Vanaf volgende week ligt Goden en halfgoden in de winkel, de eerste Nederlandse vertaling van de fragmenten van de Fenicische Geschiedenis van de Fenicisch-Grieks-Romeinse auteur Filon van Byblos. De vertaler is Hein van Dolen, dus dat is allemaal tiptop voor elkaar, en ik ben degene die de vertaalde fragmenten probeert uit te leggen. Nu is Filon een volstrekt onbekende auteur. Ik was nét begonnen dit blogje te schrijven toen een bekende oudheidkundige me belde, en die vertelde me tussen neus en lippen door nog niet eerder van Filon (en Berossos) te hebben gehoord. Waarom verdient Filon wat meer aandacht?
1
De overgeleverde fragmenten documenteren de mythen die ooit circuleerden in Kanaän en Fenicië. Dit is de wereld waarin het jodendom is ontstaan, en Filon helpt begrijpen tegen wie de eerste monotheïsten zich afzetten. Misschien niet heel vaak, maar het is in elk geval informatie die afkomstig is van een auteur die nog niets wist van het rabbinaat. Dat is een ongebruikelijk en daarom belangrijk perspectief.
Afdruk van een zegel met een scène uit een van de mythen van Mesopotamië (Louvre, Parijs)
Ergens in de zesde eeuw v.Chr. begonnen de mensen te twijfelen aan de goden. Misschien deden ze dat eerder ook, maar daarover hebben we geen geschreven bronnen. Een joodse auteur haalde uit naar “goden van zilver en goud, gemaakt door mensenhanden”, die weliswaar een mond en ogen hadden maar niet konden spreken of zien.nootPsalm 115.4-5. Een van zijn tijdgenoten, de Griek Xenofanes, constateerde dat de Ethiopische goden platte neuzen hadden en een zwarte huid, terwijl de Thraciërs zeiden dat hun goden blauwe ogen en rood haar hadden. Als dieren zouden kunnen tekenen, insinueerde Xenofanes, zagen hun goden eruit als runderen, paarden of leeuwen.noot Xenofanes, fragment 16. Een derde tijdgenoot, Pythagoras, beweerde dat de dichters Homeros en Hesiodos in de Onderwereld werden bestraft omdat ze feitenvrije verhaaltjes over het goddelijke hadden opgehangen.noot Vgl. Diogenes Laertios, Levens van de filosofen 8.21.
Rationalisering
Tja, die verhaaltjes. De mensen hielden van hun mythen, maar het was waar: die aloude vertellingen waren wel erg vreemd. De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos toonde een manier om er desondanks mee verder te gaan: sommige mythen vielen te lezen als beschrijvingen van de natuur. Ik heb op deze blog al eens verteld dat hij een mythe over Poseidon als schepper van het Tempe-ravijn combineerde met het feit dat deze godheid “aardschokker” werd genoemd, en dat Herodotos redeneerde dat de mythe ging over een aardbeving.noot Herodotos, Historiën 7.129. Deze manier om mythen te lezen is in de achttiende eeuw in West-Europa weer opgepakt, en je hoort nog weleens beweren dat mythen dienden om de natuur te verklaren.
Georg Heinrich Pertz (1795-1876) was niet zomaar een historicus. Hij was de directeur van de Monumenta Germaniae Historica, een reeks met alle op Duitsland betrekking hebbende teksten uit de Oudheid en Middeleeuwen. Iemand met een uitgebreide correspondentie, want regelmatig meldden mensen hem materiaal dat mogelijk interessant kon zijn. Hij keek dus niet op toen hij op 18 oktober 1835 een brief kreeg van een Portugese edelman, João Pereiro, die vertelde dat in het klooster van Santa Maria de Merinhão een manuscript lag met alle negen boeken van de Fenicische geschiedenis van Sanchouniathon in de vertaling van Filon van Byblos.
