De aqedah

De aqedah (Byzantijns reliefje uit het Nationaal Museum in Beiroet)

Nog even een stukje naar aanleiding van iets dat ik eergisteren schreef over het offerdier, waarvan de poten waren gebonden. Ik moest ineens denken aan de aqedah, het “vastbinden” van de jonge Isaak door Abraham, de aartsvader. Het verhaal wordt verteld in Genesis 22 en begint met het onthutsende bevel van God dat Abraham zijn enige zoon moet offeren op een bergtop. Voor het goede begrip: dit soort offers kwamen in de oude wereld voor maar golden binnen het jodendom als volkomen onaanvaardbaar.

Isaak zei: “Wij hebben wel vuur en hout, maar waar is het offerdier?”
Abraham antwoordde: “God zelf zal wel voor het offerdier zorgen, mijn zoon.”
En samen gingen zij verder. Toen zij de plaats bereikt hadden die God hem had aangewezen, bouwde Abraham daar een altaar, stapelde er het hout op, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, boven op het hout. Toen Abraham echter zijn hand uitstak naar het mes om daarmee zijn zoon de keel af te snijden, riep de engel van Jahwe hem van uit de hemel toe: “Abraham, Abraham!”
En hij antwoordde: “Hier ben ik.”
Hij zei: “Raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat gij god vreest, want gij hebt Mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden.”
Abraham keek om zich heen en bemerkte een ram, die met zijn horens in het struikgewas vastzat. Hij greep de ram en droeg die als brandoffer op, in plaats van zijn zoon.

Lees verder “De aqedah”

Prosmans obscurantisme

Jezus in de Hof van Olijven (muurschildering uit de Sta. Maria in Via Lata, Rome, nu in het Museo della Crypta Balbi)

Ik meende dat de Evangelische Omroep steeds opener werd voor wat ik maar even “de wetenschap” zal noemen. Ik heb weleens op de radio mogen uitleggen waarom al die opgravingen in Israël waarin het gelijk van de Bijbel werd bewezen, volstrekte flauwekul zijn. EO-voorman Andries Knevel liet zich ervan overtuigen dat wetenschap en religie niet (hoeven te) snijden en dat het bestaan van evolutie niet betekende dat er geen voorzienigheid was. Ik ben in een vroege fase betrokken geweest bij een documentaire-reeks over de historische Jezus die een paar weken geleden is uitgezonden.

Dat de EO opener was komen staan voor de wereld, was bovendien in lijn met wat ik zie bij evangelische vrienden, die wel een voorkeur hebben voor een meer letterlijke uitleg van de Bijbel, maar moeiteloos erkennen dat er ook anders naar kan worden gekeken. In de zin dat ze het vermogen hebben hetzelfde probleem vanuit twee perspectieven te bekijken, met en zonder de geloofsaanname dat de Bijbel letterlijk waar is, belichamen ze een ruimdenkendheid die ik de “angry atheists” zou toewensen. Kortom, ik was optimistisch over de EO. Maar ik had dit interview met “evangelisch populist” dominee Henk-Jan Prosman nog niet gelezen. “Eigenlijk was Jezus ook een populist.”

Lees verder “Prosmans obscurantisme”

Riviergod

De rivier Gichon (Qasr Livya)

Een van de aardige aspecten van de laatantieke kunst is de fusie van oude joodse en christelijke ideeën en klassieke vormen, zoals in het mozaïek hierboven, dat ooit was te zien in het museum van Qasr Libya in het noordoosten van Libië, waar de vondsten lagen uit twee van de kerken van de Byzantijnse stad Theodorias. Hoe de situatie nu is, weet ik niet, maar ik heb niet gehoord van oplaaiend geweld in die regio. Wel over religieus fanatisme, dus het muntje kan beide kanten op zijn gevallen.

Hoe dat ook zij, de kerkmozaïeken tonen het paradijs, met allerlei vogels en vissen, wilde en tamme dieren. Er zijn ook afbeeldingen van schepen die een haven binnenvaren, zoals mensen naar de kerk werden geacht te komen voor hun redding. Er zit ergens een pandoura spelende Orfeus (ofwel Christus, die eveneens afdaalde in de Onderwereld) en middenin is een mooie pauw, wiens staart de wederopstanding symboliseert. Orfeus is, zoals u weet, een klassiek motief; de pauw treffen we in de grafkunst – als ik het wel heb – voor het eerst aan op het mausoleum van keizer Hadrianus in Rome.

