Je kunt Elon Musk natuurlijk niet kwalijk nemen dat hij ondeskundige historische commentaren geeft. Als we immers iedereen zouden gaan corrigeren die op de proppen komt met een onjuiste historische analogie, kunnen we aan de gang blijven. Er is geen wetenschap waar amateurs zó vaak denken dat ze kunnen meepraten. Terwijl de simpele waarheid deze is: vrijwel alle historische analogieën zijn incorrect. Degenen die ze te berde brengen, doen dat om u een mening op te dringen over het heden, niet omdat ze geïnteresseerd zijn in het verleden of daar überhaupt verstand van hebben.
Hoewel historische incompetentie dus te ingeburgerd is om nog redelijkerwijs laakbaar te zijn, is het zinvol te kijken waar Musks fouten zitten. Jeroen Wijnendaele, de auteur van De Wereld van Clovis, nam op Twitter de handschoen op. Hier is een vertaling.
Voor de oudheidkundige vormen de Germanen een probleem. Hij beschikt over de archeologische vondsten van onder meer de Jastorf-cultuur, die een IJzertijdcultuur documenteren die, in materieel opzicht, eenvoudiger was dan de aangrenzende La Tène-cultuur (“de Kelten”). Hij beschikt over Germaanse teksten, maar die zijn ontzettend laat. Ze documenteren vooral laatantieke visies op een verleden dat niet alleen legendarisch is maar ook destijds al gold als hypothetisch. En de oudheidkundige beschikt over Griekse en Romeinse bronnen, die altijd datgene weergeven wat de auteurs zelf wilden vertellen, en niet per se een compleet of zelfs maar representatief beeld bieden. Kortom, de Germanen zijn leuk.
Woonplaats
Eén van de problemen is de landkaart. Uit diverse auteurs kennen oudheidkundigen de namen van enkele stammen uit het land ten oosten van de Rijn en ten noorden van de Donau. De wereldkaart van de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios van Alexandrië biedt de coördinaten van enkele plaatsen, en de geografische breedte is doorgaans redelijk accuraat, maar de lengte is dat niet. Belangrijker echter is dat de de verzameling namen verwijst naar diverse tijdstippen en bovendien vrijwel zeker incompleet is. Als een archeoloog dus beweert
deze vondsten zijn van de Thuringers,
bedoelt hij eigenlijk
deze vondsten zijn gedaan in een gebied waarvan we feitelijk niet weten wie er woonden maar waarop we vooralsnog het etiket “Thuringers” plakken omdat die naam nu eenmaal beschikbaar is en omdat in de buurt een Duitse regio ligt die sinds de Middeleeuwen “Thüringen” heet.
Het cruciale woord in de voorgaande volzin is “vooralsnog”: de uitspraak is ad hoc, zoals alle oudheidkundige kennis. Het is de beste hypothese om van de onvolledige en ambigue informatie chocola te maken. Aan vondsten die uit zichzelf niet zeggen aan wie ze toebehoorden, koppelen we een naam uit de verzameling waarover we beschikken. Het is weinig méér.
Felsonius Verus, standaarddrager van II Parthica. Hij heeft de adelaarstandaard van zijn legioen opgeruimd in een beschermende kooi, klaar voor transport (Apamea)
In de eerste twee eeuwen van onze jaartelling plaatsten de Romeinen hun legioenen niet ver van de Rijn, Donau en Eufraat. De transportwegen moesten immers worden bewaakt en bijkomend voordeel was dat een vijand altijd een rivier moest oversteken, wat meestal wat voorbereiding vergde en dus de verdediger tijdwinst opleverde. Het nadeel van deze vorm van lijnverdediging was dat als de vijand eenmaal was doorgebroken, hij meteen diep het imperium kon binnendringen. Vandaar dat in de Late Oudheid een mobiele strategische reserve bestond.
Ontstaan
Het initiatief kwam van keizer Lucius Septimius Severus (r.193-211). In het kader van zijn oorlog tegen het Parthische Rijk formeerde hij drie nieuwe legioenen: I Parthica en III Parthica bleven in het oosten, maar II Parthica ging met hem mee naar Rome, kreeg een basis op de Albaanse Berg en diende voortaan als strategische reserve. Het legioen, dat tevens diende als tegenwicht tegen de Praetoriaanse Garde in Rome, kreeg al snel een tweede bijnaam, Albana.