Dit was spektakel. Er waren immers maar een paar fragmenten van deze tekst bekend. Een complexe tekst, met veel problemen, waarover ik al eerder blogde en waarover Hein van Dolen en ik in 2025 een boek hopen te publiceren. De belangrijkste kwestie is dat Filon van Byblos weliswaar voorgeeft een oeroude Fenicische tekst van ene Sanchouniathon te hebben vertaald, maar dat deze tekst zogeheten euhemerische ideeën bevatte die niet voor pakweg 300 v.Chr. zijn gedocumenteerd. Het is een mystificatie. Evengoed waren de overgeleverde fragmenten interessant genoeg om te doen verlangen naar meer. Pertz zelf had er voor zijn project weinig aan, maar vertelde het aan een krant. Het nieuws was daar.
Friedrich Wagenfeld
In november schreef Pereiro een tweede brief, dit keer naar een hem via een wederzijdse kennis bekende jonge geleerde, de vijfentwintigjarige Friedrich Wagenfeld uit Bremen. Het ging om in totaal dertien nieuw-ontdekte oude teksten en Wagenfeld kreeg toestemming om delen van de Fenicische geschiedenis alvast te publiceren. De rest kwam later, als de financiën met het klooster waren geregeld. Wagenfeld toog meteen aan het werk. Hij had een patroon nodig en schreef Georg Friedrich Grotefend aan, de man die er als eerste in was geslaagd delen van het Perzische spijkerschrift te lezen. Die wilde zijn gewicht wel in de strijd gooien en bovendien: hij woonde in Hannover, kon ook Pertz erbij betrekken en dan kon het hele project snel naar de uitgever van de Monumenta.
Die winter vertaalde Wagenfeld de delen van het manuscript die hij in handen had gekregen. Al in januari 1836 kon zijn vertaling naar de uitgever. Uit de correspondentie blijkt dat Wagenfeld ook twee middeleeuwse handschriften uit Portugal had ontvangen, die Pertz’ belangstelling hadden.
Terwijl de uitgever het boek zette, schreef Grotefend een enthousiast voorwoord. En zo verscheen in juni 1836 alvast de Duitse vertaling van Sanchuniathon’s Urgeschichte der Phönizier in einem Auszuge aus der wieder aufgefundenen Handschrift von Philo’s vollständiger Übersetzung. Er zat een afbeelding bij van het oorspronkelijke, Griekse handschrift; verder was er commentaar van Wagenfeld. De lezers vonden parallellen tussen de tekst van Sanchouniathon en de Bijbelboeken Genesis en Ezechiël, het werd duidelijk dat er handelscontacten waren geweest met Sri Lanka, en ook de familie van Sanchouniathon kwam in beeld. Hij zou in het midden van de negende eeuw hebben geleefd.
Skepsis
Niet iedereen was echter overtuigd. Als iets te mooi is om waar te zijn, is het immers meestal ook niet waar. Zie in onze tijd het Evangelie van de Vrouw van Jezus. In de negentiende eeuw wist men dat ook. Een van degenen die lont rook, was Franz Carl Movers, die voor die tijd veel wist van het oude Fenicië en in het najaar in het Jahrbuch für Theologie und christliche Philosophie een artikel publiceerde waarvan de titel niets aan duidelijkheid te wensen overliet: “Die Unächtheit der im Eusebius enthaltenen Fragmente des Sanchoniathon bewiesen”.
Movers was niet de enige of eerste criticus. Diverse geleerden wezen erop dat de persoonsnamen in het nieuwe boek allemaal waren te vinden in de in 1835 gepubliceerde Paläolographische Studien über phönizische und punische Schrift van Wilhelm Gesenius, net als Movers een kenner. Een geleerde uit Bremen, Schmidt, had Wagenfeld enkele keren gesproken en had nogal wat inconsistenties in zijn verhaal geconstateerd.
