Op de doorluchtige zege van Groninge

Vondel (Rijksmuseum, Amsterdam)

Op de doorluchtige zege van Groninge

Alias inter caput extulit urbes.

O GRONINGE, pilaer en hooftstadt van de Vriezen,
Van waer begint men best t’ ontvouwen uwen lof?
Uw bouheer Grunus most u tot zijn wijk verkiezen,
Zoo vroegh voor Christus komste, en boude hier zijn hof;
Of liever, zoo men zegt, de broêr van ’t hooft der Franken
Ontworp u arm en slecht. Nu, sestigh jaer geleên
En noch vijfhondert, most gy uwe stichters danken,
Die u bevestighden met toornen, graft en steen.

Maer namaels, aengegroeit in maght en burgeryen,
Ontzaeghtge min ’t gewelt, en proefde menighwerf
Het wisselbaere lot des oorloghs onder ’t stryen,
Doch noit met meer gevaers van ’t uiterste bederf,
Dan toen de Keurvorst en de Vorst van Munster t’zaemen,
Gesterkt met Fransche maght, u vielen op het lijf,
Met gloênde kogelen u overstulpen quamen,
En teffens out, en jongk, en maeght, en man, en wijf
Zich quijtende, noch storm, noch doots gevaer ontzagen,
Tot dat de vyanden verlieten uwen wal,
Na zulck een zwaer verlies, en droeve nederlaegen,
Waerop de zegegalm zich uitspreide overal.

Uw schermheer RAVENHOOFT, hebt gy, naest Godt, te loven
Voor uw behoudenis. Dees terger van de doot
Bewaekte u, tot dat gy het onheil quaemt te boven,
En stont de stormbuy uit van bommen vier en loot.
O GRONINGE, uit het puin en asch en stof verrezen,
Vergeet de weldaet niet, die Godt u heeft bewezen.

Joost van den Vondel

Lees verder “Op de doorluchtige zege van Groninge”

De wierde van Saaksum

De wierde van Saaksum

In de vierde eeuw v.Chr., toen het Nederlandse rivierengebied deel uitmaakte van de La Tène-cultuur, was de noordelijke kustzone een van de dichtst bewoonde gebieden in de regio. Het was er vooral nat. Het landschap, grotendeels kwelders, was herkenbaarder dan nu doorsneden door rivieren. De mensen woonden op de oeverwallen en verhoogden, om zeker te zijn van droge voeten, hun woonplaatsen. Zo ontstonden de eerste wierden. (De Friezen spreken van terpen.)

In de loop der eeuwen zetten de rivieren en de zee steeds weer klei af, waardoor de wierden relatief lager kwamen te liggen en opnieuw opgehoogd moesten worden. Dit was deels een kwestie van nieuwe klei erop leggen, deels gebeurde het automatisch. De heuvel werd immers als vanzelf hoger doordat de bewoners afval lieten liggen. Ik heb weleens geblogd over hoe de Romeinen naar dit landschap keken: verbluft.

Lees verder “De wierde van Saaksum”

MoM | Digitale archeologie

Als een wetenschap zich niet presenteert als wetenschap, zal het publiek die wetenschap niet herkennen als wetenschap, en zoals de trouwe lezers van deze blog weten denk ik dat de diverse oudheidkundige bloedgroepen op dit punt nogal wat kunnen bijleren. Oudhistorici hebben het misbruik van de oude geschiedenis – afrocentrisme, Jezusmythicisme, koloniale frames – deels te wijten aan zichzelf; met hun goedbedoelde vertalingen tonen classici niet waarom het doorgronden van de antieke denkwereld geen “simsalabim, bron, spreek tot mij!” zou zijn; en archeologen hebben het vaker over vondsten dan over archeologie.

Ik ken maar één museum dat echt gewijd is aan archeologie als archeologie: het is in Brugge. Een tijdelijk alternatief is er nu in het Universiteitsmuseum in Groningen, waar tot eind dit jaar een expositie is met de naam “Dig it all. Archeolunogie van de toekomst”. Met de leutige naam heb ik al de helft van de minpunten genoemd; het is namelijk een erg geslaagde tentoonstelling over de invloed van digitale technieken op de archeologie, en als u in het noorden bent, moet u er zeker naartoe.

Lees verder “MoM | Digitale archeologie”

Majoor Thomson

Majoor Thomson
Majoor Thomson

De eerste aanblik van Groningen, als je met de trein aankomt, is niet best. Vanuit het kanaal ligt het museumgebouw om aandacht te schreeuwen en hoewel er binnen altijd leuke tentoonstellingen zijn, gaat het bouwwerk al snel vervelen. Als je er eenmaal voorbij bent, opent zich echter een heel leuke stad. Vraag me niet om één markant punt te noemen; het is meer een stad vol kleine, onverwachte vondsten. Zoals het hotel waar ik ooit sliep, WEEVA (Woon- En Eethuis Voor Allen): op de gangen zijn de bordjes met de kamernummers gemaakt in een prachtige oude letter. Ik kan daar verliefd op worden.

