Ik heb al eens geblogd over het positivisme, dat wil zeggen de methode van waarnemen, het verzamelen van die waarnemingen, het opsporen van patronen (“wetten”) en het hernieuwd doen van waarnemingen om te zien of het gevonden patroon werkelijk bestaat. De methode, doorgebroken in de zeventiende eeuw en vooral bekend uit de natuurwetenschappen, is zó succesvol dat ze geldt als dé wetenschappelijke methode bij uitstek.
Pyrrhonisme
Voor de oudheidkunde vormde de populariteit van deze methode een bedreiging. Experimenten en waarnemingen van het verleden zijn immers onmogelijk. Ook waren er in de zeventiende eeuw de pyrrhonisten, die heel skeptisch waren over de mogelijkheid het verleden, onwaarneembaar als het was, überhaupt te kennen.
[Tweede deel van een stuk over Edward Gibbon; het eerste is hier.]
Het christendom
Edward Gibbon was niet uitsluitend negatief over het christendom. Hij merkt bijvoorbeeld ergens op dat de populariteit van de nieuwe religie weliswaar de val van Rome had bespoedigd, maar deze val ook brak doordat ze het woeste temperament van de barbaren verzachtte. Toch valt te begrijpen waarom iemand als Samuel Johnson, de beroemde lexicograaf, aanstoot nam aan Decline and Fall, want zelfs als Gibbon ogenschijnlijk verwijten maakte aan de heidenen, nam hij in feite de christenen op de korrel. Het vijftiende hoofdstuk eindigt met de quasi-verbaasde constatering dat de heidense filosofen wel érg onverschillig waren omgegaan met de grote veranderingen in de fysische en zedelijke wetten van de wereld. Was de leer van Christus niet bevestigd geweest doordat de lammen wandelden, de blinden zagen, zieken genazen, doden opstonden, demonen werden uitgedreven en de natuurwetten steeds opnieuw waren opgeschort ten behoeve van de Kerk? De eigenlijke strekking van deze woorden was natuurlijk dat de bijbelse wonderen geen historische gebeurtenissen waren.
Net als Winckelmann, over wie ik al eens blogde, was de Britse historicus Edward Gibbon (1737-1794) in staat de oudheidkunde te vernieuwen doordat hij een betrekkelijke buitenstaander was. Toch is er geen groter contrast denkbaar dan dat tussen de schoenlapperszoon Winckelmann en de aristocratische Gibbon, die Engelands beste scholen had bezocht. Desondanks vond hij in Oxford het onderwijs zó steriel dat hij zich, zoals hij het later zou verwoorden, “dreigde te verliezen in de dwalingen van de kerk van Rome”. Dit was voor een Engelse lord een ernstige zaak, want katholieken konden geen zitting nemen in het Hogerhuis. Vader Gibbon greep dus in vóór de ongelukkige student de familie-eer op het spel had kunnen zetten en stuurde hem naar Lausanne, waar de jonge Gibbon terechtkwam in een heel ander geestelijk klimaat. Vervuld van Verlichtingsideeën en met het voornemen een geschiedwerk te gaan schrijven, keerde de jongeman terug naar zijn vaderland.
Daar wachtte hem eerst de militaire dienst. Een nuttige activiteit, zou hij later oordelen, althans om een historicus te scholen. (Om dezelfde reden zou hij tussen 1773 en 1781 zitting nemen in het parlement.) Tijdens zijn legerjaren schijnt Gibbon het hoofd al gebroken te hebben over een van de belangrijkste kwesties van die tijd, namelijk de vraag of er een einde kon komen aan de vooruitgang. Hoe dramatisch de ineenstorting van een beschaving feitelijk is, lijkt echter pas tot hem te zijn doorgedrongen toen hij tijdens een reis naar Italië de ruïnes van Rome zag. Hoewel hij in zijn autobiografie anders zou beweren, dacht hij toen nog niet aan het schrijven over de ondergang van het Romeinse Rijk, want zijn eerste poging tot geschiedschrijving was een boek over de vrijheid van Zwitserland. Daarin wilde hij beargumenteren dat de beste garantie voor de vooruitgang lag in de burgerlijke vrijheid.
De ideeën van de negentiende eeuw zijn nog bij ons: de democratie bijvoorbeeld en de nationale staat zoals geschapen door de politici naar wie de straten zijn vernoemd in uw plaatselijke staatsliedenbuurt. Of de moderne wetenschap met helden als Maxwell, Mendel, Mendeleev alsmede Koch, Cantor en Curie. We groeien met de negentiende eeuw op, leven er nog in en denken dat het niet anders kan. Sommige ideeën hangen we op aan een persoon, zoals de evolutieleer van Charles Darwin, de psychoanalyse van Sigmund Freud en het complex aan ideeën van Karl Marx.
