Iemand legde me de vraag voor waarom er eigenlijk zo veel verschil is tussen diverse vertalingen van antieke teksten. Daar zijn verschillende verklaringen voor te geven. Hier zijn enkele factoren die ik kan bedenken.
De brontaal
De eerste is dat onze kennis van de antieke talen voortdurend groeit. Dat kan gaan om de betekenis van woorden. Zo vermeldt de Bijbel enkele keren een sjafan, wat eeuwenlang is vertaald als konijn. Omdat we tegenwoordig iets meer van de flora en fauna van het Midden-Oosten weten, weten we dat daar geen konijnen voorkwamen. We weten nu dat de betekenis van sjafan “klipdas” is.
Middeleeuwse weergave van de zeven vrije kunsten rond Vrouwe Filosofie
Ik heb de afgelopen tijd regelmatig geblogd over de opkomst van het christendom. Het is een misverstand dat de gelovigen afwijzend stonden tegenover de antieke cultuur. Zeker, de heidense goden waren alomtegenwoordig, maar de heidenen namen die ook niet al te serieus. Ik heb al weleens verteld over euhemerisme, over allegorese en over de herinterpretatie van Palaifatos: manieren om de verhalen over de oude goden een nieuwe betekenis te geven. Het christendom kon succes hebben door dit zelfde mechanisme: oude gebruiken, zoals het meenemen van gewijd water uit een heilige bron, kregen een nieuwe, christelijke betekenis.
Jeruzalem en Athene
Het aloude onderwijssysteem bleef bestaan. Een mooi voorbeeld is Augustinus, die welsprekendheid had gedoceerd en als bisschop nog altijd een populair spreker was. Toen ik onlangs in Bulla Regia was, realiseerde ik me ineens hoe populair: hij sprak daar niet in een kerk, maar in het theater. Wat ik maar zeggen wil: het christelijke publiek had niet zo heel andere verwachtingen dan het heidense publiek, en een traditionele opleiding was nog altijd relevant.
Het huis van Scaliger (Breestraat 113, Leiden), die de Indo-Europese taalfamilie op het spoor kwam.
Je zou de talen die in Europa worden gesproken in groepen kunnen verdelen, realiseerde de Leidse hoogleraar Joseph Scaliger (1540-1609) zich. Groepen van talen die op elkaar lijken. Neem bijvoorbeeld het woordje ‘god’. In het Duits luidt dat Gott, in het Engels god, in het Noors gud: groep 1. Maar het Franse woordje dieu lijkt daar in de verste verte niet op, evenmin als het Spaanse dios, het Portugese deus en het Italiaanse dio: samen vormen die groep 2. In Rusland daarentegen noemen ze het opperwezen bog, in Slowakije boh, in Polen bóg: groep 3. En wat houden we dan over? Natuurlijk het Griekse theós, een buitenbeentje dat in zijn eentje groep 4 vormt.
Het inzicht dat sommige (groepen) Europese talen meer op elkaar lijken dan andere, maar dat ze onderling weer meer op elkaar lijken dan op het Hebreeuws, Arabisch en Aramees, roept wel meteen de vraag op: wat is de verklaring daarvoor?
[Vandaag een gastbijdrage over het Arabisch van de Koran door mijn goede vriend Richard Kroes.]
De Leidse onderzoeker Marijn van Putten bewees dat de tekstoverlevering van de Koran schriftelijk moet zijn geweest. Alsof dit niet genoeg is, is hij bij mijn weten de eerste en enige die werkt aan een tekstkritische uitgave van de Koran. Maar dat is allemaal slechts bijvangst begrijp ik, nu ik zijn monografie Quranic Arabic, from its Hijazi Origins to its Classical Reading Traditions (2022, open access) gelezen heb. In deze monografie wordt de vraag “In welke taal is de Koran nu eigenlijk precies geschreven?” op een verpletterend complete manier onder de loep genomen. Ik denk dat ik niet overdrijf als ik zeg: we zijn eruit.
