Een nieuwe chronologie voor de Inka’s

Een Inka (Museo de América, Madrid)

De geschiedenis herhaalt zich niet en de wetenschapsgeschiedenis doet dat in principe evenmin. Maar soms toch wel. De koolstofrevolutie die ooit de chronologie van de Oude Wereld op z’n kop zette, herhaalt zich nu in de Nieuwe Wereld.

De koolstofrevolutie in de oude wereld

Wat was er ook alweer aan de hand? De chronologie van de slotfase van de Europese Prehistorie was lange tijd gebaseerd op teksten. Grote archeologen als Oscar Montelius en Gordon Childe hadden een soort spreadsheet van de diverse culturen gemaakt, wisten welke oude culturen min of meer gelijktijdig waren, en konden dit overzicht koppelen aan Egypte, waar geschreven koningslijsten bestonden. Dit was een vrij grof chronologisch frame, maar het was beter dan niets.

Lees verder “Een nieuwe chronologie voor de Inka’s” →

Brabantse sagen

Bronstijd-grafheuvels, Toterfout

De archeologische interpretatie stoelt op diverse poten. Zoals vergelijking: dit is een Romeins castellum want het lijkt op al bekende castella. Een meer tot de verbeelding sprekende interpretatiewijze noem ik gemakshalve “laboratorium”: door steeds weer nieuwe technieken is de archeologie momenteel de innovatiefste van de oudheidkundige disciplines. Verder benutten archeologen inzichten uit andere vakgebieden. Het ontstaan van de Taalgrens graaf je niet op, maar baseer je op teksten.

Archeologie in isolement

Nu volgt mijn maandelijkse gemopper: archeologen zijn met teksten onvoldoende vertrouwd. In de jaren ’80 propten de universiteiten de stof van vijf à zes jaar in vier jaar. De nadruk lag voortaan bij de technieken, terwijl kennis van de tekstwetenschappen gemarginaliseerd raakte. Deze smallere, technischere archeologie werd daarna geïnstitutionaliseerd in een onderzoeksschool, zoals ook andere disciplines in deze tijd geïnstitutionaliseerd versmalden.

Lees verder “Brabantse sagen” →

Rood bij de Romeinen

De normale rode achtergrond in een muurschildering (Archäologischer Park, Magdalensberg)

De redacteuren van de Thesaurus linguae Latinae zijn inmiddels klaar met de letter R, en dat betekent dat ze zich hebben beziggehouden met de kleur rood. Blijkbaar maakte men in het oude Rome onderscheid tussen allerlei roodtinten, die worden vertegenwoordigd door allerlei bijvoeglijke naamwoorden, waarvan er ongeveer twintig zijn te vinden bij de R. Ze zijn meestal afgeleid van de Indo-Europese stam *h₁reudh-.

Ruber

Het meest gebruikte woord voor “rood” is ruber, afgeleid dus van *h₁reudh, kon een breed spectrum aanduiden – van vuurrood, cinnaberrood, scharlakenrood, bloedrood of karmijnrood tot tinten die naar oranje neigden, zoals saffraan- of goudkleurig. Ook lichamelijke reacties werden taalkundig vastgelegd: men kon blozen, en daarom duidt rubor niet alleen de blos zelf aan, maar ook de verlegenheid.

Lees verder “Rood bij de Romeinen” →

George Smith in Alexandretta

Smith

De Engelsman George Smith, die leefde van 1840 tot 1876 en dus niet heel oud is geworden, is een van de grote helden uit de oudheidkunde. Hij was, zoals dat destijds heette, afkomstig uit de werkende klasse, maar was gefascineerd door alles wat Mesopotamisch was en had zichzelf spijkerschrift geleerd. Een moeilijk schrift dat juist in deze tijd voor het eerst werd begrepen. Omdat hij er buitengewoon handig in was, kreeg hij een aanstelling in het British Museum, waar hij op een dag in 1872, werkend in de statige Arched Room, de vondst van zijn leven deed.

De scène zou zo in een film kunnen: van pure opwinding begon hij te schreeuwen, zijn kleren uit te trekken en zette het op een lopen. Ziet u het voor u? Hij rent langs de Elgin Marbles en de Steen van Rosetta, slaat linksaf, komt bij de garderobe en de ingang, nog eens linksaf, regelrecht de British Library in. Karl Marx kijkt verstoord op van zijn lectuur. Nogmaals linksaf, langs de Egyptische vondsten. Terug in de Arched Room. Collega’s slaan kleren om hem Smith heen. “Wat is er?”, vragen ze bezorgd, “wat is er?” En hij gebaart naar het kleitablet, alsof iedereen meteen zou begrijpen wat daar staat. Misschien is het niet helemaal zo gegaan, maar we moeten een goed verhaal niet dood controleren.

