Wie Amman, de hoofdstad van Jordanië, over de grote weg vanuit het noordoosten binnenrijdt, rijdt dwars door de Neolithische vindplaats Ain Ghazal (“de bron van de gazelle”). Deze site is dan ook ontdekt bij het aanleggen van die weg. De bouwers hadden al aanzienlijke schade aangericht toen ze begrepen dat ze boven een archeologische vindplaats aan het werk waren, en onderbraken hun werkzaamheden. Vanaf 1974 is de site gedurende een kwart eeuw onderzocht.
Neolithisering
Dat er dus al met zwaar materieel gewerkt was, had één voordeel: de stratigrafie was van begin af aan duidelijk. Eén van de eerste constateringen was dat de oudste lagen behoorden tot het zogeheten Prekeramisch Neolithicum.
Een kopje met drie gezichten (Musée du Quai Branly, Parijs)
Het NRC Handelsblad publiceerde dit weekend een interview met Zenab Badawi, auteur van An African History of Africa, dat ik al eerder vermeldde. Ik had in dat interview wat kritischer vragen verwacht. Badawi is namelijk wél geïnteresseerd in het verleden, maar haar boek wemelt van de slordigheden en redenatiefouten. Eén daarvan staat in geschiedenisjargon bekend als naïef positivisme: de aanname dat geschreven bronnen én accuraat én representatief zijn. De meeste mensen herkennen wel het eerste probleem (de bevooroordeeldheid van deze of gene bron), maar niet het tweede (de incompleetheid). Badawi is zo iemand. Ze volgt datgene waarover ze informatie heeft en schept zo een verhaal over het verleden, maar het verhaal is niet representatief voor het geheel. Sta me nog een jargonterm toe: An African History of Africa is, hoe sympathiek ook, niet objectadequaat. Een journalist mag daar best vragen over stellen. Je bent een krant hoor.
De Nok-beschaving
Een van de onderwerpen die Badawi overslaat, is de Nok-beschaving. Voor wie deze blog leest omdat ’ie belangstelling heeft voor de Oudheid: Hanno, de Karthaagse zeeman die een ontdekkingsreis maakte langs de westkust van Afrika, had daarmee contact toen hij de monding van de Niger passeerde. Het is ook een van de gebieden waarover W. F. G. Lacroix zijn mooie boek Africa in Antiquity schreef, waarin hij aantoonde dat de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios betrouwbare informatie weergaf, gebaseerd op de mondelinge tradities waar een zeeman aan de monding van de grote rivieren kennis van kon nemen.
De Nok-cultuur wordt meestal door middel van thermoluminescentie gedateerd tussen 800 v.Chr. en 200 na Chr., met een “aanloopfase” waarover ik het nog zal hebben. Ze is dus even oud als de Nubische culturen van Napata en Meroë. Een respectabele context, zou je zeggen, maar Nok wordt doodgezwegen. En niet alleen door Badawi, hoewel die zegt het “complete verhaal” te willen vertellen.
Ik ben momenteel in Larnaka, het antieke Kition, op Cyprus; ik schrijf dit op mijn hotelkamer. Vanmiddag was ik in het Pierides-museum, dat de oudheidkundige collectie toont van een rijke Cypriotische familie. Het is een fijne plek om een uurtje door te brengen. Werkelijke topstukken staan er niet, maar het museum hypet de vondsten tenminste niet en biedt een gewoon gedegen overzicht van wat er in de Oudheid zoal op Cyprus is vervaardigd.
Zoals het bovenstaande beeld. Zesendertig centimeter hoog. Het dateert uit het Chalcolithicum, dus zeg maar de aanlooptijd naar de Bronstijd, ofwel het vierde millennium v.Chr. Even oud als de Naqada-cultuur in Egypte, de Uruk-cultuur in Mesopotamië en de Yamnaya-cultuur op de Pontische vlakte. Dit beeld is uniek: een man op een krukje, de knieën opgetrokken, ellenbogen op de knieën ter ondersteuning van het hoofd. Wijdopen mond. En het is een vaas.
Binnenkort is in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie over de Bronstijd. Het leek me, zoals ik al eerder schreef, een aardig idee de toenmalige samenleving te beschrijven aan de hand van de taal. Dit Bronstijderfgoed biedt immers een fantastisch venster op een van de toenmalige samenlevingen: de Yamnaya-cultuur in het huidige Oekraïne. Die is gedeeltelijk te reconstrueren aan de hand van de gedeelde woordenschat van latere volken, die het schrift beheersten. De redenering is hierbij dat als iets het geval is geweest in én de Proto-Indo-Europese samenleving rond 3000 v.Chr. én de schrijvende samenlevingen, het eveneens het geval moet zijn geweest in de tussenliggende Bronstijdsamenlevingen.
Vader Hemel
Zo kunnen we ook uitspraken doen over de religie van de Bronstijd. Die was, om te beginnen, polytheïstisch. Iets preciezer: men vereerde – voor zover de documentatie reikt – vooral hemelgoden, en dan vooral Vader Hemel. Die heet in het Grieks Zeus Pater, in het Latijn Ju-piter, in het Indisch Dyaus Pitar. Het tweede element betekent vader, het eerste element, *Dyeus, is afgeleid van een werkwoord dat zoiets als “stralen” of “schijnen” betekent. Datzelfde werkwoord ligt aan de basis voor het woord voor god, dat in het Latijn deus is, in het Indisch devas, in het Keltisch dewos, in het Hittitischšiuš en in het Gotisch teiws. Het Griekse theos lijkt er weliswaar op maar heeft een andere herkomst.
