Zes vragen aan Fleur Kemmers

Fleur Kemmers

De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarin wetenschappers kunnen vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Dat is namelijk niet altijd wat het publiek denkt. Vandaag is het woord aan numismate Fleur Kemmers.

***

Wat bestudeert u?
Ik onderzoek de munten en het geld van de antieke wereld. Dat is het vakgebied van de numismatiek (nummus, “munt”), oftewel muntkunde. In de antieke wereld ontstaan de eerste munten rond het midden van de zevende eeuw v.Chr. in Lydië (nu Turkije). De productie van munten is sindsdien niet meer onderbroken geweest. Het fenomeen geld is natuurlijk veel ouder dan munten. Ook in de oude wereld waren er andere geldvormen dan munten (denk aan graan, baren edelmetaal, maar ook giraal geld). Omgekeerd kunnen munten meer functies vervullen dan alleen betaal- en spaarmiddel. De afbeeldingen en opschriften op munten zijn vanaf het begin gebruikt als politiek communicatiemiddel.

Lees verder “Zes vragen aan Fleur Kemmers” →

Wat is dit?

Wat is dit? (Archeologisch Museum, Tazoult)

Momenteel ben ik Algerije, met een heel leuke groep, en vandaag bezochten we onder andere het museum van Tazoult, waar de voorwerpen staan uit Lambaesis, de basis van het Derde Legioen Augusta. Het museum is een stoffige bedoening, om eerlijk te zijn, maar er zijn wat interessante voorbeelden en ernaast is een enorme tuin tjokvol inscripties. En ook bovenstaand voorwerp is daar te zien. Het zal 40 bij 40 centimeter meten.

We stonden erbij en keken ernaar. Wat was dit nou weer? Een maquette van iets? Misschien borrelde er water op uit het gat middenin en stroomde dat, als het bakje vol was, over de trappetjes naar beneden: dat was eigenlijk het enige dat we konden verzinnen. Uiteraard hoeft een voorwerp niet per se één functie gehad te hebben. En uiteraard zijn er wel meer voorwerpen waarvan we niet weten waartoe ze dienden. Trouwens, waarom zou dit voorwerp überhaupt ergens toe hebben gediend? Misschien heeft een beeldhouwer besloten iets moois te maken, lekker gek, gewoon omdat hij of zij daar zin in had.

Lees verder “Wat is dit?” →

Een bijzondere scherf

Scherf met Aramees opschrift (privécollectie)

Ik weet dat het blasé klinkt, maar nu ik alweer een halve eeuw in oudheidkundige musea kom, neemt de verwondering wat af. Als kind was alles nieuw wat mijn ouders me toonden. Als gymnasiast begon ik dingen te herkennen en als student werden dat er meer. Ik zie echter nog steeds dingen voor het eerst. Soms (zoals deze medische attributen) gaat het om zaken waarvan ik het bestaan zelfs niet vermoedde, soms gaat het om voorwerpen waarvan ik wist dat ze bestonden maar die ik nog nooit zag.

Zoals de scherf hierboven. Het voorwerpje behoort tot een privéverzameling en is gevonden in de omgeving van Krefeld aan de Rijn, waar een Romeins fort stond dat Gelduba heette. Er zijn letters in gekrast – het is een ostrakon. Het leuke is dat de tekst in het Aramees is: er staat “Barsemias, zoon van Barlaha”.

Lees verder “Een bijzondere scherf” →

Het land Punt

Reliëf uit Deir el-Bahri met palmbomen, mirrebomen en paalwoningen

Over de historische geografie is veel minder bekend dan historische atlassen suggereren. Dat ligt niet aan de geografie, want het gebeurt maar zelden dat een nieuwe berg verrijst of een rivier haar loop verlegt. Het probleem is de aard van onze bronnen: fragmentarisch, ambigu. Dat we een antieke plaats niet op de landkaart kunnen aanwijzen, is dus bepaald geen mysterie. Het is een gewoon aspect van de wijze waarop we de Oudheid kennen.

