Bergrede (15): Het vasten

Iets wat je niet doet (namelijk eten en drinken), kun je ook niet illustreren. Bij gebrek aan echt plaatje dus maar een afbeelding van een niet werkende broodoven uit Kerkouane.

Even voor uw oriëntatie: u bevindt zich in een reeks waarin ik het Nieuwe Testament plaats in zijn joodse context. Meer in het bijzonder loop ik door de Bergrede, een door Matteüs grotendeels uit Q-materiaal samengestelde, aan Jezus toegeschreven toespraak. We hebben de afgelopen weken het Onze Vader besproken en nu ga ik verder met de rest van de Bergrede. (Tussen haakjes: ik las ergens dat het een van de lievelingsteksten was van Gandhi en voelde me beschaamd dat ik te weinig Indische literatuur heb gelezen om een lievelingstekst te kunnen noemen.)

Wanneer jullie vasten, doe dan niet als de huichelaars met hun sombere gezichten, want zij vertrekken hun gezicht om iedereen te laten zien dat ze aan het vasten zijn. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als jullie vasten, was dan je gezicht en wrijf je hoofd in met olie, zodat niemand ziet dat je aan het vasten bent, alleen je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen. (Matteüs 6.16; NBV21)

Lees verder “Bergrede (15): Het vasten”

Misverstand: Pythagoras

Pythagoras (Capitolijnse Musea, Rome)

Misverstand: Pythagoras vond als eerste het bewijs voor de naar hem genoemde stelling

De filosofie is ontstaan in de Griekse steden in het westen van wat nu Turkije heet. Eén van de bekendste wijsgeren was Pythagoras van Samos (ca. 570 – ca. 495), die nog steeds mag gelden als een van de beroemdste Grieken aller tijden, vooral vanwege de “stelling van Pythagoras”. Er is echter maar weinig over hem bekend. Hij emigreerde, zoals wel meer Grieken in deze tijd, naar de Griekse koloniën in Zuid-Italië, stichtte daar een ascetisch levende sekte, geloofde in reïncarnatie en hield zich bezig met wiskunde en harmonieleer.

Later werd zijn filosofie opnieuw bestudeerd en zijn allerlei zaken aan hem toegeschreven die in eerdere bronnen niet worden vermeld.

Lees verder “Misverstand: Pythagoras”

Al-Hakim

Fatimidisch kristal (Louvre, Parijs)

Het was diep in de nacht van de 27e shawwal van het jaar 411 volgens de islamitische jaartelling ofwel 13 februari 1021, toen kalief Al-Hakim bi-Amr Allah zijn paleis verliet, gezeten op zijn grauwe ezel Qamar, “maan”, en vergezeld door twee dienaren. Het zou een veelbewogen nacht worden.

Kalief Al-Hakim was een wonderlijke man. Hij behoorde tot de Fatimidische dynastie, waarvan de heersers de sji’itische islam propageerden. Alleen niet in de vorm zoals die tegenwoordig in vooral Iran bestaat, maar in de zogenaamde Ismaëlitische stroming. Zoals wel meer shi’itische leiders keerde hij zich tegen de soennieten en was hij tolerant voor joden en christenen. In 1004 was aan dat beleid echter een einde gekomen. Hij verbood de christelijke feestdagen en ook mochten mensen geen wijn meer drinken, wat zowel voor christenen als joden problemen opleverde. Ook kwamen er kledingvoorschriften: niet-islamitische vrouwen dienden bijvoorbeeld één rode en één zwarte schoen te dragen.

