Dood paard

Paardenskelet uit Gonur Deppe
Skelet van een paard, Gonur Deppe

Misschien wel de grootste ontdekking van de geesteswetenschappen:

  • eerst ontdekking van de Indo-Europese taalfamilie,
  • vervolgens het proces van reconstructie van deze oertaal,
  • daarna het leggen van een verband met de archeologische resten van de Yamnaya-cultuur (Yamna-cultuur, kurgan-cultuur, putgrafcultuur…) die tussen 3600 en 2300 v.Chr. heeft bestaan in Oekraïne/Zuid-Rusland
  • tot slot de bevestiging daarvan door het DNA-onderzoek.

Taalkundigen, historici, archeologen, DNA-onderzoekers: in de geesteswetenschappen bereik je vooral resultaat als je je niet beperkt tot kleine specialismen. De impact van de ontdekking is ondertussen immens: we zijn volken gaan definiëren aan de hand van taal, wat eigenlijk een heel rare innovatie is geweest, met vérstrekkende politieke gevolgen, zoals iedere Belg u kan uitleggen.

Op de achtergrond speelt dan nog een andere, even interessante kwestie: de verklaring waarom de Indo-Europese taalfamilie zich van Ierland tot India en van Spanje tot Siberië heeft kunnen verspreiden. Er zijn diverse factoren te noemen, zoals de genetische mutatie die een deel van het afweersysteem onklaar maakte, waardoor mensen met wat ik maar even “Indo-Europees DNA” zal noemen (u mag de benodigde slagen om de arm zelf invoegen) niet langer allergisch reageerden op melk van andere diersoorten. Normaal gesproken zou je ziek worden van koeien- of geitenmelk, maar Indo-Europeanen hebben daar minder last van en dat gaf ze in een koud klimaat een extra bron van voedingsstoffen. Een andere verklaring, mijns inziens belangrijker, is dat ze beschikten over paarden.

Lees verder “Dood paard” →

Kwakgeschiedenis: Karahunj

De centrale cirkel rond de lage grafheuvel van vlakke stenen

Het megalithische complex van Karahunj of Zorats Karer in Armenië, waar ik vorige week ging kijken, is een van de indrukwekkendste plekken die ik ooit heb gezien. Toch is het helemaal niet groot. Het gaat om weinig meer dan een lage grafheuvel van vlakke grauwe stenen, omgeven door een cirkel van veertig menhirs, elk zo’n twee meter hoog, waarvandaan twee linten van rechtopstaande stenen zich uitstrekken naar het noorden en zuiden. In het uiterste noorden en zuiden staan nog wat aanvullende menhirs. In totaal zijn er 222 of 223 stenen brokken basalt.

In vierentachtig daarvan zijn gaten geboord, waardoor soms een fluitend geluid schijnt te klinken. Ik heb het niet zelf gehoord maar het geldt als verklaring voor de naam Karahunj (“de sprekende stenen”). De fluitende stenen zullen indrukwekkend zijn, want ze staan in een verder overdonderend leeg, desolaat landschap, vlakbij een ravijn.

Hoe oud zou het complex zijn? Hier ontspoort de zaak en begint het vermaak.

Lees verder “Kwakgeschiedenis: Karahunj” →

Wadi Awis

Rotsschildering uit de Wadi Awis

Tien jaar geleden reisde ik door de Wadi Awis, ruwweg ten oosten van Ghat in Libië. Ik zal het landschap niet snel vergeten. Uitgeblakerde zwarte rotsen en een woestijn zoals je je een woestijn voorstelt: zand, zand en nog eens zand. Een erg, in geomorfologenjargon. Het is echter, zoals ik al aangaf in mijn eerdere stukje over de Wadi Mathendous, niet altijd zo geweest. Er zijn rotsreliëfs en -schilderingen gevonden die bewijzen dat dit ooit een savanne is geweest.

De reliëfs zijn inmiddels door islamistische vandalen vernietigd en dat biedt weinig hoop voor de schilderingen, die weliswaar zijn aangebracht in abri’s, d.w.z. bewoonbare overhangende rotswanden, maar die desondanks erg kwetsbaar zijn. Het zou wel erg triest zijn als de foto’s die wetenschappers en toeristen ooit maakten, het enige zijn dat resteert van de duizenden jaren oude kunst. Maar ook al zijn de rotsschilderingen er vermoedelijk niet meer, er zijn nog nieuwe dingen over te vertellen.

