Het einde van Valerianus

Valerianus (Archeologisch museum, Izmir)

Een christen zou zijn vijanden lief moeten hebben, maar een christen is ook maar een mens. Neem Lactantius. Kort nadat keizer Galerius in 311 op zijn doodsbed de christenvervolging had beëindigd en nadat diens opvolger Licinius in 313 de christenen compensatie had beloofd voor de door de vervolging toegebrachte schade, publiceerde Lactantius De dood van de vervolgers, waarin hij in geuren en kleuren beschreef hoe de vervolgers aan hun levenseinde waren gekomen. Galerius’ doodsbed zou één lange martelgang zijn geweest, maar Lactantius’ verslag zegt minder over wat er feitelijk gebeurde dan over wat de auteur de vervolger gunde (namelijk hetzelfde lot als jodenvervolger Antiochos IV Epifanesnoot2 Makkabeeën 9.5-9.).

En dan was er keizer Valerianus, die in 253 aan de macht was gekomen in een rijk dat op dat moment in crisis verkeerde. De inflatie gierde de bocht uit. Er waren diverse opstandelingen. De mijnen waren uitgeput. Een gruwelijke epidemie – vermoedelijk iets dat leek op ebola – had al tienduizenden slachtoffers gemaakt. Barbaarse stammen, zoals de Franken en de Goten, braken door. In het oosten was een nieuwe dynastie opgestaan, de Sassaniden uit Perzië, en die was een stuk agressiever dan de eerdere Arsakiden uit Parthen; koning Shapur had Antiochië al geplunderd. De Romeinse wereld leek gedoemd.

Lees verder “Het einde van Valerianus”

II Parthica, Romes strategische reserve

Felsonius Verus, standaarddrager van II Parthica. Hij heeft de adelaarstandaard van zijn legioen opgeruimd in een beschermende kooi, klaar voor transport (Apamea)

In de eerste twee eeuwen van onze jaartelling plaatsten de Romeinen hun legioenen niet ver van de Rijn, Donau en Eufraat. De transportwegen moesten immers worden bewaakt en bijkomend voordeel was dat een vijand altijd een rivier moest oversteken, wat meestal wat voorbereiding vergde en dus de verdediger tijdwinst opleverde. Het nadeel van deze vorm van lijnverdediging was dat als de vijand eenmaal was doorgebroken, hij meteen diep het imperium kon binnendringen. Vandaar dat in de Late Oudheid een mobiele strategische reserve bestond.

Ontstaan

Het initiatief kwam van keizer Lucius Septimius Severus (r.193-211). In het kader van zijn oorlog tegen het Parthische Rijk formeerde hij drie nieuwe legioenen: I Parthica en III Parthica bleven in het oosten, maar II Parthica ging met hem mee naar Rome, kreeg een basis op de Albaanse Berg en diende voortaan als strategische reserve. Het legioen, dat tevens diende als tegenwicht tegen de Praetoriaanse Garde in Rome, kreeg al snel een tweede bijnaam, Albana.

Lees verder “II Parthica, Romes strategische reserve”

XII Fulminata aan de Eufraat

Het regenwonder, waarbij XII Fulminata werd gered, op de Zuil van Marcus Aurelius in Rome

Ik vertelde in het vorige stukje hoe XII Fulminata was onteerd in de Armeense oorlog. Het werd, zoals ik zei, nog erger.

Joodse Oorlog

In oktober 66 na Chr. had de gouverneur van Judea, Gessius Florus, militaire steun nodig om de controle over het in opstand gekomen Jeruzalem terug te winnen. Het Twaalfde (ondersteund door onderafdelingen van IIII Scythica en VI Ferrata) kwam, zag en keerde terug: de commandant had vastgesteld dat zijn strijdmacht niet sterk genoeg was. Dat was tot daar aan toe. Op de terugweg werd het legioen echter door de Joodse leider Eleazar, de zoon van Simon, verslagen. Aan de vernedering werd nog de schande toegevoegd: het legioen verloor zijn adelaarsstandaard.

Lees verder “XII Fulminata aan de Eufraat”

Het rijk van Palmyra

Mogelijk portret van Odaenathus (Museum van Palmyra)

Ten oosten van Palmyra, voorbij de Eufraat, lag het Parthische Rijk. Anders dan het Romeinse Rijk was het geen centrale staat, maar een confederatie van stadstaten, koninkrijken en stammen. Onder de stadstaten was Charax, aan de kop van de Perzische Golf, een van Palmyra’s handelscontacten. Onder de oude koninkrijken bevond zich Persis, geregeerd door de Sassaniden, die beweerden afstammelingen te zijn van de Achaimeniden.