Als je van het station over de Hereweg naar het zuiden wandelt – de beste manier om zo snel mogelijk niet naar het museum te hoeven kijken – passeer je (tegenover de Mesdagkliniek) het beeldje dat u hierboven ziet: majoor Lodewijk Thomson. Hij is gesneuveld op 15 juni 1914.

Lees verder “Majoor Thomson”

Een oude Groninger

Skelet van een man uit Ezinge (Museum Wierdenland)

De Friezen spreken van terpen, de Groningers hebben het over wierden, de Duitsers kennen Warften en de Denen værfter, maar ze bedoelen allemaal dezelfde heuvels waarop de bewoners van het antieke kustlandschap hun boerderijen bouwden. Archeologen dateren de oudste woonheuvels rond 500 v.Chr. en vermoedelijk zijn ze eigenlijk bij toeval ontstaan: waar mensen wonen, werpen ze afval neer en waar vee loopt, valt mest. Als de zee in de buurt is, is het slim om, wanneer je huis moet worden vervangen, het nieuwe huis te bouwen op de resten van het oude, omdat je dan wat hoger zit en grotere kans hebt boven de branding te blijven.

Later werden de heuvels kunstmatig verhoogd. Sommige zijn wel zes meter hoog. De boerderijen zelf hadden vaak een verhoogde bodem, als een extra garantie dat de bewoners geen natte voeten zouden krijgen. Als u een idee wil krijgen van het comfort van zo’n huis, kijk dan eens in Archeon in Alphen aan den Rijn, waar twee huizen zijn nagebouwd die zo rond 300 v.Chr. stonden in het Groningse Ezinge.

Lees verder “Een oude Groninger”

Oud Groningen

De terp van Ezinge, zoals nagebouwd in Archeon.
De terp van Ezinge, zoals nagebouwd in Archeon.

Ik blogde zondag en maandag over de Romeinse visie op de bewoners van de Lage Landen. Misschien is het aardig af te ronden met een voorbeeld: de beschrijving van de bewoners van de terpen of wierden langs de Waddenzee. Die heetten in de Oudheid “Chauken”, een woord dat lijkt te zijn afgeleid van *Hauhae, waarin de elementen “hoog” en “heem” herkenbaar zijn. Hooghemers dus, mensen die woonden op kunstmatige hoogten.

Het volgende ooggetuigenverslag is van Plinius de Oudere, die het land in 47 na Chr. heeft gezien. Het leek hem maar een armzalig gebied en dat was het, vergeleken met zijn van alle gemakken voorziene basis in Xanten, natuurlijk ook. Desondanks waren de Chauken eigenlijk vrij welvarend. Plinius, die niet aan land lijkt te zijn gekomen, kon niet weten dat ze eieren raapten en joegen op vogels en robben. Hij zag niet dat de kwelders dienden als weiden, waar runderen en schapen graasden en waar zelfs, achter lage dijkjes, akkerbouw mogelijk was. Ook al was de bodem zilt, het was mogelijk er gerst, vlas en duivenbonen te verbouwen. De Friezen en Chauken exporteerden kaas, zout, wol, leer en schapen, en vormden tevens een schakel bij de doorvoer van slaven, pelzen en barnsteen. Plinius zag het niet. Hij was gefascineerd door de rand van de aarde – zee of land? – en de tegenstelling tot de Romeinse wereld.

Lees verder “Oud Groningen”

Hoop voor Groningen

Zelfs op Madurodamschaal is het Groninger Museum saai.
Zelfs op Madurodamschaal is het Groninger Museum saai.

Goed nieuws uit Groningen! Er komt daar een vernieuwd station. Niet leuk voor de Groningers, die zich de laatste verbouwing zéker moeten herinneren als zelfs ik het weet, maar de laatste jaren zijn er enkele mooie stations bij gekomen – Rotterdam bijvoorbeeld – dus we mogen optimistisch zijn.

Beter nog: wellicht kan Groningen nu een oude fout herstellen. Ik bedoel natuurlijk het Groninger Museum. Het gebouw oogt even leuk maar nadat je er drie of vier keer bent geweest, wordt die apenrots eigenlijk verschrikkelijk saai. Het is gewoon geforceerd-lollig. Als u het museum, door een gelukkige speling van het lot, niet kent, weet dan dat u een hoop bespaard is gebleven.

Lees verder “Hoop voor Groningen”