Al in september verscheen bij de uitgever die Wagenfelds vertaling had gepubliceerd een brochure: Die Sanchuniathonische Streitfrage. De auteur beschikte over de twee brieven van Pereiro en acht brieven van Wagenfeld. Wonderlijk genoeg waren die geschreven op hetzelfde papier, hoewel Pereiro toch in Portugal woonde. De auteur van de brochure had ook achterhaald dat er geen klooster van Santa Maria de Merinhão was en dat de naam “Pereiro” wel heel vreemd was – Pereira zou hebben gekund, maar Pereiro, nee. Pikant detail: de auteur van de brochure was de zoon van Grotefend.
Geheime provenance
Hoe zat de vork nu wel in de steel? Was Wagenfeld een vervalser? Hij had de schijn tegen, maar dat hij brieven had vervalst, wilde natuurlijk niet zeggen dat ook het Griekse manuscript dat hij zei te hebben vertaald, niet bestond. Philip Christiaan Molhuysen, de directeur van het Athenaeum in Deventer, wees er in oktober 1836 in Vaderlandsche letteroefeningen op dat Wagenfeld
… wel eenen Codex onder zich kan hebben, geschreven op parkement omstreeks de 13de eeuw … Wij kunnen ons voorstellen, dat hij met de plaats, van waar, en de wijze, op welke het handschrift in zijn bezit gekomen is, om zeer gegronde redenen, niet voor den dag wil komen, en daarom zoo wel den Overste Pereira en deszelfs brieven, als het klooster … verdicht heeft.
Een geheime provenance is een rode vlag. Hedendaagse academische gedragscodes verbieden de publicatie van gestolen data niet zonder reden. Maar in de negentiende eeuw vonden wetenschappers het niet zo erg erfgoed weg te nemen, dus Wagenfeld had een voor die tijd geloofwaardig voorwendsel.
De afloop
En zo kwam het dat Wagenfeld in 1837 de volledige Griekse tekst, met een Latijnse vertaling kon publiceren: Sanchoniathonis Historiarum Pheniciae Libros Novem. Dit keer niet meer bij de uitgever in Hannover, die zijn handen ervan aftrok, maar in Bremen.
Nu was het Karl Otfried Müller (1797-1840) die in de pen klom – nog zo’n negentiende-eeuwse supergeleerde. En zijn oordeel was vernietigend. Hij wees op een groot aantal fouten, maar was verder opvallend positief. De vervalsing was bewonderenswaardig knap gemaakt, was geschreven in een Grieks dat geloofwaardig leek op dat van Filon en wist de toon van de antieke geschiedschrijvers goed te treffen. En laten we eerlijk zijn: het is grappig om een mystificatie te maken rond een tekst die zelf al mystificatie is.
Friedrich Wagenfeld publiceerde in 1845 nog een onderhoudend Bremens Volkssagen (nog steeds leverbaar) en overleed een jaar later, op 26 augustus 1846, zesendertig jaar oud.
Middeleeuwse weergave van de zeven vrije kunsten rond Vrouwe Filosofie
Ik heb de afgelopen tijd regelmatig geblogd over de opkomst van het christendom. Het is een misverstand dat de gelovigen afwijzend stonden tegenover de antieke cultuur. Zeker, de heidense goden waren alomtegenwoordig, maar de heidenen namen die ook niet al te serieus. Ik heb al weleens verteld over euhemerisme, over allegorese en over de herinterpretatie van Palaifatos: manieren om de verhalen over de oude goden een nieuwe betekenis te geven. Het christendom kon succes hebben door dit zelfde mechanisme: oude gebruiken, zoals het meenemen van gewijd water uit een heilige bron, kregen een nieuwe, christelijke betekenis.
Jeruzalem en Athene
Het aloude onderwijssysteem bleef bestaan. Een mooi voorbeeld is Augustinus, die welsprekendheid had gedoceerd en als bisschop nog altijd een populair spreker was. Toen ik onlangs in Bulla Regia was, realiseerde ik me ineens hoe populair: hij sprak daar niet in een kerk, maar in het theater. Wat ik maar zeggen wil: het christelijke publiek had niet zo heel andere verwachtingen dan het heidense publiek, en een traditionele opleiding was nog altijd relevant.