De bronnen
Dat kan omdat we een heleboel bronnen hebben. Voor de Koran hebben we er liefst drie:
de traditionele, canonieke reciteerwijzen van de tekst van de Koran, waarvan er twintig zijn,
citaten uit reciteerwijzen die niet canoniek zijn, maar die wel in de vroege islamitische periode door geleerden zijn opgetekend
Dat laatste wil zeggen dat niet alle klinkers werden opgeschreven (die moest je erbij bedenken) en dat niet alle medeklinkers die met hetzelfde teken werden geschreven, consequent uit elkaar gehouden werden. Die manuscripten functioneerden dus meer als een soort partituur voor wie de tekst al uit zijn hoofd kende dan als “leestekst”. Ze zijn dus ook niet altijd even bruikbaar voor wie wil weten wat de oudste teksten nu “precies” zeggen, maar daarom zijn ze nog niet onbruikbaar.
In 1995 was er een populair radiospotje waarmee men geld wilde ophalen voor het door watersnood getroffen rivierengebied. Het begon met naargeestig klokgebeier en dan kwamen de gedragen woorden “Help het zuiden. Het is een ramp”. Ik heb dat altijd een irritante commercial gevonden, want het was geen ramp. De dijken deden waarvoor ze waren: ze keerden het water. De echte ramp was bestuurlijke paniek. Natuurlijk, er zijn mensen die waterschade hebben ondervonden omdat ze woonden in een huis in de uiterwaarden van de Maas, en het is goed dat er voor hen is gecollecteerd, maar ook die mensen wisten dat een watersnoodramp toch wel wat erger is. Dit was geen Zeeland 1953 en zelfs geen Beneden-Leeuwen 1861.
Clichés en onjuiste woorden
Ik heb sindsdien een diepgevoelde aversie van alles en iedereen die meent de noodklok te moeten luiden. Bovendien ken ik meer mensen die zich aan zulke misplaatste beeldspraken storen. Een goede tekstschrijver leert zichzelf aan uitdrukkingen te vermijden waarvan hij weet dat er mensen zijn die zich eraan storen. Immers, je wil begrepen worden en als iets stoort leidt dat alleen maar af.
Ik heb wel vaker geblogd over de Lachmannmethode, waarbij classici de fouten in middeleeuwse handschriften gebruiken om te zien welke manuscript van welk manuscript is afgeleid, eventueel verloren handschriften te reconstrueren en zo het origineel zo dicht mogelijk te benaderen. Als van de bladeren van een boom werk je via de takken terug naar de stam; zo werkt de classicus van de concreet voorhanden zijnde data terug naar verloren informatie. Dat de methode correct is, weten we doordat in de Egyptische woestijn papyri zijn teruggevonden met daarop teksten zoals ze volgens de reconstructie moesten zijn.
Dit idee, dat je aan de hand van wat je in het heden vindt terug kunt redeneren naar wat er vroeger moet zijn geweest, staat bekend als de fylogenetische stamboom. Die term komt uit de biologie: van de huidige diersoorten kunnen we terugredeneren naar uitgestorven voorouder-diersoorten. Ik heb me ooit door een bioloog laten vertellen dat de methode ook hier correct is gebleken: sommige vormen waarvan men had beredeneerd dat ze bestaan moesten hebben, zijn in fossiele vorm teruggevonden.
Zomaar een Latijnse inscriptie uit Timgad, vooral omdat ik de letters zo elegant vind.
Marc van Oostendorp had gisteren een aardig stukje over Nederlands Latijn. Er zijn mensen die vinden dat we bij het gebruik van Latijnse woorden in onze eigen taal ook de Latijnse regels moeten volgen. Van Oostendorp citeert iemand die de moeite nam een Nederlandse fotografieclub te schrijven dat ze zich beter geen Bellus Imago (“mooi plaatje”) konden noemen, omdat imago een vrouwelijk woord is en het eigenlijk bella zou moeten zijn. Wat een Romein overigens nog steeds vreemd zou vinden. Het lijkt een latinisering van het Franse belle image.
