Een paar maanden geleden noemde ik in dit zondagse reeksje over nieuwtestamentische personen die we ook van buiten de Bijbel kennen de man die in de Handelingen van de apostelen wordt aangeduid als “de Egyptenaar”. Ik citeerde de passage al eens eerder:
Vlak voordat Paulus de kazerne binnengebracht zou worden, zei hij tegen de tribuun: “Mag ik u iets vragen?” De tribuun [Claudius Lysias] antwoordde: “Spreekt u Grieks? Bent u dan niet die Egyptenaar die onlangs in opstand kwam en met vierduizend oproerkraaiers de woestijn in getrokken is?” Paulus zei: “Ik ben een Jood uit Tarsos in Cilicië, burger van een niet onbelangrijke stad.”nootHandelingen 21.37-39; NBV21.
Portret van een Romein, tweede kwart eerste eeuw (Archeologische collectie, Mérida)
Ik heb in mijn zondagse reeks over het Nieuwe Testament wel vaker geblogd over de Twaalf, de door Jezus aangewezen leiders van het te herstellen Israël. Na de dood van Judas Iskariot zijn de Elf nog een keer op sterkte gebracht, zo lezen we in de Handelingen van de apostelen, maar vervolgens verdwijnen ze, althans als groep, uit de geschiedenis. Het initiatief komt bij een andere groep, die we doorgaans aanduiden als de diakens, al gebruikt de Bijbel die aanduiding niet. De aanleiding:
Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Hebreeuwssprekendennoot “Hebreeuws” is hier de Nederlandse weergave van het Griekse woord voor de taal die wij “Aramees” noemen. verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld.nootHandelingen 6.1; NBV21.
Portret van een Romein, midden eerste eeuw (Museo civico, Milaan)
Zoals de trouwe lezers van deze blog wellicht hebben gemerkt, blog ik in de zondagse reeks over het Nieuwe Testament momenteel vooral over personages die we ook van buiten de Bijbel kennen. Eén daarvan is Antonius Felix, de Romeinse gouverneur van Judea die een rol speelde in het proces tegen de apostel Paulus. Ik heb er al vaker over verteld: Paulus werd in Jeruzalem gearresteerd en op transport gesteld naar Caesarea, waar gouverneur Felix verbleef. Die hoorde Paulus’ aanklagers en diens verdediging, en hield de aangeklaagde in verzekerde bewaring.
Enkele dagen later ging Felix samen met zijn vrouw Drusilla, die een Jodin was, naar de gevangenis. Hij liet Paulus halen om te horen wat hij over het geloof in Christus Jezus te zeggen had. Maar toen Paulus sprak over gerechtigheid en zelfbeheersing en over het komende oordeel van God werd Felix bang en zei: “Voorlopig kunt u gaan. Wanneer ik in de gelegenheid ben, zal ik u weer laten roepen.” Maar intussen hoopte hij dat Paulus hem geld zou aanbieden; daarom liet hij hem telkens weer komen voor een gesprek. nootHandelingen 23.24-26; NBV21].
Inscriptie van Berenike en Agrippa II uit Beiroet (klik=groot)
De Joodse prinses Berenike maakt in het Nieuwe Testament één keer haar opwachting en dat leidt tot zegge en schrijve drie vermeldingen. Dat is niet veel, maar we vangen desondanks een glimp op van een van de meest fenomenale vrouwen uit Romeinse geschiedenis. Ze was de dochter van de Joodse koning Herodes Agrippa I (r.37-44) en de zus van koning Herodes Agrippa II (r.43-100). Hier zijn de drie vermeldingen.
Paulus
Koning Agrippa en Berenike kwamen naar Caesarea om bij Festus hun opwachting te maken. Tijdens hun verblijf, dat verscheidene dagen duurde, sprak Festus met de koning over de rechtszaak tegen Paulus.nootHandelingen 25.13-14; NBV21.
Een voorname Romein, midden eerste eeuw (Museo civico, Milaan)
Het was 52 na Chr., het was in Korinthe en Paulus had het weer eens aan de stok met mensen die niet op nieuwlichterij zaten te wachten. Ik heb het incident al eens beschreven: joodse burgers sleepten de apostel voor het gerecht, waar de Romeinse gouverneur, Gallio, zei dat hij niet kon oordelen over joodse rechtsregels.nootHandelingen 18.
Lucius Junius Gallio Annaeanus
Die Gallio, die kennen we. Hij heette voluit Lucius Junius Gallio Annaeanus en was de broer van Seneca. Dat Paulus, om zo te zeggen, slechts één handdruk was verwijderd van de beroemde senator-filosoof, was voor vrome vervalsers een onweerstaanbaar aantrekkelijk gegeven, en zo komt het dat in de Late Oudheid een onechte briefwisseling tussen de twee auteurs circuleerde. Gallio zelf is echter ook een interessante man.
Schriftgeleerde met boekrol (Catacombe van Petrus en Marcellus, Rome)
Tweemaal noemt het Nieuwe Testament, waaraan ik op zondag nogal eens een blogje wijd, Gamaliël. Of beter: Gamaliël de Oudere, of Gamaliël I, want er zijn nogal wat rabbijnen geweest met die naam. Daarover zo meteen. Eerst iets over de man zelf, die leefde in de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. Een tijdgenoot dus van Jezus van Nazaret, al zijn er geen aanwijzingen dat ze elkaar ooit hebben ontmoet.
Farizese wetsleraar
Eén vermelding is in een toespraak die de auteur van Handelingen in de mond legt van de apostel Paulus. Hij stelt zichzelf voor:
“Ik ben een Jood, geboren in Tarsus in Cilicië, maar opgegroeid in deze stad. Ik heb als leerling aan de voeten van Gamaliël gezeten en ben strikt volgens de voorschriften van de Wet van onze voorouders opgevoed.”noot Handelingen 22.3; NBV21.