Onlangs kreeg ik over een kop koffie de vraag voorgelegd of ik kon samenvatten bij welk nieuws over de Oudheid een krantenlezer alert moest zijn. De vraag bracht me van mijn à propos. Hoewel signaalwoorden als “Israël” of “Pompeii” voor de hand liggen, is het lastig beknopt uit te leggen waarom juist die onderwerpen problematisch zijn.
Trouwens, ik weet niet eens waarom stukken over Pompeii zo vaak niet deugen. Misschien hebben ze daar een publiciteitsmedewerker die denkt dat het niet uitmaakt hoe je in het nieuws komt, als je maar in het nieuws komt. Feit is dat het meeste nieuws over Pompeii niet klopt. Dat kale vertrek met tralies in die bakkerij, afgelopen december gehypet als bewijs van de slechte levensomstandigheden van slaven, kan evengoed een tegen diefstal beveiligde graanopslag zijn geweest. En nee, die tovenaar wiens uitrusting zou zijn gevonden, dat is gewoon een verzinsel.
Advies: als een bezoek aan Pompeii er niet in zit, bezoek dan een expositie, lees een boek, maar geloof de media liever niet.
Kybele op een reliëf uit Karchemiš (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)
De diverse volken in de Oudheid aanbaden vele, vele goden en godinnen. Een van de allerbekendste was de grote godenmoeder: de godin die ooit de andere goden, de eerste mensen, de dieren en de wilde natuur had gebaard. Kortom: de universele moeder. De mensen in Anatolië, zeg maar het huidige Turkije, vereerden haar onder diverse namen. Uit Hittitische bronnen kennen we haar onder de naam Hepat.
Uit het eerste millennium v.Chr. kennen we bijvoorbeeld de Leto van de Lyciërs en de Artemis van Efese. Matar, Agdistis en Kybele zijn de Frygische namen van de godin. De laatste naam zou gaan vanaf de vijfde eeuw v.Chr. gaan overheersen.
Is een munt een munt als je er niet zomaar mee kunt betalen? (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)
De Eerste Hoofdwet van de Archeologie: als een archeoloog niet weet wat iets is, noemt hij het religieus of ritueel. Aangezien voorwerpen topologisch altijd wel tot een staaf of een ring zijn te herleiden, is er ook steeds vruchtbaarheidssymboliek te verzinnen. Daarom hoeven we niet na te denken over de Victoriaanse oorsprong van hedendaagse concepten over natuurreligie. Scheelt een hoop gedoe. Wel zo gemakkelijk.
De dubbele bodem is dat in de Oudheid alles religieus was. Zelfs als we iets eenduidig als onderdeel van de cultus kunnen identificeren, verheldert de constatering weinig.
Ik zal niet snel zeggen dat dit of dat hunebed mijn enige favoriet is. Ook een kleine stapel zwerfkeien heeft charmes, zeker als je na een fietstochtje je bestemming vindt. Maar ik heb een zwak voor de hunebedden D28 en D29. Ze liggen in een klein bosje halverwege Borger en Buinen. Een foto die ik er van de bomen maakte – mooi zacht licht, een vermoeden van regen – dient op mijn computer als bureaublad.
Niet dat de hunebedden D28 en D29 zo speciaal zijn. Het bezoek was echter zo’n zeldzaam moment van harmonie. Alles klopte even. En dat is eigenlijk het grotere doel van mijn fietstochtjes: de landschappen van Drenthe zijn, als ik een cliché mag slaken en negeren dat ik vlakbij de N374 stond, vaak zo sereen dat je even weggetrokken bent uit het jachtige hier en nu. De hunebedden zelf zijn al even tijdloos. Anderen mogen houden van de gezellige drukte van een festival, maar ik zoek rust. (Ik bedenk ineens dat toen ik als dienstplichtige naar de kazerne moest, ik reisde in het goederencompartiment van de trein om niet te hoeven luisteren naar gesprekken.) Als ik werk zou kunnen vinden in Drenthe, zou ik de verhuizing serieus overwegen.
Het op zevenentwintig na noordelijkste hunebed in Nederland, uiteraard als we het nep-hunebed bij Gasselte niet meetellen, ligt te zuidwesten van Drouwen, ongeveer op dezelfde breedte als de hunebedden bij Bronneger: het groepje D22 en D21 en het drietal D23, D24 en D25. Je krijgt de indruk dat hier in de tijd van de hunebedbouwers een doorgaande weg was die vanuit Grolloo naar het oosten liep, in de richting van de monding van een beekje dat bij Bronneger van de Hondsrug neer kwam stromen.
Met een lengte van twaalf meter en een breedte van 3¾ meter is dit grafmonument middelmatig groot. De kransstenen zijn nog zichtbaar.
Het potje dat bekendstaat als de Bagdadbatterij (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)
En daar was ’ie ineens. Niet eens onopvallend stond het daar in het Nationaal Museum van Irak in Bagdad: een van die voorwerpen die een Von Däniken blij zou hebben gemaakt. De Bagdadbatterij dus.
Het voorwerp is bij de aanleg van een spoorlijn in 1936 gevonden in Khujut Rabu, een van de dorpen op het terrein van de Parthische en Sassanidische hoofdstad Ktesifon. Het gaat om een potje van een centimeter of dertien hoog (zie boven), waarin een koperen kokertje stond, waarin weer een ijzeren staafje zat. Het kokertje is niet waterdicht: als het potje met een vloeistof zou zijn gevuld, zou ook het staafje nat worden. Men had – en heeft – geen idee wat het is. Wel vermoeden we dat het potje stamt uit de Sassanidische tijd, dus tussen pakweg 225 en 650.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.