Je kunt twee kanten op met dit soort heidens-christelijke cross-overs. Sommige kunsthistorici zeggen: de heidense motieven zijn door de makers niet meer herkend als heidens en waren gewoon een bruikbaar motief. Denk hier ook aan de Babylonische horoscopen met Griekse zonnegod in de synagogen van Galilea. Het andere standpunt is dat je in die dagen heidens én christelijk tegelijk kon zijn. Wie zegt immers dat je slechts één religie tegelijk kunt hebben? Ik denk niet dat deze twee visies elkaar uitsluiten. Het zal allebei wel waar zijn, per stad en per kerkbezoeker verschillend.

Lees verder “Riviergod”

MoM | Zonder herkomst geen geschiedenis

Wie de Oudheid bestudeert, beschikt over ruwweg twee soorten gegevens: enerzijds materiële resten, anderzijds teksten. De eerste categorie bewijsmateriaal is het domein van archeologen, terwijl teksten het studieobject zijn van classici, papyrologen, qumranologen, egyptologen en andere filologen. Dat een en dezelfde antieke cultuur wordt bestudeerd door twee soorten wetenschappers is historisch gegroeid, wordt dus niet bepaald door wat feitelijk nodig is en is eigenlijk niet zo heel wetenschappelijk. Erger nog is dat wetenschappers hierdoor onvolledige of zelfs onjuiste inzichten kunnen overdragen aan de samenleving.

Dat blijkt wel uit het vrij recente schandaal rond het Evangelie van de Vrouw van Jezus, een zogenaamd antieke tekst waarvan al snel duidelijk was dat het ging om een vervalsing. De ontdekster erkende de problemen echter pas toen journalist Ariel Sabar de maker had opgespoord. Ondertussen was de wereld “verrijkt” met het inzicht dat in de Oudheid het idee had bestaan dat Jezus getrouwd was geweest. De ontdekster had zich onvoldoende gerealiseerd dat nieuw-ontdekte oude teksten uitsluitend wetenschappelijke waarde hebben als ze een gecontroleerde herkomst hebben.

Lees verder “MoM | Zonder herkomst geen geschiedenis”

De Elefantine-papyri

Joods verzoekschrift betreffende de restauratie van de tempel in Elefantine, gericht aan gouverneur Bagoas (Neues Museum, Berlijn)

Eén van de voorbeelden van migratie die ik behandel in Wahibre-em-achet en andere Grieken is het garnizoen van Elefantine in het zuiden van Egypte. De farao’s van de Zesentwintigste Dynastie, die aan de macht was gekomen nadat de Assyriërs begin zevende eeuw v.Chr. de Nubische koningen hadden verdreven, plaatsten aan de nieuw-geschapen zuidgrens een garnizoen met soldaten uit Judea. Zoals in de Oudheid gebruikelijk was kregen de soldaten bij wijze van tegenprestatie een stuk land. Rond 525 v.Chr. veranderde het garnizoen zijn loyaliteit, toen de Perzen de macht in Egypte overnamen, wat eens te meer een aanwijzing vormt dat Egypte viel door verraad van zijn officieren. De inscriptie van admiraal Wedjahor-Resne, die wél vermeldt hoe hoog de Perzen hem waardeerden maar geen enkele zeeslag vermeldt, is een andere clue.

Terug naar de Joden in Elefantine: verschillende papyri en beschreven potscherven documenteren hun aanwezigheid, zoals de brief hierboven, die is te zien in het Neues Museum in Berlijn. Hij is gericht aan de Perzische gouverneur Bagoas en bevat een verzoek om hulp bij de restauratie van de tempel van Jaho, zoals de naam van de joodse god werd gespeld in het Aramees. Een andere beroemde joodse papyrus uit Elefantine beschrijft het pesach-feest van 419 v.Chr. Een van de aardige verrassingen was dat Jaho hier nog een echtgenote had, die hier Anat wordt genoemd. (In Judea werd Mevrouw God aangeduid als Asjera.) De joden van Elefantine zullen de nieuwerwetse regels van Deuteronomium, dat joden uitsluitend in de tempel van Jeruzalem mochten offeren en uitsluitend JHWH mochten vereren, schouderophalend naast zich neer hebben gelegd. Emigranten zijn immers wel vaker conservatiever dan de mensen in het moederland.