Tekstueel bewijs

Zo is er de kwestie van het land Punt (of Pwenet). Het wordt genoemd in een paar Egyptische teksten, waarvan de oudste ergens rond 2500 v.Chr. is geschreven. De daarop volgende dertien eeuwen voeren de Egyptenaren zo nu en dan – onthoud dit punt – naar Punt, en verwierven daar ebbenhout, dieren, mirre en andere geurstoffen, die ze ruilden tegen textiel, graan en edelmetaal. Zoals wel vaker beschreven de Egyptenaren ook dit buitenland in half-mythische termen, een “land der goden”.

Lees verder “Het land Punt” →

De chimaira van Arezzo

De chimaira van Arezzo (Museo archeologico nazionale, Florence)

Ik heb het bovenstaande beeld maar één keer gezien, maar het maakte grote indruk. Ik vermoed dat het op iedereen indruk maakt, want werkelijk alles klopt aan dit beeld. Oké, niemand van ons heeft ooit een echte chimaira gezien, een monster uit de Griekse mythologie dat een vuurspuwende leeuw combineert met een geit en een slang, maar het leeuwendeel oogt levensecht. Volgens de bekendste mythe werd het ondier verslagen door Bellerofon.

Het beeld is in 1553 gevonden buiten de stadsmuren van Arrezo, de oude Etruskische stad Aretium, en lijkt kort na 400 v.Chr. te zijn vervaardigd. Dat was – als ik een wat subjectief oordeel mag geven – eigenlijk het moment van de grootste Etruskische culturele bloei. Vrijwel onmiddellijk daarna begonnen de Galliërs en Romeinen aan hun aanvallen op de Etruskische steden: laatstgenoemden annexeerden Veii in 396VC=392 v.Chr. en eerstgenoemden trokken zes jaar later plunderend zuidwaarts. In de vierde eeuw v.Chr. verloren de Etrusken hun politieke zelfstandigheid.

Lees verder “De chimaira van Arezzo” →

Antieke tandheelkunde

Fenicische tandprothese (Archaeological Museum of the American University, Beiroet)

Tandklachten zijn, behalve vervelend, van alle tijden, en daarom zijn er ook al heel erg lang specialisten. Ik meen dat er in de Oudheid al vullingen waren, al kan ik me niet herinneren hoe ik dat weet. Wat ik wel zeker weet, is dat u hierboven een Fenicische tandprothese ziet, in Sidon gevonden in het graf van een man die leefde in de vijfde eeuw v.Chr.

De zes voortanden zijn met gouddraad verbonden, en dat bleek nodig ook. Uit röntgenfoto’s blijkt namelijk dat de man leed aan parodontitis, wat wil zeggen dat hij leed aan een vergevorderde vorm van tandvleesontsteking, zó ernstig dat het kaakbot werd aangetast en de tanden los kwamen zitten. Het gouddraad stabiliseerde de voortanden, zodat hij ze kon blijven gebruiken en beschikte over een letterlijk schitterende lach.

Lees verder “Antieke tandheelkunde” →

De Slavische volken (4) Oorzaken

Onscherpe foto van een Slavische mantelspeld (Militair Museum, Belgrado)

[Dit is het vierde van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]

Een oorzaak?

Als ik de vorige drie blogjes mag samenvatten:

  • rond 550 woonden de Slavischsprekenden van de Elbe in het noordwesten tot over de Dnjepr in het zuidoosten,
  • met de Avaarse migratie trok de groep die aan de Zwarte Zee woonde, langs de Donau naar het westen

Lees verder “De Slavische volken (4) Oorzaken” →

De Slavische volken (3) Archeologie

Archeologische culturen rond 600 na Chr. (met dank aan Kees Huijser)

[Dit is het derde van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]

In het eerste van deze vier blogjes gaf ik aan dat het Proto-Slavisch tegen het einde van het tweede millennium v.Chr. gesproken lijkt te zijn geweest rond de Pripjatmoerassen, en in het vorige blogje sprong ik naar de zesde eeuw na Chr., toen Byzantijnse auteurs Slavischsprekende groepen aanwezen in een regio die zich vanaf de Weichsel naar het zuidoosten uitstrekte tot aan de Dnjepr. Over de tussenliggende periode weten we feitelijk niets, want ook al heb ik het in dit blogje over de archeologie: archeologen graven geen taal op. Ze kunnen wel beargumenteerd speculeren.