Socioloog, econoom, politicus
Karl Marx was enerzijds socioloog en econoom en anderzijds politicus. Als politicus is hij – of misschien beter: zijn erfgoed – voldoende omstreden om een eerlijke blik op zijn rol als wetenschapper lastig te maken. En let’s face it: hij had het nogal bij het verkeerde eind, want hij meende het einde van het kapitalisme te beschrijven terwijl hij in feite stond aan het begin.
Geen wonder dat schoolkinderen, als ze over Karl Marx moeten schrijven, nogal eens radeloos zijn (“naar mijn mening was die man helemaal niet zo slim”). Eén moeder vroeg me om haar zoon van veertien of vijftien, op wie ik erg ben gesteld, eens te helpen. En zo kwam het dat ik vorige week een treinreis heb benut om per Whatsapp een cursus marxisme te versturen. Kortom: hier zijn Marx en zijn historische context, gereduceerd tot vierendertig appjes.
Gisteren heb ik het leven van Winckelmann kort beschreven, vandaag wil ik het hebben over zijn oeuvre en zijn betekenis. Soms was de Duitse kunsthistoricus heel traditioneel, zoals in zijn Description des pierres gravées du feu Baron de Stosch uit 1760: een redelijk normale catalogus, die ook zijn voorgangers zouden hebben kunnen maken. Ook had hij, net als zijn tijdgenoten, nog een normaal brede onderwerpskeuze: weliswaar was hij enthousiaster over de Griekse kunst dan over de oud-Oosterse culturen, maar in de Geschichte der Kunst des Altertums behandelde hij toch ook de kunst van de Egyptenaren, Feniciërs, Perzen en Etrusken.
Het vernieuwende zit in de brug die Winckelmann sloeg tussen enerzijds de welbeschouwd zielloze beschrijvingen van voorwerpen en anderzijds de ideeën van de Verlichting. Hij stelde namelijk dat er een soort ideale kunst bestond en probeerde vervolgens te verklaren door welke maatschappelijke factoren deze was ontstaan. Zijn poging schoonheid te definiëren aan de hand van vaste criteria komt op ons wat bizar over, maar de toenmalige kunstkenners keken er niet van op. Ze keken evenmin op van Winckelmanns opmerkingen dat het lichaam van een man mooier was dan dat van een vrouw, dat het lichaam het beste zonder versiering kon worden afgebeeld (lees: naakt) en dat het beter was als emoties beperkt bleven. Emoties waren immers tijdelijk en de ware, eeuwige schoonheid bleef onverstoord door tijdelijke passies. Niets was Winckelmann een grotere gruwel dan de sculptuur van Gian Lorenzo Bernini, die hij in Rome dagelijks moet hebben gezien en die volgens hem alleen een ongeschoold publiek zou kunnen imponeren en dan ook nog kortstondig. (Ik moet altijd aan dit oordeel denken als ik het Groninger Museum zie. Saai.)
Ze schijnen echt te bestaan, mensen die nooit de memoires van Casanova hebben gelezen. En dat is natuurlijk vreemd. Het kan gebeuren dat ouders verzuimen hun kinderen kennis te laten maken met Jules Verne; niet iedereen heeft de middelen voor de aanschaf van het verzameld werk van W.F. Hermans; er zullen buitengewesten bestaan waar men geen Kuifje leest; natuurlijk mag je halverwege De toverberg zeggen dat het te saai is om verder te lezen. Dat kan allemaal, dat mag ook allemaal, maar dat er mensen zijn die nooit iets hebben gelezen van Casanova, dient te gelden als ernstige misstand.
Een maatschappelijke misstand, want een individuele keuze kan het niet zijn. Wie kennismaakt met de autobiografie van Casanova, leest haar uit. Het is hét hoogtepunt van de achttiende-eeuwse Europese letteren. Als mensen de twaalf delen niet allemaal lezen, kan dat alleen komen doordat hun nooit is verteld hoe geweldig boeiend Casanova is en het achterhouden van zulke informatie is gewoon asociaal wangedrag. Een ernstige misstand dus waarover, zelfs in de jaren waarin Jan Peter Balkenende hamerde op het belang van nette maatschappelijke omgangsvormen, nooit ook maar één Kamervraag is gesteld.
