Cornelis de Bruijn (5) Jeruzalem

Cornelis de Bruijn, het Heilig Graf

Dit is het vijfde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Het heilige Land

Cornelis de Bruijn wilde naar Jeruzalem, dat lag op twee dagen van de haven van Jaffa. Maar toen hij halverwege was, in Ramla, gaven de Ottomaanse gezagsdragers hem bevel te blijven waar hij was. Een epidemie in Jeruzalem maakte verder reizen onverantwoord. Pas na bijna drie maanden kon De Bruijn verder reizen en op 17 oktober 1681 bereikte hij de heilige stad. Onderweg passeerde hij het vervallen kerkje voor Sint-Joris in Lydda, waar ik vorig jaar over blogde.

De autoriteiten stonden geen privébezoek toe aan de heilige plaatsen. Ze hadden de franciscanen, die al sinds de Kruistochten de Europese christenen vertegenwoordigden, aangewezen als coördinatoren. De monniken organiseerden rondleidingen, die voor de zekerheid werden beschermd door bewapende Ottomaanse escortes. Pelgrimage was zo veilig en verantwoord, maar bezoekers kregen zo alleen te zien wat hun was toegestaan.

Lees verder “Cornelis de Bruijn (5) Jeruzalem”

De vlucht naar Egypte

Koptisch mozaïek van de Vlucht naar Egypte (Caïro)

Zomaar eens een vraag die ik binnen kreeg: waarom vluchtten Jozef en Maria, toen ze hadden vernomen dat koning Herodes kwaad in zijn zin had voor de pasgeboren Jezus (en alle andere kinderen in Bethlehem), eigenlijk naar Egypte? Als je in Bethlehem bent, zijn er toch makkelijker bereikbare plekken om je aan het koninklijk gezag te onttrekken?

Daar had ik eigenlijk nog nooit zo bij stilgestaan. En ik kan drie antwoorden verzinnen. Het eerste neemt het verhaal van de evangelist Matteüs zoals het is: omdat een engel verscheen aan Jozef, en omdat die engel zei “Maak je gereed en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte”.noot Matteüs 2.13. Dit antwoord zal voor een moderne lezer, die niet zoveel waarde hecht aan verschijnende engelen, niet zo heel bevredigend zijn.

Lees verder “De vlucht naar Egypte”

C14 | Constantinopel

De stedenmaagd van Constantinopel (Bodemuseum, Berlijn)

[Veertiende van zeventien blogjes over Constantijn de Grote (r.306-337). Het eerste was hier.]

Constantijns vicennalia, het feest van zijn twintigste regeringsjaar, eindigden in Rome. In deze jaren bouwde hij op de Vaticaanse heuvel in het westen de Sint-Pieter, terwijl hij op de Esquilijn in het oosten de Sint-Jan van Lateranen liet bouwen in een oud keizerlijk paleis. In het zuiden verrees de Sint-Paulus buiten de Muren. De bouw van deze christelijke basilieken leent zich voor tweeërlei uitleg: het is denkbaar dat Constantijn bescheiden aan de randen van de stad bouwde en het christendom niet wilde opdringen aan de bewoners van Rome; het is echter eveneens denkbaar dat hij de kerken plaatste op heuveltoppen om de mensen in te peperen dat het christendom had gezegevierd. Zoals meestal is er geen eenduidig antwoord.

Een extra residentie

Andere bouwprojecten uit deze jaren waren de Grafbasiliek in Jeruzalem en de Geboortekerk in Betlehem. Ook de forten langs de oostgrens werden versterkt. Het voornaamste bouwproject was echter de extra residentie, die bekend is komen staan als Constantinopel. Het ritueel waarmee de bouw in 324 was begonnen was heidens geweest. Sindsdien waren er nieuwe stadsmuren gebouwd en op 11 mei 330 werd de residentie plechtig ingewijd, opnieuw met een grotendeels heidens ritueel. Bij die gelegenheid werd ook het nieuwe forum in gebruik genomen, dat was aangelegd rond een porfieren zuil met daarop een beeld van de zonnegod. Het had de gelaatstrekken van Constantijn.