De samenvloeiing van Donau en Sava, gezien vanaf de basis van IIII Flavia Felix (Belgrado)
Zoals ik vertelde in het vorige blogje, was IIII Macedonica uit Mainz in ongenade gevallen doordat het Rijnleger tijdens de Bataafse Opstand (69-70 na Chr.) opzichtig had gefaald. Keizer Vespasianus herformeerde het echter onder de naam IIII Flavia en stationeerde het in Burnum, het huidige Kistanje in Kroatië.
Hoewel veel soldaten vanuit het oude legioen naar het nieuwe zullen zijn overgeplaatst, waren er ook rekruten uit Noord-Italië en wellicht Zuid-Gallië. Gnaeus Julius Agricola (de toekomstige schoonvader van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus) hield toezicht op de feitelijke formering van het legioen. Omdat het insigne van de vernieuwde eenheid bestond uit het sterrenbeeld Leeuw, is het mogelijk dat het eind juli of begin augustus 70 officieel werd opgericht.
De Thesaurus Linguae Latinae, het grote oerwoordenboek van de Latijnse taal, kent ook een Onomasticon: een lijst van in het Latijn overgeleverde eigennamen. Het is bijgehouden tot de letter D en dus is er ook een vermelding van de Baiovarii ofwel Baiuvaren ofwel “Beieren”. Dat is vooral leuk omdat we weinig weten over de oorsprong van dit volk.
Zoals het plaatje hierboven toont zijn de Baiovarii blijkbaar een gens Germanica, wat op zich waarschijnlijk correct is, maar verder weinig zegt. De eerste, en dus oudste, vermelding is in een tekst die de TLL aanduidt als de GENER. reg. Franc. Volgens de index van de TLL is dit de generatio regum Francorum, ook wel bekend als de “Frankische Volkentabel”. Jona noemde die al eens.
Maquette van de basis van VIII Augusta in Straatsburg (Palais Rohan)
Ik eindigde mijn vorige blogje met de constatering dat VIII Augusta in 70 na Chr. van de Balkan naar het westen werd overgeplaatst. Daar was het eerst gestationeerd in Mirebeau-sur-Bèze, vijfentwintig kilometer van Dyon. Een tweede basis was Argentoratum, het huidige Straatsburg aan de Midden-Rijn. Hier beschermde het legioen een belangrijke rivierovergang in Germania Superior. Het legioen zou daar nog ruim drie eeuwen blijven.
Het Zwarte Woud
In 74 legden de legionairs een weg aan van Straatsburg naar Rottweil en Hufingen: dwars door het Zwarte Woud. Dit was niet alleen een aanzienlijke bekorting van de reistijd tussen de Rijn en de Boven-Donau; het was ook het begin van de bezetting van het huidige Baden-Württemberg of, zoals het destijds heette, de Agri Decumates. Een Romeinse verovering, maar in de zin dat het een grensbekorting was ook een defensieve maatregel: de consolidatie van het imperium was begonnen.
Ik heb het onlangs gehad over de Baiuvaren, zeg maar de voorgangers van het Duitse Beieren. De schakel tussen de Baiuvaren en de deelstaat is het middeleeuwse hertogdom. Wat ooit een stam – ik gebruik deze term even met een slag om de arm – was geweest, werd onder een eigen hertog (dux) opgenomen in het Frankische Rijk. Toen dat later uiteenviel en het Duitse rijk ontstond, bleef dit stamhertogdom intact, en daaruit is dus het huidige Beieren ontstaan. De continuïteit is er – maar hoe begon die? Wie waren die Baiuvaren of Baiovaren?
Oudste vermeldingen
Je kunt natuurlijk kijken naar de oudste naamsvermelding. Die vinden we in een rond 520 na Chr. geschreven tekst die bekendstaat als de Frankische Volkentabel, een soort stamboom van de Germaanse volken. Hierin staat dat de Baiuvaren afstamden van ene Boguar. Als ik toevoeg dat de Saksen volgens de auteur van dit werkje de nakomelingen zijn van ene Saxo, de Vandalen van ene Wandalus, de Franken van Francus en de Britten van Britto, dan heeft u al voldoende beeld van de kwaliteit van de Volkentabel. Desondanks leren we dat de Baiuvaren golden als Germaans volk.