Een week of twee geleden begon ik een blogje met de constatering dat in het Nieuwe Testament tweeëntwintig mensen worden vermeld voor wie ook buiten-Bijbels bewijs bestaat. Inmiddels weet ik dat het er meer zijn, zevenendertig namelijk, en ik zal nog een overzicht geven, maar vandaag wil ik alvast een van die mensen behandelen: Judas de Galileeër.
Judas de Galileeër
Hij wordt in het Nieuwe Testament één keer genoemd. In het Sanhedrin is er, kort na de kruisiging van Jezus, beraad over de nieuwe sekte, die zich niet heeft laten onderdrukken. Petrus heeft herhaald dat God Jezus een plaats heeft gegeven in de hemel, wat tot grote verontwaardiging leidt, tot de farizese leider Gamaliël het woord neemt. Hij verwijst naar een rebel, Theudas, die enig succes had gehad maar wiens beweging uiteindelijk op niets uitliep.
Na hem was er Judas de Galileeër, die ten tijde van de volkstelling met zijn volgelingen in opstand kwam. Ook hij ging ten onder, en al zijn volgelingen werden uiteengedreven.noot Handelingen 5.37; NBV21.
Kajafas moet hebben geleken op deze joodse hogepriester (Aäron), afgebeeld in de synagoge van Doura Europos.
De meeste personages uit het Nieuwe Testament zijn naamloos. Hoe heetten de wijzen uit het oosten of de Syrofenicische vrouw? Van een aantal kennen we wel de namen, zoals Lazarus of Junia, maar weinig méér. Slechts een paar mensen hebben iets dat lijkt op een biografie. Tot slot zijn er de personages die ook buiten de Bijbel worden vermeld: tweeëntwintig in totaal, waarvan vijf dubieus en twee zeer dubieus. Eén van van de meer zeker gedocumenteerden is Jozef Kajafas. Iedereen weet dat hij de joodse hogepriester was die Jezus verhoorde en doorverwees naar Pontius Pilatus.
Kajafas – in het ArameesQayafa – was niet zomaar een hogepriester. Hij bekleedde het ambt achttien jaar, van 18 na Chr. tot het moment waarop de gouverneur van Syrië, Lucius Vitellius, hem en Pilatus verving, in de winter van 36/37. Dit duurrecord betekent dat hij en de Romeinse gezagsdragers zaken konden doen. Kajafas was verantwoordelijk voor de rust ten tijde van keizer Tiberius.noot Tacitus, Historiën 5.9.
Judaea Capta, “Judea is onderworpen” (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
[Tweede blogje over Romeins Judea; het eerste was hier.]
Het keerpunt
De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus beweert dat er vanaf de dood van Herodes de Grote een rode draad was van aanhoudend geweld, dat uiteindelijk culmineerde in de Joodse Opstand van 66-70 na Chr. alsmede het einde van de eredienst in de tempel in Jeruzalem. Josephus kan voor het eerste en langste deel van die periode echter geen voorbeelden noemen en zijn tijdgenoot en collega Tacitus is overtuigd van het tegendeel: sub Tiberio quies, ten tijde van keizer Tiberius heerste er rust.noot Tacitus, Historiën 5.9. In 36/37 was er voor het eerst een incident, toen een samaritaanse messias naar de wapens liet grijpen. Pontius Pilatus onderdrukte de revolte voor ze gevaarlijk werd.
Enkele jaren later, in de winter van 40/41 na Chr., wilde keizer Caligula zijn standbeeld hebben in de tempel in Jeruzalem. Dat leidde tot protesten en de eerste interventie van de legioenen. De dood van de keizer verhinderde een bloedbad, maar voortaan was het gedaan met de rust.
De nieuwe keizer, Claudius, zocht een alternatief voor het prefecten-bestuur en benoemde een kleinzoon van Herodes de Grote tot koning: Herodes Agrippa I. Deze regeerde van 41 tot 44 en kreeg niet alleen de gebieden in handen die ooit door Archelaos bestuurd waren geweest, maar ook die van Antipas en Filippos. Bovendien kreeg zijn broer, Herodes van Chalkis, het bestuur toegewezen van de Arabische Itureeërs in de Bekaavallei. Het Joodse koninkrijk was opnieuw intact en Agrippa lijkt zichzelf te hebben beschouwd als een soort messias, die Israël had hersteld. De auteur van de Handelingen van de apostelen, die een andere messias vereerde, vermeldt zijn onverwachte dood niet zonder leedvermaak.nootHandelingen 12.23.
De ark van Noach (Gevelsteen op de Schreierstoren, Amsterdam)
Ik heb de laatste weken op zondag geblogd over nieuwtestamentische visies op de wereldondergang. Nu eens was er een Laatste Oordeel voorzien met een Mensenzoon; dan weer was het einde totaal; dan weer verdween een oude aarde om een nieuwe mogelijk te maken. Dat laatste doet wat denken aan de wereldondergang die de we – althans volgens de toenmalige mensen – al eens hebben meegemaakt: de Zondvloed. Het verhaal is bekend uit Mesopotamië, Griekenland en Rome en ook de Bijbel.
Cultureel ijkpunt
De Zondvloed was voor Joden een enorm belangrijk ijkpunt. Degenen die in de derde, tweede eeuw v.Chr. hun bestaan en opvattingen ondermijnd zagen worden door de opkomst van de Griekse cultuur, vertelden het verhaal van Noach opnieuw. Zo ontstond de Henochitische literatuur. In de Q-Bron benut Jezus het motief om te vertellen hoe onverwacht het einde der tijden zal zijn:
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.