Lees verder “C14 | Constantinopel”

Israël en de Palestijnse gebieden (3)

De Ari Synagoge in Safed is een van bijzonderste plaatsen in Israël

In mijn twee vorige stukjes over de archeologie van Israël en de Palestijnse gebieden heb ik eerst de IJzertijd behandeld en daarna de Romeinse tijd. Voor ik afrond met het hedendaagse Jeruzalem, wil ik het nog hebben over de religieuze sites uit de tussenliggende eeuwen. Rabbijns jodendom en christendom zijn allebei ontstaan in deze regio. Vanaf de vierde eeuw hebben zij allerlei pelgrimsmonumenten ingericht. In feite nieuwbouw, bedoeld voor de toeristen uit die tijd.

Betlehem

In de eerste plaats Betlehem, waar ik zelf nooit ben geweest, maar waar ik graag eens heen zou willen omdat daar de Geboortekerk is. Helena, de moeder van keizer Constantijn de Grote, liet deze basiliek bouwen op de plek waar al een kerkje was. Onder deze kerk zijn grotten, en een daarvan schijnt te gelden als de plaats waar Jezus van Nazaret is geboren. In een andere grot heeft, nadat de grote basiliek was gebouwd, de kerkvader Hieronymus geleefd. Dus onder de grond, als ik het goed begrijp. Het oorspronkelijke apsismozaïek van de basiliek toonde het christogram dat Constantijn liet vereren. Dat mozaïek is er niet langer; de basiliek is in de zesde eeuw afgebrand en herbouwd. Maar ik ken deze plek dus niet persoonlijk.

Lees verder “Israël en de Palestijnse gebieden (3)”

Geen plaats in de herberg

Het is bijna kerstmis. Het is zinvol in mijn reeks over het Nieuwe Testament een beroemde passage uit het Evangelie van Lukas te behandelen. De voorgeschiedenis – de volkstelling van Quirinius – veronderstel ik bekend. Jozef en zijn zwangere echtgenote Maria zijn aangekomen in Betlehem.

Geen plaats in de herberg

Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in doeken en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het gastenverblijf.

De laatste regel wordt vaak vertaald als “geen plaats in de herberg”. Dat heeft geleid tot het misverstand in het bovenstaande plaatje: dat een harteloze herbergier het echtpaar zou hebben geschoffeerd. Het is niet eens helemaal uit te sluiten. Betlehem lag in Juda, waar men de neus wat ophaalde voor de boerenkinkels uit Galilea.

Lees verder “Geen plaats in de herberg”

Joodse retoriek (2)

Lukas (gevelsteen, Bethaniënstraat 16, Amsterdam)

In mijn vorige stukje legde ik uit dat in het jodendom, dat aanneemt God zich heeft geopenbaard door middel van een geschreven tekst, het citeren van heilige literatuur een manier was om overtuigend te klinken. Ik illustreerde dat aan de hand van het geboorteverhaal volgens Matteüs, die diverse passages aanhaalt om duidelijk te maken dat Jezus de messias is en dat het heil op het punt staat aan te breken. In dit vervolgstukje het andere kerstverhaal: dat van Lukas.

Dat wordt voorafgegaan door een proloog waarin de geboorte van Johannes de Doper wordt beschreven. Als Maria op bezoek gaat bij Johannes’ moeder Elisabet, begroet deze Jezus’ moeder, die daarop haar eigen zwangerschap beschrijft met niet minder dan elf citaten in tien regels (Lukas 1.46-55). Als Johannes is geboren, barst diens vader Zacharia uit met zeven citaten in koud twaalf verzen (Lukas 1.68-79). Beide hymnes – want dat is wat deze toespraakjes in feite zijn – gaan over het aanbreken van het heil.

