JHWH en zijn Asjera

Een asjera en twee Assyrische vereerders (Museum van Antakya)

Voilà, een nieuwe aflevering in onze inmiddels 76.243 delen tellende reeks “oudheidkundige prietpraat”. Het decor is opnieuw Israël en het gaat opnieuw over archeologie, maar in de zin dat het publiek wordt misleid had dit bericht kunnen slaan op elk ander oudheidkundig deelgebied. Hier is het bericht van de dag. Het gaat over Tel Motza, niet ver van Jeruzalem.

In december 2012 is daar een heiligdom ontdekt uit de Vroege IJzertijd. Mocht u het precies willen weten: het aardewerk behoort tot het IJzer I. Ik heb wel eens een complexe reeks blogstukjes gepost over de datering van dat aardewerk, waarover twee scholen bestaan. De meeste wetenschappers neigen ertoe het te dateren vóór 930 v.Chr., zodat de koningen David en Salomo moeten worden geplaatst aan het einde van deze tijd; andere onderzoekers plaatsen dit aardewerk vóór 980, wat wil zeggen dat deze vorsten in een nieuwe tijd leefden met IJzer IIa-aardewerk en grote, monumentale gebouwen. In Megiddo is inmiddels dateerbaar organisch materiaal gevonden dat zich ervoor leent deze discussie ten einde te brengen, maar dat blijft vooralsnog ongepubliceerd.

Lees verder “JHWH en zijn Asjera”

Joodse literatuur (4)

Pompeius (Louvre, Parijs)

[Dit is het vierde van vijf stukjes over de bronnen van mijn komende boek Israël verdeeld; het eerste is hier.]

In de tussentijd had Alexander de Grote een einde gemaakt aan het Perzische Rijk en was Judea, na een eeuw Ptolemaïsche heerschappij, in handen gekomen van de Seleukiden. Een deel van de Joden zag in de Griekse beschaving een verrijking, zocht naar aansluiting en benutte een Griekse Bijbelvertaling, de Septuaginta. Daarnaast ontstonden filosofisch-getinte teksten als de Wijsheid van Jezus Sirach, geschiedwerken, toneelstukken, gebeden, hymnen, biografieën, briefliteratuur en roman. Ook Joodse groeperingen die de Griekse beschaving later zouden afwijzen, hebben er elementen aan ontleend: zelfs de sektariërs wier opvattingen zijn gedocumenteerd in de Dode Zee-rollen, aanvaardden dat de mens een ziel zou hebben.

Lees verder “Joodse literatuur (4)”

Pseudepigrapha

De joodse Bijbel dateert, in de huidige vorm, uit de tweede eeuw na Chr. Toen werd de canon van geïnspireerde geschriften opgesteld. Daarvóór waren er joden die ook andere geschriften beschouwden als door God geïnspireerd, maar in de tweede eeuw groeide er steeds meer consensus. Als geïnspireerd gold voortaan min of meer de lijst die de farizeeën al hadden erkend; de sadduceeën hadden een dunnere Bijbel gehad, terwijl de sekte van de Dode Zee-rollen juist meer gewijde literatuur had bezeten.

De geschriften die uiteindelijk niet op de lijst van erkende teksten kwamen, staan bekend als “pseudepigrafisch”. Ik heb nooit uitgezocht waar het woord vandaan kwam, maar sluit niet uit dat “epigrafisch” hier moet worden gelezen als “op de lijst ingeschreven” en dat “pseudo” aangeeft dat een tekst erop lijkt. De personages in deze teksten zijn inderdaad oude bekenden: Noach, Abraham, Izaäk, Jacob, de twaalf zonen van Jacob, Mozes, Elia, Ezechiël, Ezra. Er is nog een subcategorie: de apocriefe boeken. Dit zijn pseudepigrafische geschriften die door sommige christelijke kerken wel worden erkend als geïnspireerd: zo beschouwen veel kerkgenootschappen – zoals de rooms-katholieke kerk, de Grieks-orthodoxe kerk en de oosterse kerken – de twee boeken der Makkabeeën als canoniek, hoewel joden en protestanten dat niet doen.

Lees verder “Pseudepigrapha”

Hoezo monotheïsme (slot)

Antiochos IV Epifanes (Bodemuseum, Berlijn)

[Dit is het laatste stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Ik beschreef dat het moeilijk valt vol te houden dat de joden monotheïsten waren en hun buren polytheïsten. Joden én veel heidenen neigden ernaar slechts één godheid te vereren en daarnaast een reeks lagere hemelingen te erkennen. Wel is het zo dat de joden monotheïstischer waren dan hun tijdgenoten.

Het eigenlijke verschil tussen joden en niet-joden ligt vermoedelijk niet bij de erkenning van niet-joodse goden of de beperking van het goddelijke tot één Allerhoogste, maar in de vorm van de verering. Het gaat er daarbij niet om dat de joden geen cultusbeeld hadden, hoewel dit aspect vaak in onze bronnen wordt vermeld. Dat was echter onvoldoende uniek om onderscheidend te zijn: de Nabateeërs, de Feniciërs en de Grieken hadden allemaal goden die ze niet afbeeldden. Van de oppergoden van Babylonië en Egypte, die aan het begin van onze jaartelling nog steeds werden vereerd, werd expliciet gezegd dat ze niet af te beelden waren – wat de Babylonische en Egyptische kunstenaars er overigens niet van weerhield het toch te doen.

