Wie gaat er mee naar Bulgarije?

Thracische Pegasos (Archeologisch museum, Razgrad)

Ik moet even reclame maken. Dat vind ik vervelend, want ik vind het veel leuker om u te informeren en ik denk dat u ook liever geen reclame leest. (Ik ken overigens wel aardige mensen uit de reclamebranche, maar dat terzijde.)

Enfin. Ik moet reclame maken voor de reis naar Bulgarije die ik volgend jaar organiseer aan het einde van de lente. Bulgarije is voor Nederlanders en Vlamingen geen heel bekende bestemming, maar het is een prettig land, dat niet alleen een interessant antiek verleden heeft, maar ook een boeiende twintigste-eeuwse geschiedenis. In landen die ooit achter het IJzeren Gordijn lagen, heeft men vaak net wat andere ervaringen en net wat andere visies op de wereld. Dat maakt een bezoek leuk.

Lees verder “Wie gaat er mee naar Bulgarije?” →

Antieke voodoo

Pop uit een voodoo-ritueel (Landesmuseum, Hannover)

Wie kennismaakt met de klassieke wereld en religie, zal doorgaans eerst iets leren over de twaalf Olympische goden en hun mythen, en eventueel later met nog wat andere goden. Daar is niets mis mee; je moet ergens beginnen. Het is echter maar de vraag of de gemiddelde Griek of Romein het even belangrijk vond. Die Olympiërs, zou men hebben gedacht, dat waren staatsgoden, en op officiële feestdagen schoof je aan bij het feestmaal in de tempel, maar verder had je er niet mee te maken. Een Iberische boer die begon te zaaien, offerde aan de lokale vruchtbaarheidsgodin Ataegina en vroeg bij de oogst de zegen van een rabbijn – praktijken die nog in de christelijke tijd zijn gedocumenteerd.

En verder waren er allerlei magische rituelen, waar de chique auteurs van onze geschreven bronnen de neus voor ophaalden, maar die een zeer substantieel deel vormden van het geheel van antieke geloofspraktijken. Over de loden vervloekingstabletten (zoals uit Tongeren) heb ik vaker geschreven, vandaag iets wat ik maar een voodoo-pop noem.

Lees verder “Antieke voodoo” →

Zomaar een jonge Romein

Een jonge togatus (Zwinger, Dresden)

Het beeldje hierboven is maar half. Er hoort nog een onderlichaam bij. En als dat er was, zouden kunsthistorici dit soort beeld vermoedelijk aanduiden als een togatus, iemand die een toga droeg: een zwaar, wollen kledingstuk dat je met enig recht zou kunnen beschouwen als nationaal Romeins gewaad. Vergelijk het met de Duitse lederhosen, de Boliviaanse poncho’s, de Schotse kilt, de Mexicaanse sombrero, de Indonesische sarong en de Nederlandse klompen. Keizer Augustus bepaalde dat bezoekers van het Forum Romanum verplicht een toga moesten dragen: de Romeinen waren immers een gens togata.

Maar deze togatus is een beetje vreemd. Normaal gesproken sloeg een man de toga over zijn linkerschouder en linker bovenarm, liet hij die vrij diep over de rug en rechterheup vallen, en sloeg hij de punt weer over de linkerschouder. De rechterarm was, doordat de toga aan de rechterzijde zo diep viel, redelijk vrij. De jonge man hierboven, die u zo rond 250 na Chr. moet plaatsen, draagt de toga iets anders. Dit is een zogeheten toga contabulata, die is gemaakt van bijna vervilte stroken wol en heel andere plooien mogelijk maakt.

Lees verder “Zomaar een jonge Romein” →

Zes vragen aan Fleur Kemmers

Fleur Kemmers

De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarin wetenschappers kunnen vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Dat is namelijk niet altijd wat het publiek denkt. Vandaag is het woord aan numismate Fleur Kemmers.