Grafsteen van een soldaat van XIII Germina (Nationaal Museum, Ljubljana)
Keizer Domitianus (r.81-96) plaatste XIII Gemina, waarover ik zojuist blogde, in 89 over naar de nieuw gestichte basis Vindobona, het huidige Wenen. De Daciërs waren in 86 het Romeinse Rijk binnengevallen en hadden de legioenen verslagen die het Beneden-Donau-gebied hadden moeten verdedigen. In 88 was een groot Romeins leger Dacië binnengevallen, waar generaal Tettius Julianus de Dacische koning Decebalus had verslagen. Het Dertiende was een van de negen betrokken legioenen geweest. Helaas had de opstand van de gouverneur van Germania Superior, Lucius Antonius Saturninus, het uiteindelijke succes verhinderd. De overplaatsing naar Wenen was een manier om niet alleen Dacië maar ook het Rijnland in de gaten te houden.
En de Boven-Donau. Want ook daar was de situatie gespannen. In 92-93 nam het Dertiende deel aan Domitianus’ oorlog tegen de Sueben en Sarmaten. Het is in deze context dat we de operatie moeten plaatsen van Velius Rufus, die met een groot leger trok door het gebied benoorden de Donau, van Roemenië naar Tsjechië.
Tetricus, de laatste heerser van het Gallisch Keizerrijk (Bodemusem, Berlijn)
Omdat het Gallisch Keizerrijk zo goed was georganiseerd, kon het zijn stichter overleven. Postumus’ einde kwam in 269. Zijn munten waren altijd van hoger gehalte geweest dan die van Gallienus en diens opvolger Claudius II Gothicus, maar in 268 verlaagde de Gallische keizer onverwacht de hoeveelheid zilver in zijn munten. Het lijkt onrustig te zijn geweest en een zekere Laelianus riep zichzelf uit tot keizer, bezette de munt in Keulen en maakte Mainz tot hoofdstad. Postumus onderdrukte de opstand, stond zijn soldaten niet toe Mainz te plunderen en werd daarop door zijn eigen mannen gedood.
Zijn opvolger heette Marius en is een wat schimmige figuur. Hij werd vrijwel meteen vervangen door de commandant van de praetoriaanse garde van het Gallisch Keizerrijk, Victorinus. Ook die is een beetje kleurloos, al schijnt zijn huis in Trier te zijn geïdentificeerd. We weten alleen dat hij in 266 of 267 het consulaat deelde met Postumus en we mogen daarom aannemen dat hij de rechterhand van Postumus was. Hij lijkt de stad Autun te hebben moeten belegeren, maar in 270 was hij de situatie voldoende meester en het zegt veel over de stabiliteit van het Gallisch Keizerrijk dat de Germaanse stammen zich in deze crisis rustig hielden.
Postumus, stichter van het Gallisch Keizerrijk (Bodemuseum, Berlijn)
Ik heb het, in het kader van mijn reeks over Een kennismaking met de oude wereldvan De Blois en Van der Spek, al vaker gehad over de fase van de Romeinse geschiedenis die bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. De crisis als geheel, de Sassaniden en de afname van de economische mogelijkheden kwamen al aan de orde. De gevolgen waren immens. Rond 270 was het Romeinse Rijk in drieën uiteengevallen. Het centrale rijk (bestuurd door achtereenvolgens Gallienus, Claudius II Gothicus en Aurelianus) bestond uit Italië, de Afrikaanse provincies en een onrustige Balkan. In het oosten was het Rijk van Palmyra, in het westen het Gallisch Keizerrijk.
Je kunt die afsplitsingen zien als dieptepunt van een crisis, maar dat is te eenzijdig. Dat de Galliërs in alle opzichten het “echte” Romeinse Rijk imiteerden, bewijst vooral hoe grondig de romanisering was geweest, hoe groot het zelfvertrouwen van de provincies was en hoe vitaal de Romeinse wereld bleef.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.