tweede helft van de vierde eeuw bewondering voor het verleden een heel serieuze zaak was en anderzijds dat we minder weten over deze periode dan we zouden willen.
Wat we wel weten, maakt nieuwsgierig. Het was in die tijd niet meer vanzelfsprekend dat de Romeinse legers elke oorlog wonnen; de traditionele, literair-geschoolde bovenlaag maakte plaats voor een gemilitariseerde elite; het christendom won aan invloed. Weliswaar probeerde keizer Julianus (reg. 360-363) het laatste proces te remmen, maar hij kwam om het leven tijdens een veldtocht tegen het Perzische Rijk, zodat zijn poging de kerstening te vertragen zonder gevolg bleef. De titel die Den Hengst heeft meegegeven aan de Nederlandse vertaling van Ammianus’ geschiedwerk, Julianus, de laatste heidense keizer, legt een accent dat de Romeinse schrijver zelf niet legt. Toen hij rond 390 zijn boek afrondde, was het conflict allang niet meer actueel. En bovendien: Ammianus was vooral krijgshistoricus.
Vandaag eens wat Romeinse portretten en ik begin met een beeld dat de afstand tussen ons en de Romeinen illustreert: een detail van de Laokoöngroep. U zou dit beeld, indien het daar niet zo stervensdruk zou zijn, in principe kunnen zien in de Vaticaanse Musea.
Volgens de klassieke sagen had de Trojaanse priester Laokoön in de gaten dat het Trojaanse Paard vol zat met soldaten. De beeldengroep toont de doodstrijd van de slimme man en zijn zonen, die door slangen werden mishandeld. Niet dat ze iets hadden misdaan, maar het was nu eenmaal de bedoeling dat Troje ten onder zou gaan, en dus ruimden de goden de potentiële klikspaan uit de weg.
Een koekje in de vorm van een Romeins schrijftablet
Over de limes heb ik nogal gemengde gevoelens. Ik herken enerzijds het belang ervan maar zie anderzijds de schijn van een politiek project, waarin een nationaal verleden wordt ingeruild voor een pan-Europees verleden dat in Nederland nergens zichtbaar is en nooit betekenis had. Dat valt op te lossen door uit te leggen waarom de limes een betere “kapstok” is om ons antieke verleden aan op te hangen dan onze traditionele visie op het verleden, waarin de Bataafse Opstand en de Franken centraal stonden, maar de projectorganisaties hebben dat tot nu toe nagelaten. De limes is daardoor als een geschiedenis van Nederland tussen 1780 en 1830 waarin de Fransen centraal staan en niet Van der Capellen tot den Pol, Daendels, Van Hogendorp en Willem I: een Nederlandse geschiedenis zonder Nederlanders.
Lange tijd zou ik ook hebben genoemd dat de Romeinse rijksgrens, alle publiciteit ten spijt, uitsluitend naamsbekendheid heeft maar niet werkelijk leeft. Het project is top-down geparachuteerd en heeft vooral te maken met de Monumentenwet en de vijftig vensters van de historische canon. De mensen ervaren het niet als hun eigen verleden. Ik heb weleens verteld dat ik, midden tijdens de vorige Romeinenweek (een project in het kader van de limes), met iemand mailde die blij was dat er, dankzij In moerassen en donkere wouden, eindelijk weer ’ns wat met Nederland in de Romeinse tijd werd gedaan. Dat de Romeinenweek precies daarover gaat, was domweg niet aangekomen bij mijn correspondent. De informatie over de limes staat – zo heb ik althans het idee – teveel los van andere, meer doorleefde informatie over de Oudheid. Er is beslist te weinig gedaan om het conglomeraat van informatie om te vormen tot één, overtuigend, samenhangend en levensvatbaar geheel.
Het Coemeterium Maius, de “grote begraafplaats” even ten noordoosten van Rome, dateert uit de derde en vierde eeuw. Je kunt er niet in, maar aan het begin van de vorige eeuw kon dat wel en toen maakte Joseph Wilpert zijn boek Die Malereien der Katakomben Roms (1903), waaruit de bovenstaande afbeelding komt.
De wetenschappelijke studie van de catacomben stond toen, zoals men dan zegt, nog in haar kinderschoenen: eigenlijk was men er nog geen halve eeuw mee bezig. De allereerste fase was zwaar politiek beladen geweest. De liberale Italianen verenigden zich en wilden Rome als hoofdstad, de conservatieve paus was daar tegen en benutte de catacomben om te bewijzen dat allerlei vrome legenden een kern van historische waarheid hadden. Het pausdom, zo was de boodschap, was wat het altijd had beweerd en was dus door God gewild. Het was niet voor het laatst dat de oudheidkunde zich leende voor politiek misbruik.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.