***

Wat bestudeert u?
Ik onderzoek de munten en het geld van de antieke wereld. Dat is het vakgebied van de numismatiek (nummus, “munt”), oftewel muntkunde. In de antieke wereld ontstaan de eerste munten rond het midden van de zevende eeuw v.Chr. in Lydië (nu Turkije). De productie van munten is sindsdien niet meer onderbroken geweest. Het fenomeen geld is natuurlijk veel ouder dan munten. Ook in de oude wereld waren er andere geldvormen dan munten (denk aan graan, baren edelmetaal, maar ook giraal geld). Omgekeerd kunnen munten meer functies vervullen dan alleen betaal- en spaarmiddel. De afbeeldingen en opschriften op munten zijn vanaf het begin gebruikt als politiek communicatiemiddel.

Lees verder “Zes vragen aan Fleur Kemmers” →

Het apothekershandboek: Dioskourides

Manuscript van Dioskourides (Pergamonmuseum, Berlijn)

Hoe verspreidt een cultuur zich? In elk geval via mensen, die in het ene land of in het ene deel van een samenleving een aspect oppikken van het complexe geheel dat we cultuur noemen, en dat overplaatsen naar een ander land of ander samenlevingsdeel.

Hasdai ibn Shaprut

Voorwaarde voor cultuuroverdracht is dat er behalve een “zender” en een “overbrenger” ook een “ontvanger” is, en het hof van kalief Abd al-Rahman III van Córdoba (r.912-961) was zo’n plek. Aan zijn hof kreeg de joodse geleerde Hasdai ibn Shaprut een warm onthaal: niet alleen was hij de lijfarts van de vorst, maar ook diens belastinggaarder en secretaris voor Latijnse correspondentie. Daarvoor was natuurlijk kennis van het Latijn noodzakelijk, en Hasdai beheerste die taal in twee varianten: het geschreven Latijn en het gesproken Latijn (ofwel het vroege Spaans). Daarnaast sprak hij natuurlijk Arabisch en Hebreeuws. Zijn talenkennis maakte hem tot de ideale gezant en de kalief stuurde hem dus naar de Byzantijnse keizer Konstantinos VII Porfyrogennetos (r.945-959).

Lees verder “Het apothekershandboek: Dioskourides” →

Wat is dit?

Wat is dit? (Archeologisch Museum, Tazoult)

Momenteel ben ik Algerije, met een heel leuke groep, en vandaag bezochten we onder andere het museum van Tazoult, waar de voorwerpen staan uit Lambaesis, de basis van het Derde Legioen Augusta. Het museum is een stoffige bedoening, om eerlijk te zijn, maar er zijn wat interessante voorbeelden en ernaast is een enorme tuin tjokvol inscripties. En ook bovenstaand voorwerp is daar te zien. Het zal 40 bij 40 centimeter meten.

We stonden erbij en keken ernaar. Wat was dit nou weer? Een maquette van iets? Misschien borrelde er water op uit het gat middenin en stroomde dat, als het bakje vol was, over de trappetjes naar beneden: dat was eigenlijk het enige dat we konden verzinnen. Uiteraard hoeft een voorwerp niet per se één functie gehad te hebben. En uiteraard zijn er wel meer voorwerpen waarvan we niet weten waartoe ze dienden. Trouwens, waarom zou dit voorwerp überhaupt ergens toe hebben gediend? Misschien heeft een beeldhouwer besloten iets moois te maken, lekker gek, gewoon omdat hij of zij daar zin in had.

Lees verder “Wat is dit?” →

Alexander de Grote en de Ouxiërs

Shushtar

Zoals ik in een eerder blogje in deze reeks al aangaf, was Alexander de Grote op weg gegaan naar Persis, het kernland van het Perzische Rijk, het huidige Fars. Niet al zijn manschappen namen deel aan deze operatie. Persis mocht dan het politieke centrum zijn van een wereldrijk, het was agrarisch arm en kon onmogelijk de 60.000 soldaten, de 30.000 non-combattanten, de 8500 paarden en de 1800 lastdieren voeden waaruit het Macedonische leger op dit moment lijkt hebben bestaan. Een groot aantal soldaten overwinterde in het vruchtbare Elam, deels als garnizoen voor de stad Sousa.