Lees verder “George Smith in Alexandretta” →

Een ouderwetse Tacfarinas

Een Numidisch reliëf uit Sila dat Tacfarinas’ Musulamii vermeldt (Recueil des inscriptions libyques 808) in de tuin van het Musée de Cirta, Constantine.

Op de geschiedenis van Algerije in de Romeinse tijd bestaan ruwweg drie visies. Eén: de Romeinen kwamen de beschaving brengen aan de inheemse bevolking. Twee: de Romeinen waren onderdrukkers en hadden voortdurend te maken met inheemse protesten. Je zou dit de koloniale perspectieven kunnen noemen, want in beide visies is het beeld van de Romeinen beïnvloed door de praktijk van de Fransen, en in beide visies is een dichotomie verondersteld tussen Romeinen en niet-Romeinen.

Het derde perspectief benadrukt de relaties tussen de elites. De Romeinse bestuurlijke elite – een gouverneur, zijn officieren, de stedelijke bestuurders – werkten samen met de Maghrebijnse leiders: Numidische en Mauretanische dorpsoudsten en burgemeesters, de aanvoerders van groepen seizoensmigranten op de Hautes Plaines, de stamhoofden van de nomaden verder naar het zuiden. En dan waren er nog de vazallen: koning Juba II van Mauritanië en de magistraten van de Confederatio Cirtensis, die bestond uit de vier steden Cirta, Rusicade, Chullu en Mileu. Ik noemde dit gebied, niet onvergelijkbaar met de Dekapolis, al eens in een eerder blogje.

Lees verder “Een ouderwetse Tacfarinas” →

De sterre der zee

Maria, Sterre der Zee, Maastricht

Niets prettiger dan een fijn misverstand. Zoals de titel “Sterre der Zee” voor Maria. Die is de rooms-katholieke traditie binnengeslopen door de verklaring die de Bijbelvertaler Hieronymus gaf voor de naam Maria. Hij deelde de Hebreeuwse naam Maryam op in Mar en Yam wat in het Latijn Stilla Maris werd, “druppel der zee”. Dat verbasterde weer tot Stella Maris, “Sterre der Zee”. In Nederland wordt Maria als Sterre der Zee vereerd in de Onze Lieve Vrouwe-basiliek in Maastricht.

De ruim vijf eeuwen oude bidweg door het centrum door die stad is ontstaan uit een boetprocessie op Tweede Paasdag, waarbij het genadebeeld van Maria werd meegedragen. Dat dateert uit de vijftiende eeuw en draagt de titel sinds pakweg 1701. In de loop der eeuwen is de route een paar keer aangepast, voor het laatst in 1804.

Lees verder “De sterre der zee” →

Faits divers (58)

Inscripties uit Taucheira

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer nogal wat vooral kleine berichtjes. Zoals altijd krijgt u géén garantie dat de zaken waarnaar ik verwijs representatief of belangrijk zijn, en krijgt u wél mijn hoogstpersoonlijke oordeel over the good, the bad, and the ugly.

Indo-Europese paarden

Op de mooie website Neerlandistiek bespreekt Marc van Oostendorp vanmorgen vroeg een boek over paarden in de Indo-Europese wereld. De auteur van dat boek oppert een andere betekenis voor het oerwoord voor dat edele dier: h₁ék̑u̯os zou niet “snel” maar “ongehoorzaam” betekenen. Dat is, afgezien van een parallel bij Homeros, niet zo vermeldenswaard, maar Van Oostendorps blogje is wel een prachtige samenvatting van wat Indo-Europeanistiek is.

Lineair-A

Er is weer eens iemand die beweert het Lineair-A (een schriftsoort gevonden op Kreta) te hebben ontcijferd, en die claim uit juli ben ik daarna nergens meer tegengekomen. Dat maakt wantrouwend, want als het echt iets was geweest, hadden we wel meer gehoord.