Het is bizar maar waar: ik bestelde onlangs op zaterdagmorgen een boek bij een uitgever in Parijs, en het was er op maandagavond, tegen een alleszins schappelijk posttarief. Voor het boek betaalde ik ook al een prijs die je vrijwel redelijk zou kunnen noemen. Ik heb het over de nieuwe tekstuitgave van de hellenistische auteur Euhemeros. Het boek, Évhémère de Messène: Inscription sacrée (2022), gaat terug op het proefschrift waarmee Sébastien Montanari in Tours promoveerde bij Bernard Pouderon.
Euhemeros
En het was een feest om te lezen! In een uitgebreide introductie vernemen we de voornaamste biografische details over Euhemeros: hij kwam uit Messina, schreef De heilige inscriptie en sleet begin derde eeuw v.Chr. zijn oude dagen in Alexandrië. Montanari en Pouderon menen dat Euhemeros, zoals deze zelf schrijft, aan het hof van koning Kassandros van Macedonië verbleef en werkelijk een tocht over de Indische Oceaan heeft gemaakt. Dit overtuigde mij niet maar is verder onbelangrijk, omdat het verslag sowieso grotendeels erkende fictie is.
Mot, de antiheld uit het Fenicische scheppingsverhaal (relief uit Ugarit; Archeologisch museum van Aleppo).
U heeft nog ongeveer een week om naar de Byblos-tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden te gaan. Misschien is het leuk nog één keer over Byblos te bloggen en daarvoor neem ik nog een citaat uit de Fenicische Geschiedenis van Filon van Byblos. De expositie legt de nadruk vooral op de Bronstijd, wat een perfect te verantwoorden keuze is, maar bij elke keuze vallen dingen overboord. Zoals de aanwijzingen die we hebben voor de godenverhalen die circuleerden.
Aanwijzingen. Méér is het niet. Over Filon heb ik al verteld dat hij een Griekstalige Romein was die schreef over het oude Fenicië. Zijn geschiedwerk bevatte euhemeristische delen, dat wil zeggen dat Filon – op gezag van een eerdere auteur Sanchouniathon? – de goden presenteerde als verdienstelijke stervelingen. Dit is een hellenistische interpretatie van de aloude mythen, maar dat laat onverlet dat die mythen dus wel ouder zijn en kunnen teruggaan op de IJzer- of Bronstijd.
Een Fenicisch schip en een zeemonster (Nationaal Museum, Beiroet)
Ik stelde Filon van Byblos al aan u voor: levend in Byblos in de tweede eeuw na Chr. schreef hij een Fenicische Geschiedenis waarin hij een rationele verklaring gaf voor de oude mythen. De goden van weleer waren niets anders geweest dan verdienstelijke koningen en andere stervelingen. Deze visie staat bekend als euhemerisme, vernoemd naar een zekere Euhemeros van Messina. Daarover blogde ik een week of drie geleden.
Het is misschien aardig eens te zien hoe Filon van Byblos al die verdienstelijke stervelingen behandelt. Of beter: we kennen zijn verhaal alleen uit citaten, en ik neem aan dat bisschop Eusebios, die het navertelt, wat heeft bekort. Hier zijn Eusebios’ woorden, in de vertaling die Hein van Dolen voor de gelegenheid heeft gemaakt.
Een oeroud beeldje uit Byblos (nu te zien in het Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
Een tijdje geleden stelde ik Filon van Byblos aan u voor. Hij leefde in de tweede eeuw na Chr. en schreef een Geschiedenis van Fenicië. Die is alleen bekend uit citaten bij de christelijke auteur Eusebios, maar de zeven of acht passages zijn voldoende om te constateren dat Filon een zogenoemde euhemerist was. Euhemerisme (vernoemd naar een zekere Euhemeros van Messina) wil zeggen dat een auteur, in een tijd waarin geletterde Grieken zochten naar rationele verklaringen voor de aloude mythen, de goden probeerde te typeren als verdienstelijke stervelingen. Alexander de Grote was het prototype van iemand die dankzij indrukwekkende werken goddelijke eerbewijzen had verworven.