Lees verder “De Elefantine-papyri”

Meer lijkwadegeleuter

Crucifix uit 1304, ruwweg even oud als de Lijkwade van Turijn; de makers wisten niet hoe de Romeinen iemand kruisigden (Keulen, St. Maria im Kapitol).

Een gewelddadige dood is meestal een onsmakelijke affaire, waarover je niet moet schrijven. Dat wordt voyeurisme. Als het gaat om kruisigingen, de wrede executiemethode die de Romeinen tot in perfectie (lees: zo langdurig mogelijk) ontwikkelden, moet je helemaal je mond houden. Het was nog veel erger dan de Bobben Smalhout dezer wereld u uitleggen. In feite zijn zulke artikelen een aantasting van het recht op een onverstoord sterven en niet ten onrechte heeft Raymond Brown, de auteur van een belangrijk boek over de Bijbelse lijdensverhalen, opgemerkt dat hij zulk onderzoek misplaatst vindt en hoopt dat er een einde komt aan zoveel smakeloosheid.

Helaas is er de lijkwade van Turijn, die altijd weer opduikt, zelfs als er geen nieuws is. U kent de problematiek: op een in Turijn bewaard stuk textiel staat een fotonegatieve afbeelding van een gekruisigde man. Is dit het doek waarin Jezus begraven is geweest? Het antwoord is een oorverdovend nee: er is C14-onderzoek gedaan en het weefsel dateert uit 691±31BP. Dat wil zeggen dat er, na ijking aan de jaarringcurve, 68% kans is dat het textiel is vervaardigd tussen 1273 en 1288. Er is 95% kans dat het is vervaardigd tussen 1262 en 1312, met nog een piepkleine kans dat het stamt uit het derde kwart van de veertiende eeuw.

Dat is het einde van de discussie. Er zijn insinuaties dat de laboratoria hun werk niet goed hebben gedaan, maar dat zijn precies dat: insinuaties. Ze worden steeds weer gedaan door mensen die een complicatie verzinnen die ze niet zouden hebben verzonnen als het niet was om de lijkwade als geloofsvoorwerp te redden van de wetenschap. Ze verzinnen voor elke oplossing een probleem. Ik ga daar nu niet op in want ik blijf niet aan de gang. Mijn aanleiding is dat de lijkwade in de sociale media de ronde weer doet, ook al gaat het om kwakonderzoek van vijf jaar geleden.

Lees verder “Meer lijkwadegeleuter”

Ringcompositie

Drie Romeinse ringen uit Dab’aal bij Tyrus (Nationaal Museum, Beiroet)

[Vandaag een gastbijdrage van mijn goede vriend Richard Kroes, oorspronkelijk op zijn eigen blog, hiero.]

Nog niet zo lang geleden ontbrandde op deze blog een korte discussie over de “ringcompositie”: een andere manier van het ordenen van een tekst, waarin de gedachtegang niet serieel wordt geordend (zoals in A-B-C-D-E) maar in ringen rondom een middendeel: A-B-C-D-C-B-A. Aanleiding voor de discussie was de opmerking van theoloog Cees van Veelen dat het belangrijkste stuk tekst steeds in het midden van zo’n compositie te vinden was.

Twee reageerders, een natuurkundeleraar en een wiskundige, vroegen daarop om empirisch bewijs voor die stelling. Dat vond ik grappig omdat het de cultuurgebondenheid van schijnbaar harde wetenschappelijke vragen illustreert: niemand uit onze cultuur zal ooit vragen om bewijs voor de seriële compositie van een stuk tekst en de bewering dat het belangrijkste stuk aan het einde staat.

Lees verder “Ringcompositie”