Lees verder “Joodse retoriek (2)”

Joodse retoriek (1)

Caravaggio, “De roeping van Matteüs”

Hoewel dit stukje en het volgende gaan over het kerstverhaal, wil ik beginnen met twee Bijbelpassages die daar niet zoveel mee te maken hebben. Om te beginnen de toespraak van Stefanos, de eerste christelijke martelaar. U vindt zijn woorden hier. Wat u daar helaas niet meteen ziet, is dat die toespraak grotendeels bestaat uit citaten uit de joodse Bijbel. In totaal tweeënzestig in tweeënvijftig regels. Hetzelfde geldt voor mijn tweede tekst, het gebed van de profeet Jona in het gelijknamige Bijbelgedeelte. U leest het hier. In totaal zeven citaten in acht versregels, 167 woorden in de Nederlandse vertaling.

Zulke citaten vormen, om zo te zeggen, een oud-joodse vorm van welsprekendheid. Iedere cultuur heeft zijn eigen manier om overtuigend te spreken en in de joodse religieuze wereld, waarin men meende dat God zich openbaarde in heilige geschriften, gold het als buitengewoon overtuigend als een schrijver of spreker erin slaagde allerlei citaten door zijn tekst te vlechten. Wat wij overtuigend vinden, dat een bewering correspondeert met toets- en kwantificeerbare waarnemingen en wordt verantwoord in een notenapparaat met literatuurlijst, speelde in het toenmalige jodendom een ondergeschikte rol. “Citatenvlechten” is ook de wijze waarop de twee kerstverhalen, die van Lukas en Matteüs, tot stand zijn gekomen.

Lees verder “Joodse retoriek (1)”

Ster van Betlehem

De ster van Betlehem (Gevelsteen, Prinsengracht 162, Amsterdam)

Met kerstmis, zo schreef ik gisteren, verandert menig astronoom ineens in een bijbels literalist. Althans, als hij het heeft over de Ster van Betlehem, een onderwerp dat in die tijd van het jaar de aandacht trekt. Mijn bewering leverde me binnen enkele uren de vraag op of ik dit kon toelichten. Bij dezen dan.

Laat vooropstaan dat ik, als ik sterrenkundige zou zijn, óók in de verleiding zou staan de Ster van Betlehem te gebruiken om het grote publiek iets over mijn vakgebied te vertellen. Het is daarvoor een geschikt voorbeeld: het verhaal is goed bekend en de grote variatie aan hypothesen ter verklaring van het beschreven hemelverschijnsel biedt de mogelijkheid een even grote variatie aan onderwerpen aan te snijden – kometen, nova’s, planeetsamenstanden. De onvermoeibare Govert Schilling heeft er, als ik het wel heb, jarenlang een presentatie over verzorgd in het planetarium bij Artis. Ware ik sterrenkundige, ik zou het voorbeeld gebruiken.

Lees verder “Ster van Betlehem”

Iraniërs in Betlehem

Een magiër bij een vuuraltaar

Toen Jezus geboren was in Betlehem, kwamen er magiërs uit het Oosten. Ze vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.’

U kent deze passage misschien in een andere vorm, waarin sprake is van “wijzen” uit het Oosten. Maar de medewerkers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben geen fout gemaakt: de evangelist Mattheüs (2.1-2) gebruikt het woord magoi. En die kennen we: het zijn de religieuze specialisten van het oude Perzië, die mensen bijstonden door bij het heilige vuur de voorgeschreven, lange gebeden op te zeggen. Daarnaast lijken ze dromen te hebben uitgelegd. Met magie in onze zin van het woord, hekserij dus, heeft het niets te maken.

Met astronomie heeft het evenmin iets te maken, zodat het toch al wat merkwaardige bezoek van Perzische geheugenkunstenaars helemaal vreemd wordt. Een simpele verklaring is dat de bezoekers geen magiërs waren, maar sterrenwichelaars uit Babylonië. Daarvoor pleit dat de astrologen van Babylon wereldberoemd waren en dat in het Tweestromenland een grote Joodse gemeenschap was. Maar dat zou betekenen dat Mattheüs een woord heeft gebruikt zonder de betekenis goed te kennen. Dat niet valt uit te sluiten – niets menselijks is de evangelisten vreemd – maar het is wetenschappelijk wat onbevredigend te zeggen dat een auteur zelf niet weet wat hij bedoelt.

Lees verder “Iraniërs in Betlehem”