Lees verder “Al-Hakim”

Augustinus, de man die “ik” zei

Relikwieën van Augustinus (Tunis)

Tegen de tijd dat u dit leest, zitten mijn reisgenote en ik waarschijnlijk aan het ontbijt in een hotel in Annaba. Het is het oude Hippo Regius, de bisschopsstad van de kerkvader Augustinus (354-430). Afkomstig uit een niet al te vermogende familie mocht hij naar school, stichtte hij zelf een schooltje in Karthago en maakte hij carrière in Italië, waar hij een hoge positie wist te verwerven in de keizerlijke residentie Milaan. Juist toen hij op het punt stond zich in een vooraanstaande familie in te trouwen en vooruit mocht zien naar een leuke functie in het rijksbestuur, bekeerde hij zich tot het christendom. Dat blokkeerde zijn verdere wereldlijke carrière.

Of beter: hij bekeerde zich, op een moment dat de nieuwe Romeinse godsdienst nog niet helemaal was uitgekristalliseerd, tot een christendom dat een wereldlijke carrière blokkeerde. Hij had ook een andere keuze kunnen maken, maar koos voor een ingetogen en ascetisch leven in wat we nu een klooster zouden noemen. Dat verhinderde niet dat hij bisschop werd in de havenstad Hippo – het Annaba waar we nu zitten te ontbijten dus – en een oeuvre schreef waarin hij de grondslagen legde van de westerse theologie. In Hippo dicteerde hij ook zijn beroemde Belijdenissen, een soort autobiografie waarin hij ervan getuigde dat God hem, ondanks allerlei dolingen en dwalingen, steeds nabij was geweest. De Belijdenissen zijn dus in de eerste plaats een tekst met een pastoraal doel: Augustinus wilde de gelovigen in Hippo de zorg van God tonen. Maar niet alleen dat.

Lees verder “Augustinus, de man die “ik” zei”

Topiek (Byzantijnse krabbel 8)

Een achttiende-eeuwse weergave van het Concilie van Chalkedon (451). Let op de duivelse influisteringen van twee ketters rechts.

Severus van Antiochië – die overigens niet kwam uit Antiochië maar in 465 werd geboren in Sozopolis in Klein-Azië – was geen mens maar een natuurkracht. Min of meer eigenhandig zorgde hij ervoor dat de pogingen van de Byzantijnse keizers om alle christenen dezelfde, orthodoxe ideeën te laten hebben, uitliepen op niets.

Het gaat te ver om het hier allemaal uit de doeken te doen, maar het komt erop neer dat keizer Marcianus tijdens het Concilie van Chalkedon door roeien en ruiten was gegaan om één geloofsbelijdenis te laten formuleren waar alle gelovigen het over eens konden zijn. Behalve dan dat niet iedereen het ermee eens kon zijn en dat oosterse monniken er zelfs ronduit tegen waren. Latere keizers streefden ernaar ook hen binnenboord te krijgen en één zo’n poging was de tekst die bekendstaat als Henotikon. Severus, die patriarch was in Antiochië, zorgde ervoor dat dit compromis op niets uitliep, waarvoor hij onder meer keizer Justinianus trotseerde.

De geschriften van Severus vormen de basis voor de theologie van de oosterse kerken die in ons taalgebied bekendstaan als monofysitisch. Hij streefde naar een op die grondslag gebaseerde eenheidskerk, maar in de praktijk had zijn afwijzing van het Henotikon tot gevolg dat de monofysieten verdeeld raakten over bijvoorbeeld de vraag of Christus’ lichaam aan verval onderhevig was geweest. Tegen het einde van Severus’ leven waren er een door de keizer goedgekeurde kerk en minimaal twee monofysitische kerken, elk met eigen priesters en bisschoppen.

Tot zover Severus’ betekenis. Ik wilde het eigenlijk hebben over zijn jonge jaren.

Lees verder “Topiek (Byzantijnse krabbel 8)”

Dualisme

Faravahar, het zichtbare aspect van Ahuramazda (Persepolis)
Faravahar, het zichtbare aspect van Ahuramazda (Persepolis)

Als God bestaat en als Hij goed en almachtig is, waarom is er dan kwaad in de wereld? Er zijn diverse antwoorden mogelijk, maar geen daarvan is echt overtuigend. Leg aan iemand die een kind heeft begraven maar uit dat wat hij heeft ervaren als kwaad, in feite niet slecht is maar is gebeurd voor zijn eigen bestwil. Overtuigender antwoorden gaan ervan uit dat één van de drie aannames niet klopt niet: óf God bestaat niet, óf Hij is niet goed, óf Hij is niet almachtig.