Ik vind het echter ingewikkelde materie, uiteraard ook omdat een archeologische cultuur hoogst zelden precies met één taalgroep correspondeert. Ik noemde in het eerste blogje het verschijnsel van de superfederatie: een groep stammen met uiteenlopende achtergronden, die tijdelijk samenclustert onder een charismatische leider, en na diens overlijden weer uit elkaar valt. In zo’n superfederatie nemen mensen van alles over van iedereen, zodat eventueel bestaande correspondenties tussen taal en archeologie wegvallen. Maar speculeren staat vrij en ik denk dat ik het – voor zover ik er überhaupt iets van begrijp – het beste kan uitleggen als we in de tijd van Jordanes beginnen.

Lees verder “De Slavische volken (3) Archeologie” →

De Slavische volken (1) Inleiding

Een ram uit Jordanów in zuidelijk Polen, de regio waar rond 2000 v.Chr. het allervroegste Proto-Slavisch werd gesproken (Archeologisch museum, Wroclaw)

Waar komen de sprekers van de Slavische talen, zoals Russisch en Pools en Bulgaars, vandaan? Als u dacht dat de vraag naar de herkomst van de Germaanssprekenden lastig te beantwoorden was, met bronnen vol tegenstrijdige aanwijzingen, dan zijn de Slavischsprekenden een nachtmerrie, want bij deze vraag zijn er zelfs geen geschreven bronnen. Het enige dat we weten, is dat ze een Indo-Europese taal spraken, dat ze in de Oudheid ergens verbleven in oostelijk Europa, dat Byzantijnse auteurs in de zesde eeuw volksverhuizingen vermeldden en dat er in de Middeleeuwen koninkrijken ontstonden waarin Slavische talen werden gesproken en geschreven. Dat laat veel aan duidelijkheid te wensen over, maar laat onverlet dat er hypothesen mogelijk zijn en dat we kunnen aangeven welke waarschijnlijker zijn en welke minder waarschijnlijk.

Soorten samenleving

Maar eerst even dit: voordat er Slavische koninkrijken waren, leefden de Slavischsprekenden – wie dat ook waren – in stamverbanden, superfederaties en vroege staten. Dit zijn problematische categorieën, maar aangezien dit een blog is en niet de Jagiellonische Universiteit in Krakau, beperk ik me tot losse definities.

Lees verder “De Slavische volken (1) Inleiding” →

Germaanse moerasoffers

Verguld zilveren schijf uit het Thorsberger Moor

Conrad Engelhardt was een Deen en een archeoloog, in die volgorde. In 1851 werd hij directeur van een archeologisch museum, waarvan de collectie tegenwoordig is te zien in kasteel Gottorf in Schleswig. Of beter: niet is te zien, maar daarover zo meteen. Als opgraver onderzocht Engelhardt in 1859 het Thorsberger Moor, en daarna het Nydam Moor, waar hij tot 1863 actief was en onder andere het Nydamschip vond, dat dateert uit de vierde eeuw. Niemand ontkende het enorme belang van deze vondsten: allerlei metalen voorwerpen, bijna allemaal met een militair karakter, lagen daar in de moerassen.

In 1864 liet Otto von Bismarck de Sleeswijk-Holsteinse kwestie escaleren en brak de Duits-Deense Oorlog uit. Denemarken verloor Sleeswijk-Holstein en de archeologische vondsten belandden in Kiel. De nieuwe machthebbers in de regio boden Engelhardt daar een betrekking aan, maar hij voelde zich, zoals gezegd, meer Deen dan archeoloog, en vertrok liever naar Kopenhagen. Een deel van de vondsten nam hij mee, zodat die zich decennia lang bevonden in twee musea in twee steden in twee landen. Pas toen de collecties vanaf 2000 gezamenlijk konden worden bestudeerd, bleek wat een rijkdom aan informatie Engelhardt had aangeboord en hoe goed zijn interpretaties en documentatie waren geweest.

Lees verder “Germaanse moerasoffers” →