Rationele mythen
Het is een intrigerend verschijnsel, dat euhemerisme. Het dilemma snappen we: je herkent dat de oude mythen ongeloofwaardig zijn maar wil ze ook niet als betekenisloos opgeven. Dan zoek je een rationele manier om ze anders uit te leggen. Je kon dan bijvoorbeeld een natuurwetenschappelijke verklaring geven: als Poseidon ook wel de “aardschokker” heette en als er een mythe was dat hij een kloof had vervaardigd, dan zou wel een aardbeving bedoeld zijn geweest. Of je kon een verhaal weg-allegoriseren, waarbij je een diepe, verborgen betekenis aannam. Het overspel van Ares en Afrodite was dan geen verhaal over ontucht maar bracht tot uitdrukking dat de kosmos ontstond door de afstoting en aantrekking van atomen. Euhemerisme was, naast de natuurwetenschappelijke en allegorische uitleg, een derde strategie.
Een tijdje geleden blogde ik over de Grieks-Romeinse auteur Filon van Byblos, een tijdgenoot van keizer Hadrianus. Samenvattend: Filon schreef een achtdelige Geschiedenis van Fenicië, die we kennen uit citaten bij latere auteurs, zoals de Voorbereiding tot het Evangelie van bisschop Eusebios. Hierdoor weten we dat Filon gebruik maakte van een oud overzicht van de oosterse mythologie, dat zou zijn geschreven door ene Sanchouniathon.
Filon van Byblos of Sanchouniathon?
Wat Filon over die bron vertelt, geeft ons reden om te aarzelen. Sanchouniathon zou bijvoorbeeld hebben geleefd vóór de Trojaanse Oorlog en aan de oeroude verhalen een rationele uitleg hebben gegeven. Die rationalisering bestond uit euherisme, dat wil zeggen dat Sanchouniathon de goden presenteerde als koningen van vroeger. Dit is een in de vierde eeuw v.Chr. doorgebroken manier om te kijken naar inmiddels vreemd geworden oude mythen. Zo kon Alexander de Grote de Indische goden moeiteloos gelijkstellen aan Dionysos en Herakles. Dat waren in deze visie koningen als hij, die ook waren getrokken door de Indusvallei.
De mythe van Baäl en Mut uit Ugarit (Louvre, Parijs)
In de eerste helft van de tweede eeuw na Chr. publiceerde een zekere Filon van Byblos een Geschiedenis van Fenicië. Het werk, dat gebaseerd zou zijn op een ouder overzicht van de oosterse mythologie van een zekere Sanchouniathon, is vrijwel geheel verloren gegaan, maar was bekend aan auteurs als Porfyrios en Eusebius. Als Filon werkelijk toegang heeft gehad tot een overzicht van Fenicische mythen, bieden die fragmenten waardevolle informatie over de Kanaänitische religie. Hier hebben we de verhalen van de priesters van Baäl waartegen de bijbelse profeten het opnamen.
Gruppe versus Albright
Het probleem met Filons Geschiedenis van Fenicië is al lang geleden door de Berlijnse godsdiensthistoricus Otto Gruppe herkend: sommig materiaal oogt eerder Grieks dan oosters en Sanchouniathon zou een verzinsel zijn. Omgekeerd hechtte de Amerikaan William Albright onverkort geloof aan Filons betrouwbaarheid. Daarvoor pleit bijvoorbeeld dat de naam Sanchouniathon ofwel Sknytn, “de god Sakan heeft geschonken”, is gedocumenteerd in de Punische stad Hadrumetum. Veel belangrijker is dat er parallellen zijn met de Kanaänitische mythologie die bekend is geworden met de ontdekking van de kleitabletten uit Ugarit.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.