De weg naar het Zagrosgebergte, dat Persis als een muur begrenst, maakte deel uit van het stelsel van koninklijke wegen en de Macedoniërs konden zonder problemen oprukken. Kleitabletten uit Persepolis vermelden dat de heerbaan tussen deze paleisstad en Sousa was voorzien van twee dozijn pleisterplaatsen. De eerste etappes van Alexanders route zijn daardoor goed te reconstrueren. Na twee dagen overbrugden de Macedoniërs  de rivier de Dez in de schaduw van de vervallen, duizend jaar oude tempeltoren van Choga Zanbil, en na een tussenstop in een dorp dat in de kleitabletten wordt aangeduid als Ithema, bereikte het leger Šurkutir, het huidige Shushtar. Daar stak het leger de Karun over, die, zoals Curtius Rufus schrijft, “diep temidden van rotsachtige, met wouden begroeide oevers stroomt”.

Lees verder “Alexander de Grote en de Ouxiërs” →

Een bijzondere scherf

Scherf met Aramees opschrift (privécollectie)

Ik weet dat het blasé klinkt, maar nu ik alweer een halve eeuw in oudheidkundige musea kom, neemt de verwondering wat af. Als kind was alles nieuw wat mijn ouders me toonden. Als gymnasiast begon ik dingen te herkennen en als student werden dat er meer. Ik zie echter nog steeds dingen voor het eerst. Soms (zoals deze medische attributen) gaat het om zaken waarvan ik het bestaan zelfs niet vermoedde, soms gaat het om voorwerpen waarvan ik wist dat ze bestonden maar die ik nog nooit zag.

Zoals de scherf hierboven. Het voorwerpje behoort tot een privéverzameling en is gevonden in de omgeving van Krefeld aan de Rijn, waar een Romeins fort stond dat Gelduba heette. Er zijn letters in gekrast – het is een ostrakon. Het leuke is dat de tekst in het Aramees is: er staat “Barsemias, zoon van Barlaha”.

Lees verder “Een bijzondere scherf” →

Het land Punt

Reliëf uit Deir el-Bahri met palmbomen, mirrebomen en paalwoningen

Over de historische geografie is veel minder bekend dan historische atlassen suggereren. Dat ligt niet aan de geografie, want het gebeurt maar zelden dat een nieuwe berg verrijst of een rivier haar loop verlegt. Het probleem is de aard van onze bronnen: fragmentarisch, ambigu. Dat we een antieke plaats niet op de landkaart kunnen aanwijzen, is dus bepaald geen mysterie. Het is een gewoon aspect van de wijze waarop we de Oudheid kennen.

Tekstueel bewijs

Zo is er de kwestie van het land Punt (of Pwenet). Het wordt genoemd in een paar Egyptische teksten, waarvan de oudste ergens rond 2500 v.Chr. is geschreven. De daarop volgende dertien eeuwen voeren de Egyptenaren zo nu en dan – onthoud dit punt – naar Punt, en verwierven daar ebbenhout, dieren, mirre en andere geurstoffen, die ze ruilden tegen textiel, graan en edelmetaal. Zoals wel vaker beschreven de Egyptenaren ook dit buitenland in half-mythische termen, een “land der goden”.

Lees verder “Het land Punt” →

De limes als legende

Ik heb het eerder dit jaar verschenen boek De limes als legende. De herontdekking van de Romeinse rijksgrens en de architectuur in Europa (1450-1720) van de Utrechtse architectuurhistoricus Koen Ottenheym twee keer gelezen. Het leest namelijk prettig genoeg, is een inhoudelijk heel rijk boek en ook – wat niet hetzelfde is – een bovengemiddeld goed boek. Tegelijk had het mijns inziens beter anders gemaakt kunnen zijn.

Mijn bezwaar is niet dat het receptiegeschiedenis is. Dat er oudheidkundigen zijn die menen dat dit specialisme voor hen relevant is, bewijst dat de sloop van het wetenschappelijk onderwijs het beoogde resultaat heeft gehad, en bij die constatering zal ik het maar laten. (Lees desgewenst dit blogje.) Het duurde echter even voordat ik ontdekte waar in De limes als legende de schoen wrong, en dat zegt iets over de kwaliteit van de geboden informatie.

Lees verder “De limes als legende” →