Dat laatste antwoord kent weer verschillende varianten, en één daarvan is dat er naast God een tweede bovennatuurlijke persoon is, die Hem tegenwerkt. Een duivel. Dit dualisme is ouder dan het monotheïsme en wordt geassocieerd met de profeet Zarathuštra, die ergens in het tweede millennium heeft geleefd in Centraal-Azië, en de mensen voorhield dat ze een keuze moesten maken tussen enerzijds de oppergod Ahuramazda en de goede goden, en anderzijds De Leugen. later zouden Zarathuštra’s aanhangers het kwaad personificeren en de naam Angra Mainyu gaven, “geest van het kwaad”.

Lees verder “Dualisme”

Woestijnvader

ascese

Eerst even dit: ik ken de vertaler van Athanasius’ Antonius. Onsterfelijke icoon van de monnik, de Nijmeegse classicus Vincent Hunink, persoonlijk en heb met veel plezier met hem samengewerkt bij zijn vertaling van Velleius Paterculus’ Romeinse geschiedenis. Het boekje waarover ik nu schrijf drukte hij me in de hand toen ik hem laatst even bezocht op zijn werk. Hartelijk als hij is, gaf hij me ook nog Tacitus’ Historiën mee en de tekst van een oude toespraak. Ik sta dus bij hem in het krijt, en u moet me maar vertrouwen dat het niet om die reden is dat ik schrijf dat dit een leuk boekje is.

Athanasius van Alexandrië (295-373) is een van de invloedrijkste denkers uit het christendom, en dat kwam vooral door zijn stellingname in een destijds actuele discussie over de vraag of Christus wezensgelijk was aan God de Vader of wezensgelijkend. (Voor de context van die discussie verwijs ik naar dit en dat stukje.) Terwijl de hele christelijke wereld koos voor wezensgelijkendheid, hamerde Athanasius als enige op het eerste, wat ertoe leidde dat vier keizers hem vijf keer in ballingschap stuurden, voor in totaal zeventien jaar. “Athanasius tegen de wereld” werd de gevleugelde uitdrukking om aan te geven dat iemand onverzettelijk zijn waarheid bleef verdedigen – in Athanasius’ geval uiteindelijk met succes, al kwam het tegen een hoge prijs. Wat het voor iemand uit Alexandrië, hét intellectuele centrum van de Griekse wereld, betekende te worden verbannen naar een uithoek als Trier is niet overgeleverd.

Lees verder “Woestijnvader”

Katharen

Queribus, een van de kastelen van de Katharen

Ik weet weinig van katharen, wat voor een historicus opmerkelijk is, want de pausen en de koningen van Frankrijk was veel gelegen aan de onderdrukking van deze andersgelovigen. Door de oorlog tegen de katharen konden het Franse staatsapparaat en de pauselijke claim op het oppergezag worden  uitgebouwd. Een belangrijk onderwerp dus, en ik heb veel geleerd van het boek van Michel Gybels, Ketterijen in middeleeuws Europa.

Een eerste punt is natuurlijk de vraag wat katharen zijn. Gybels maakt vanaf het begin duidelijk dat er niet één kathaarse kerk was, maar dat er verschillende vormen van andersdenkendheid waren. Hij onderscheidt bijvoorbeeld gematigde en absolute dualisten. De laatste groep meende dat het kwaad een eeuwige, universele kracht was, terwijl de eerste groep meende dat het tijdelijk was. (Met andere woorden: heeft God de Duivel geschapen?) Gybels behandelt ook proto-kathaarse stromingen, en zo toont hij aan dat we in feite moeten spreken van katharismes, meervoud.

Lees verder “Katharen”