Lees verder “Hoezo monotheïsme (slot)”

Hoezo monotheïsme? (2)

Tempelberg, Jeruzalem

[Dit is het tweede stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Ik concludeerde vorige keer dat in het antieke jodendom – laten we zeggen tussen 165 v.Chr. en 70 na Chr. – de norm op zichzelf duidelijk genoeg was: de sjema, “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer alleen”. Er waren echter uitzonderingen. Een voorbeeld vinden we in 2 Makkabeeën, waarin we lezen dat soldaten van Judas de Makkabeeër na een gevecht de doden begroeven en ontdekten ze dat enkele gesneuvelden amuletten hadden gedragen van buitenlandse goden. De auteur van het tweede Makkabeeënboek is er zeker van dat deze overtreding van de norm de oorzaak was van hun dood en keurt dus af dat een jood zich plaatste onder de bescherming van andere goden. De gesneuvelden zelf, die toch hun leven voor de joodse zaak hadden geriskeerd, dachten daar evident anders over.

Ongeacht de norm van monotheïsme lijken de joden in de praktijk verdeeld te zijn geweest over de vraag of het vereren van slechts één god kon samengaan met de erkenning dat andere goden iets goeds voor je konden doen. De Theodotos en Ptolemaios die ik gisteren noemde, lijken in elk geval geen tegenspraak te hebben ervaren tussen hun joodse identiteit en hun heidense praktijk.

Lees verder “Hoezo monotheïsme? (2)”

Makkabeeën in Rome?

Blad uit het Leidse handschrift met de tekst van Makkabeeën

In de jaren zestig van de tweede eeuw v.Chr. woedde in Judea een grote opstand tegen de Seleukidische koning Antiochos IV Epifanes, die het joodse geloof wilde onderdrukken. Deze revolte staat bekend als de Makkabeeënopstand, genoemd naar de strijders die deze nom de guerre droegen. Het woord zou “hameraars” kunnen betekenen, maar zeker is dat allerminst. Als u meer over de opstand wil weten, moet u dit stuk lezen. De revolte eindigde met de onafhankelijkheid, die internationale erkenning kreeg middels een of twee staatsverdragen met Rome.

Er zijn twee bronnen over, 1 Makkabeeën en 2 Makkabeeën. In de Middeleeuwen waren ze buitengewoon populair. Als strijders tegen het ongeloof waren de Joodse krijgers een mooi model voor de Kruisridders. In feite las men de boeken als een soort ridderromans. (Het plaatje toont een schitterend geïllustreerd handschrift uit Leiden.) Er was ook handel in Makkabese relikwieën. Enkele strijders zouden begraven liggen in Sankt Andreas te Keulen (meer).

Lees verder “Makkabeeën in Rome?”

Makkabeeën en methode (4)

Donald Rumsfeld

[Dit is het vierde deel van een artikel dat deze maand ook valt te lezen in Kleio. Het eerste deel is hier. In het voorafgaande heb ik gewezen op allerlei tegenspraken.]

Een verhaal vol tegenspraken – so what? Wordt de historicus daarmee niet altijd geconfronteerd? Inderdaad, maar dat is de pointe niet van dit stuk, dat in feite niet gaat over de Makkabeeënopstand maar over de omgang met strijdige bronnen.

Lees verder “Makkabeeën en methode (4)”

Makkabeeën en methode (3)

Blad uit een Leids manuscript over de Makkabeeën

[Dit is het derde deel van een artikel dat deze maand ook valt te lezen in Kleio. Het eerste deel is hier. Ik beschreef de aanleiding van de opstand en de uitbraak daarvan, en wees op tegenspraken tussen onze bronnen.]

De twee Makkabeeënboeken zijn het eens over de leider van de opstand: Judas de Makkabeeër. (Voor de bijnaam bestaat geen bevredigende uitleg.) Er is ook consensus dat zijn eerste tegenstander de garnizoenscommandant van Jeruzalem was, Apollonios. Volgens 1 Makkabeeën probeerde deze, met troepen uit Samaria, Judas aan te vallen, en werd hij verslagen. 2 Makkabeeën meldt daarentegen dat Judas in Jeruzalem was toen Apollonios de stad binnentrok met zijn garnizoen van Mysische soldaten. Judas zou zijn gevlucht.

Lees verder “Makkabeeën en methode (3)”

Makkabeeën en methode (2)

Antiochos IV Epifanes (Bodemuseum, Berlijn)

[Dit is het tweede deel van een artikel dat deze maand ook valt te lezen in Kleio. Het eerste deel is hier; ik beschreef daarin hoe in Judea het hogepriesterschap in opspraak raakte en hoe de bevolking werd geconfronteerd met belastingverhoging.]

Tot hier is alles eenduidig. We beschikken over een redelijke bron, het al genoemde Tweede boek Makkabeeën, dat is geschreven rond 124 v.Chr. Daarnaast is er informatie te vinden in de Joodse  Oudheden van Flavius Josephus, die de tekst citeert van de door Antiochos III toegestane belastingverlaging. Zo kunnen we reconstrueren hoe Judea afgleed naar een burgeroorlog, die bekend is komen staan als de Makkabeeënopstand.

Deze vormt het onderwerp van meer bronnen: het Eerste boek Makkabeeën, ruwweg even oud als het tweede, en het Bijbelboek Daniël, dat geschiedverhalen vertelt in de vorm van apocalyptische profetieën. Dat maakt deze tekst wat duister, maar van de andere kant: vanaf een bepaald moment gaat de als voorspelling gepresenteerde geschiedenis over in pure speculatie, en dat moet het moment zijn waarop de auteur schreef. Daniël is een contemporaine bron.

Lees verder “Makkabeeën en methode (2)”