Maar het volgen van de Latijnse regels is geen wet van Meden en Perzen. Je kunt ook beargumenteren dat een leenwoord, als het eenmaal uit de uitlenende taal is vertrokken, zijn grammaticale regels achterlaat en zich aanpast aan de lenende taal. We zeggen ook dat iets is gehypet, waarbij we het Engelse hype gebruiken als een Nederlands woord. Er is geen bindende reden waarom wij ons zouden moeten houden aan de Latijnse regels.
Net als u en de classici die ik weleens spreek lig ik niet werkelijk wakker van deze kwestie. Ook Van Oostendorp lijkt het eerder curieus dan problematisch te vinden dat iemand die zichzelf typeert als een ooit volijverige gymnasiast zózeer aanstoot neemt van Bellus Imago dat hij de fotoclub een brief schrijft en zelfs een psychologisch profiel opstelt van de fotografen, die zouden hechten aan het prestige van het Latijn maar die taal in feite minachten.
Omdat ik woensdag een praatje houd over wetenschapsbloggen, meer in het bijzonder over uitleg van de methode, besprak ik afgelopen weekend mijn activiteiten met een paar mensen, en iemand wees me erop dat uitleg weleens een soort opstapeling is: soms kun je pas over iets bloggen als je bepaalde basiskennis kunt aannemen bij de lezers.
Ik herken het: regelmatig krijg ik reacties die duidelijk maken dat mensen eerdere stukken niet kennen. Je kunt dat redelijkerwijs ook niet verwachten. Des te leuker is het natuurlijk als iemand me eraan herinnert dat ik eerder iets anders heb beweerd, wat ik ook regelmatig meemaak.
Vandaag stapel ik maar eens een stukje op een eerder stukje: namelijk hierop, een blogje over de Lachmann-methode, de manier waarmee classici aan de hand van de fouten in middeleeuwse handschriften de tekst reconstrueren (“constitueren”) die antieke auteurs hebben geschreven.
Een deel van het linnen boek van Zagreb (Archeologisch museum, Zagreb)
Zoals ik al aangaf, heeft het Archeologisch Museum van Zagreb veel moois te bieden. Eén van de beroemdste stukken is de Zagreb Mummie. Die is in de negentiende eeuw ooit eens “afgewikkeld”. In het museum ligt nu een dode Egyptenaar tentoongesteld – wat ik eerlijk gezegd smakeloos vind – en daarnaast zijn de windsels te zien. Die bleken afkomstig uit een boek met linnen bladzijden waarop een Etruskische tekst te lezen stond. Hierboven een foto van het Liber linteus, het linnen boek.
Van het Etruskisch begrijpen we onvoldoende, al is het minder mysterieus dan wel wordt aangenomen en is duidelijk dat de tekst die via Egypte in Zagreb is beland, een religieus karakter heeft. Welke problemen zijn er zoal bij het doorgronden van een antieke taal?
[Vandaag een gastbijdrage van mijn goede vriend Richard Kroes, die heel veel weet van oosterse talen en wiens blog u ook eens moet bekijken.]
Vanavond is de officiële presentatie van een boek dat ik stiekem al gelezen heb: De eerste wereldtaal, de geschiedenis van het Aramees van Holger Gzella, professor Hebreeuwse en Aramese Taal- en Letterkunde in Leiden, uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. Ik kreeg de proefdrukken toegestuurd en heb het boek direct verslonden. Aramees, dat kent u als de taal die Jezus sprak. Gzella krijgt regelmatig een vraag om uitspraken van de timmerman uit Nazareth in het Aramees. Voor een tatoeage.
Op dergelijke vragen gaat hij doorgaans niet in, want hoe Jezus zijn moerstaal sprak, daar weten we eigenlijk niet heel veel van. Het Aramees dat we kennen uit de periode waarin hij leefde, is de Aramese schrijftaal uit de Dode Zee-rollen, en dat sprak de gewone bevolking niet. Arameese spreektaal kennen we wel: het Palestijns Aramees, maar de bronnen daarvoor zijn van enkele eeuwen daarna. En dan weten we bovendien nog dat Jezus sprak met een Galilees accent, waar we helemáál niks over weten.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.