Voor het goede begrip: er zijn onvoldoende tabletten om te controleren of een mogelijke oplossing correct is. Een onderzoeker baseert zich op een bepaald tekstcorpus, maar heeft controlemateriaal nodig, en momenteel zijn er simpelweg onvoldoende data om én een basis te hebben voor de ontcijfering én controlemateriaal. Je kunt de “code breken” maar niet weten of  je oplossing klopt. We zullen de ontcijfering nog wel meemaken, want het corpus groeit langzaam maar zeker, maar volgens mij is de huidige claim op z’n best een klein stapje, en verdiende die vooralsnog geen publiciteit.

Lees verder “Faits divers (58)” →

Zes vragen aan Piet Gerbrandy

Elfde-eeuws portret van Boëthius

De vaste lezers van deze blog kennen inmiddels de rubriek “zes vragen”, waarin oudheidkundigen vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Dat zijn namelijk lang niet altijd de activiteiten waarmee het vakgebied in het nieuws komt. Vandaag is het woord aan classicus Piet Gerbrandy.

Wat bestudeert u?
Mijn onderzoeksveld is nogal breed – ik ben er nooit zo goed in geslaagd me ergens in te specialiseren – maar ik houd me als classicus het liefst bezig met Latijnse teksten die zich bevinden op het snijvlak tussen poëzie, filosofie en religie, met als voornaamste focus de Late Oudheid (vierde t/m zevende eeuw) en de twaalfde eeuw; maar ik maak ook weleens een uitstapje naar het Grieks. Ik ben vooral geïnteresseerd in werken waarvan niet helemaal duidelijk is tot welk genre ze nu eigenlijk behoren, en die je in zekere zin experimenteel kunt noemen. Dat raakt aan mijn andere hoedanigheid: ik bestudeer ook hedendaagse Nederlandstalige poëzie. Verder houd ik me bezig met retorica en poëtica (ik vertaalde Quintilianus’ Opleiding tot redenaar en Aristoteles’ Poëtica).

Lees verder “Zes vragen aan Piet Gerbrandy” →

Een Romeins konijn

Reliëf van een konijn (Archeologisch museum, Mérida)

Het konijn. Dat is een berucht beest, oudheidkundig gesproken dan. Om te beginnen vermeldt de best-gelezen vertaling van een antieke tekst, de Statenvertaling dus, het dier alleen maar dankzij een vergissing. Het in de grondtaal gebruikte woord, sjafan, betekent feitelijk een klipdas. Het konijn kwam namelijk niet voor in het oude Nabije Oosten. Nog zoiets: Nederlanders willen nog weleens beweren dat de Cananefaten, een bevolkingsgroep uit het huidige Zuid-Holland, een naam hebben die betekent dat ze konijnen aten. Dat is ook al niet waar. Weliswaar maken konijnen de duinen en andere waterkeringen met hun tunnels onveilig, en weliswaar zijn er duinen en waterkeringen in Zuid-Holland, maar opnieuw: er was daar geen konijn te zien in de Romeinse tijd.

Het beestje is pas in de Middeleeuwen begonnen aan zijn wereldwijde opmars. In de Oudheid leefde het vooral op het Iberische Schiereiland. De enige uitzonderingen zijn de konijnen die in hokken werden gehouden, klaar voor de slacht. Dat kwam ook in Gallië en Italië weleens voor, maar die dieren zijn niet de voorouders van de latere konijnen elders.

Lees verder “Een Romeins konijn” →

Een verrassing in Porto Torres

De kerk van San Gavino in Porto Torres

[De Belgische oudhistoricus Jeroen Wijnendaele, de auteur van De wereld van Clovis, ging op vakantie naar Sardinië, zag van alles en deed verslag op BlueSky en hier is een vertaling.]

De Sardijnse havenstad Porto Torres oogde aanvankelijk als een teleurstelling. Dit was in de Oudheid de belangrijkste stad in noordelijk Sardinië, en de enige die door de Romeinen was gesticht (Turris Libisonis). De huidige gemeente bezit een van de belangrijkste archeologische parken op het eiland en zoals een collega uit het even verderop gelegen Sassari het uitdrukte: “Hier is de moderne Sardijnse archeologie geboren”.

En toch: een teleurstellend begin. Net als in Olbia was het archeologisch museum wegens renovatiewerkzaamheden tijdelijk gesloten. Ik had echter geen idee dat me in Porto Torres, meer precies in de basiliek van San Gavino, een donderende verrassing stond te wachten, en dat nota bene op mijn eigen terrein: de Late Oudheid.

Lees verder “Een verrassing in Porto Torres” →