
Voor zover ik weet – of beter: ik heb geen zin om het na te trekken – is de Nobelprijs voor de Letteren maar tweemaal gegeven aan een geschiedwerk. (Dat zegt veel over de verschraling van de humaniora, maar dat terzijde.) De laatste keer telt bovendien niet mee. Toen werd de onderscheiding verleend aan Winston Churchill en dat was evident politiek. Tot overmaat van ramp bleek een fors deel van zijn oeuvre het werk van ghost writers. Feitelijk is de Nobelprijs voor de Letteren dus slechts één keer uitgereikt voor de geschiedschrijving, en dat was in 1902 aan de Duitse historicus Theodor Mommsen. Hij nam het initiatief tot het Corpus Inscriptionum Latinarum, schreef een Römisches Staatsrecht (nog altijd hét standaardwerk) en voltooide vier delen van een Römische Geschichte. Een samenvatting in één band is antiquarisch volop leverbaar en je hoeft maar een paar bladzijden te lezen om te weten: dit is klasse.
Mommsens centrale gedachte, weleens aangeduid als de Mommsenthese, is dat de Romeinen traditionele vormen gebruikten voor revolutionaire innovaties. Het bekendste voorbeeld is de monarchie van keizer Augustus, die werd uitgedrukt in republikeinse staatsrechtelijke termen, zodat “herstel van de republiek” feitelijk “einde van de republiek” betekende. Andere voorbeelden zijn de Tetrarchie en de kerkelijke innovaties in Nikaia. Ik vond eergisteren nog een mooi voorbeeld.









Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.