Lees verder “Wadi Awis” →

Byblos in de Bronstijd

Het torentempeltje bij de Grote Residentie van Byblos, met ankerstenen onder de hoek links vooraan

Ik beschreef gisteren hoe Byblos was ontstaan: rond 3000 v.Chr. was het al een internationaal handelscentrum van betekenis, dat contacten had met Anatolië, Soedan en Baktrië. Dat veranderde in de Bronstijd niet. De stad exporteerde cederhout, gekapt op de westelijke hellingen van het Libanongebergte. Naar Byblos geïmporteerde producten als olijfolie en wol werden verder verhandeld aan het Egypte van de dynastieën 3, 4 en 5, (ca. 2675-2350 v.Chr.). Daarvandaan kwamen papyrus, graanproducten, touw, peulvruchten en vlas, zaken die de Bybliërs weer vanaf de Levantijnse Zee exporteerden naar Anatolië en Mesopotamië.

Naast de handel kende Byblos ook visserij, akkerbouw en veeteelt. De enorme welvaart van de stad blijkt wel uit de “Grote Residentie”, die ruim 900 vierkante meter groot was. Daarnaast stond een tempeltje dat was versierd met ankerstenen. Je kunt je voorstellen hoe een dankbare schipper zijn anker als bedankje heeft achtergelaten in het heiligdom van het Bronstijdequivalent van Sint-Nikolaas, de beschermer van de zeevarenden. Het viel me afgelopen december pas voor het eerst op: bij eerdere gelegenheden moeten de ankers overwoekerd zijn geweest door gras. Grappig genoeg zag ik dezelfde decoratie deze lente ook in het aanzienlijke jongere Kition op Cyprus.

Lees verder “Byblos in de Bronstijd” →

Het oude Egypte van John Romer

Koning Senusret III van Egypte (“Sesostris”;Metropolitan Museum of Art)

Het verhaal is overbekend: toen Napoleon naar Egypte trok, reisden geleerden mee, die daar de steen van Rosetta vonden. Hiermee kon Champollion de hiërogliefen ontcijferen en de grondslagen leggen van de egyptologie. Zoals het gaat met dit soort heldenverhalen is het kort door de bocht maar in de kern juist: de egyptologie is als wetenschap ontstaan in de negentiende eeuw.

En dat maakt uit. Oudheidkundigen beschikken namelijk vrijwel altijd over te weinig informatie. Dataschaarste is hét methodologische probleem dat de oudheidkundige disciplines verbindt en onderscheidt van de meeste andere wetenschappen. Door dit informatietekort is het onvermijdelijk dat bij de reconstructie van de antieke culturen de aannames van de onderzoeker een rol spelen, zodat de hoofdlijnen die de eerste egyptologen in hun vakgebied ontwaarden, hun negentiende-eeuwse wereld weerspiegelden. En aangezien latere oudheidkundigen voortbouwden op het werk van hun voorgangers, spelen die ideeën nog altijd een rol.

Lees verder “Het oude Egypte van John Romer” →

Kadaster

Kleitablet met een kadaster (Pergamon Museum, Berlijn)
Kleitablet met een kadaster (Pergamon Museum, Berlijn)

Vandaag in de reeks museumstukken: een kleitablet met een tekst uit het kadaster. Het is in het zuiden van Irak vervaardigd tegen het einde van het derde millennium v.Chr., dus ruim vierduizend jaar oud. Het zou – als het museum niet tot volgend jaar in verbouwing was – te zien moeten zijn in het Berlijnse Pergamonmuseum, wat suggereert dat het is verworven in de negentiende eeuw: dit museum bevat vooral voorwerpen uit het Ottomaanse Rijk, waarmee het Wilhelminische Duitsland het heel goed kon vinden.

Kadasters zijn een onbezongen grondslag van onze beschaving, maar dat vergt wat uitleg. Ze zijn ontstaan om gewaswisseling mogelijk te maken. Wanneer een gewas op een bepaald stuk land groeit, onttrekt het stikstof aan de bodem, zodat je het jaar daarop van dat stuk grond geen even rijke oogst kunt binnenhalen. Je moet de akker dus braak laten liggen en liefst ook bemesten om het weer even vruchtbaar te krijgen. De mensheid heeft in de loop der eeuwen diverse systemen ontwikkeld om dat zo efficiënt mogelijk te doen. Dat veronderstelt echter dat je weet welk veld waar ligt – en dus een kadaster.

Lees verder “Kadaster” →

Chinese zondvloed

Onlangs publiceerde De Volkskrant een leuk artikel over een overstroming die, in lang vervlogen tijden, aan de bovenloop van de Gele Rivier zou hebben plaatsgevonden. Een en ander is net gepubliceerd in Science (meer), waarin de onderzoekers tevens claimden bewijs te hebben gevonden voor de mythische watersnoden die, voordat China een echte staat werd, het land zouden hebben geteisterd.