Parijs is méér dan de hoofdstad van Frankrijk. Het is de stad waar in de achttiende eeuw de ideeën van de Verlichting werden geconcipieerd en in de praktijk gebracht. Het is de basis waarvandaan Napoleon deze ideeën exporteerde, onder andere naar Egypte. Het is een plaats met een spreekwoordelijk losse seksuele moraal. Het is de belichaming van een land dat, trots op zijn laïcité, religieuze symbolen in het openbaar onderwijs verbiedt. Het biedt ruimte aan de meest vrije pers ter wereld.
Parijs is, tot slot, de plek waar de coördinatie plaatsvindt van militaire operaties in islamitische landen als Libië, Mali en Syrië. Dat is niet van vandaag of gisteren: het assertieve contraterrorismebeleid is ontworpen na de metro-aanslagen van ’95. Parijs staat hoog op de lijst van steden waaraan jihadisten een hekel hebben. Het is de hoofdstad van een militair actieve staat met een traditie van secularisme en Verlichting.
Een paar jaar geleden nam Robbert Dijkgraaf afscheid als president van de KNAW. Bij die gelegenheid reisde hij langs een paar musea, waar de curatoren aan de hand van allerlei voorwerpen vertelden over de geschiedenis van de natuurwetenschappen. Het resultaat was het boekje Reuzen van de Lage Landen, waarin Marcel Hulspas Dijkgraafs museumtournee beschrijft.
Het boek heeft een zwak punt, namelijk dat Robbert Dijkgraaf de verkeerde persoon is om op te treden als ondervrager. Ik zal daar bij een andere gelegenheid nog over schrijven – in de huidige planning eind mei – en me nu beperken tot een beschrijving van Reuzen van de Lage Landen. Er staat veel aardigs in. Heel veel zelfs.
De kloosterbibliotheken van Middeleeuws Europa telden hooguit enkele honderden boeken. De overgrote meerderheid kwam niet boven de duizend. Tegelijkertijd lagen er in de bibliotheken van Córdoba, Cairo, Bagdad en Nishapur tienduizenden boeken. Het is een bekende vergelijking, al is ze niet helemaal eerlijk, want hoe machtig sommige abdijen ook waren, geen ervan had de middelen van een compleet kalifaat. Ik zou ook niet goed weten hoe Rome en Constantinopel, waar vele kleine en middelgrote bibliotheken samen één grote verzameling bezaten, passen in de vergelijking. De conclusie is echter wel eerlijk: zo rond het jaar 1000 lagen de grootste intellectuele centra van de mensheid in de islamitische wereld.
Niemand stelt de intellectuele voorsprong van de toenmalige moslims ter discussie. Ze hadden toegang tot oude Indische, Perzische, oosters-christelijke, Grieks-Romeinse en Arabische tradities; ze haalden er het beste uit naar voren; ze combineerden het; ze breidden het uit. De bloei was niet alleen cultureel, maar ook politiek. Zeker, westerse barbaren waren aan het einde van de elfde eeuw de keizer in Constantinopel te hulp geschoten en hadden in de Levant eigen staatjes gesticht, maar deze kruisvaarders waren binnen een eeuw uit Jeruzalem verdreven. De Mongoolse invallen waren schadelijker geweest, maar ook deze barbaren waren uiteindelijk geassimileerd. In de Late Middeleeuwen breidden de legers van de islam het gebied weer uit: de Ottomanen maakten van de Zwarte Zee een islamitische binnenzee en rukten op tot Wenen.
Het was nog lang onrustig in de Utrechtse binnenstad, op 8 december 1641. Een academisch debat over de leer van René Descartes, die destijds in De Republiek woonde, was totaal uit de hand gelopen, met scheld- en schreeuwpartijen en verhitte discussies na afloop. De introductie van de nieuwe filosofie, waarin een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de materie en de geest, was niet onopgemerkt verlopen.
Descartes is bekend gebleven. Ik fiets elke dag langs zijn standbeeld. De naam van zijn tegenstander, Gijsbert Voet (‘Voetius’ in zijn Latijnse publicaties), zal vermoedelijk alleen in gereformeerde kringen nog een belletje doen rinkelen – een standbeeld heeft hij bij mijn weten nooit gekregen. Die vergetelheid is niet helemaal terecht, want Voet had ten minste één rake tegenwerping: als de mens zou bestaan uit materie en geest, hoe grepen die dan in elkaar? Hoe kon onze geest, die materieloos zou zijn, de indrukken van onze zintuigen, die wél behoorden tot de materie, verwerken? Hoe kon onze materieloze geest instructies geven aan onze ledematen?
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.