Hoezo zondvloed?

De journalist die erover schreef, Maarten Keulemans, vroeg mij of ik commentaar had en ik heb hem naar eer en geweten verteld dat ik sceptisch was. Dat baseerde ik op een parallel met Mesopotamië, waar archeologen in verschillende steden dikke kleipakketten hebben gevonden die ze strijk en zet uitlegden als bewijs voor het Bijbelverhaal over de zondvloed. Helaas kan dit niet werkelijk zo zijn, aangezien die kleilagen niet zijn afgezet op hetzelfde moment en in elke stad een ander stratum vormen. Als ik een artikel over archeologisch bewijs voor mythische overstromingen aangeleverd zou krijgen voor Ancient History Magazine, zou ik het zeker weigeren. Zo kwam het dat ik in De Volkskrant werd geciteerd als een der sceptici die twijfelden aan de Chinese zondvloed.

Lees verder “Chinese zondvloed” →

Amulet

Slangenamulet uit Soch (Nationaal Historisch Museum van Oezbekistan, Tasjkent)
Amulet met slangen uit Soch (Nationaal Historisch Museum van Oezbekistan, Tasjkent)

Om nog even in Oezbekistan te blijven: dit amulet is te zien in het Nationaal Historisch Museum van Oezbekistan in Tasjkent. Het is gemaakt rond 2000 v.Chr. en opgegraven in Soch in de Fergana-vallei. Dus helemaal in het oosten van het land. Archeologen rekenen deze regio tot de periferie van wat bekendstaat als het “Bactria-Margiana Archaeological Complex” (BMAC). Er is linguïstische discussie over de vraag of de sprekers de voorlopers zijn van de Indo-Iraanse talen of dat de sprekers van deze talen, door het gebied trekkend, woorden hebben overgenomen van de mensen uit het Bactria-Margiana Archaeological Complex.

Lees verder “Amulet” →

Andronovo

Bijl met allerlei demonische wezens (Vroege Bronstijd; New York, Metropolitan Museum of Art)
Bijl met allerlei demonische wezens (Vroege Bronstijd; New York, Metropolitan Museum of Art)

Anderhalve maand geleden kondigde ik een reeks stukjes aan over de geschiedenis van Centraal-Azië, ingegeven door het feit dat ik binnenkort naar Oezbekistan zal gaan. Ik wilde die stukjes schrijven omdat ik de geschiedenis van het gebied onoverzichtelijk vind. Tot voor kort had ik eigenlijk maar twee of drie aanknopingspunten: de Perzische periode (die ten einde kwam met Alexander de Grote), en de Mongoolse heerschappij. En – vooruit – de Sovjetjaren.

Ik was die reeks niet vergeten, maar door gezondheidsproblemen kwam het er niet van. Grappig genoeg kreeg ik, net toen ik had besloten de reeks eens te gaan maken, het nieuws dat de vergunning rond was om Kara Tepe te bezoeken, een laat-antieke opgraving in het niemandsland tussen Oezbekistan en Afghanistan. Als dat geen voorteken is!

Lees verder “Andronovo” →

Anatolische beschavingen: Alacahöyük

“Zonneschijf” uit Alacahöyük, nu in het museum voor Anatolische Beschavingen in Ankara.

[Dit is het tweede deel van een reeks over de Brons- en IJzertijd van Turkije; het eerste deel is hier.]

De opkomst van de steden en het ontstaan van de staat vonden plaats tijdens de overgang van de Kopertijd naar de Vroege Bronstijd, zo rond 3000 v.Chr. Rond 2750 ging Arslantepe ten onder. De opgraving van Alacahöyük documenteert de tweede helft van het Vroeg Brons. Er zijn dertien koningsgraven gevonden – vijf ervan zijn momenteel te zien – waarin wonderlijke bronzen of zilveren voorwerpen zijn opgegraven die, om het oneerbiedig te zeggen, nog het meest lijken op mattenkloppers. Men noemt ze “zonneschijven”, maar dat is omdat we niet weten wat ze wél zijn.

Tegen het einde van de Vroege Bronstijd trokken nieuwe volken Anatolië binnen, die Indo-Europese talen spraken. Daarvan stammen drie talen uit de historische periode af: het Luwisch, dat we later aantreffen in het zuiden en westen van Turkije (bijvoorbeeld in Troje), een daarmee verwante taal die in een eigen schrift werd geschreven en daarom “hiërogliefisch Luwisch” wordt genoemd, en de taal van de Hittieten.

Lees verder “Anatolische beschavingen: Alacahöyük” →