In 224-226 na Chr. kwam de Sassanidische vorst Ardašir I in opstand tegen de Parthische koning Artabanos IV. Met succes: de Perzen namen de macht over in het oosterse wereldrijk. De nieuwe “koning der koningen” ging verder met het aanvallen van de Romeinse steden Nisibis en Edessa, en al snel was de Eufraatvallei veranderd in een oorlogsgebied. De Romeinse keizer Severus Alexander leidde een tegenaanval – de aanleiding tot het zojuist genoemde bezoek aan Palmyra in 232 – en wist de status quo te herstellen. Althans gedeeltelijk. De handel tussen Palmyra en de Perzische Golf was nu moeilijker, dus contacten met India en China waren voortaan afhankelijk van de welwillendheid van de Sassanidische heersers.

Lees verder “Het rijk van Palmyra”

Het Rijk van de Sassaniden (1)

Shapur I (Bishapur)

Ik kondigde het al aan: in mijn reeks naar aanleiding van het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, vandaag een stuk over de Sassaniden. Deze dynastie, die vanuit Perzië regeerde over Irak, Iran, Afghanistan en omringende gebieden, speelde een belangrijke rol in wat voor het Romeinse Rijk “de Crisis van de Derde Eeuw” heet. De Sassaniden waren echter meer dan een Angstgegner voor de Romeinen. De periode tussen 224 en 651 is ook te beschouwen als onderdeel van de geschiedenis van Voor-Azië. Een recente studie heet Re-Orientalizing the Sasanians.

De vroege Sassaniden

De naam “Sassaniden” is afgeleid van die van een Anahita-priester genaamd Sassan, die gold als de voorouder van de dynastie. De familie behoorde tot wat De Blois en Van der Spek de “grootgrondbezittende aristocratie van krijgers” noemen. Haar grootgrondbezit was in de omgeving van Firuzabad en Istakhr, dat niet ver ligt van het aloude Persepolis. Deze streek heette Persis, het Perzische kernland. Een van Sassans zonen, Papak, kwam aan het begin van de derde eeuw na Chr. in opstand kwam tegen de wettige heerser van heel Iran, de Parthische koning Artabanos IV.

Lees verder “Het Rijk van de Sassaniden (1)”

De Crisis van de Derde Eeuw

Geen publicatie, zelfs geen blogje, over de Crisis van de Derde Eeuw is compleet zonder de Ludovisi-sarcofaag (Palazzo Altemps, Rome)

Elke week schrijf ik een stukje naar aanleiding van het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, waarin ik inmiddels ben aangekomen bij wat bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. Eigenlijk is dat een verkeerde naam. We zouden beter kunnen spreken van crises, meervoud. De hippe term is polycrisis: de oplossing van de ene crisis bemoeilijkt de oplossing van de andere en andersom. Noem het desnoods een clusterfuck. Ik zal volgend jaar op enkele aspecten ingaan, maar neem u vandaag even mee naar een ander, net verschenen boek, Augusti. Niet altijd zo verheven van Johan Hendriks.

Dat gaat dus over de Romeinse keizers, waarvan er in de derde eeuw nogal veel zijn geweest. Het sterke van het boek is dat het niet alleen gaat over de gebruikelijke reeks staatsgrepen en doodsoorzaken. Die aspecten zijn immers even sensationalistisch als uitgemolken. Hendriks behandelt ze wel, maar heeft ook het veel interessantere perspectief van het keizerschap als een zich voortdurend ontwikkelende rol. Een rol die zich ontwikkelde in wisselwerking met de veranderende omgeving. Dit dwingt Hendriks tot het geven van een systematisch overzicht van de derde-eeuwse crises. Hij noemt er vijf: een bestuurlijke crisis, een militaire crisis, een economische crisis, een veiligheidscrisis en tot slot een geloofwaardigheidsprobleem.

Lees verder “De Crisis van de Derde Eeuw”

Twee Belgische praetorianen

Wijding door de praetorianen Julius Justus en Firmus Maternianus (Capitolijnse musea, Rome)

De stad Rome beschikte in de keizertijd over diverse organisaties om de openbare orde te bewaken. Er waren stadscohorten (een soort politie) en vigiles, die deels brandweer en deels politie was. Er waren praetorianen, die we kunnen beschouwen als een keizerlijke garde, en er was een bereden keizerlijke lijfwacht. Dan waren er vlooteenheden, die aan zee waren gestationeerd maar regelmatig dienden in de stad. Vanaf de late tweede eeuw lag het Tweede Legioen Parthica op de Albaanse Berg. Dat er zoveel verschillende soorten bewakers waren, was niet omdat Rome onrustig of opvallend gewelddadig was. Het bood de keizer, als hij twijfelde aan de loyaliteit van een van deze groepen, een mogelijkheid terug te vallen op de andere. De Romeinse vloot in Misenum was er niet om piraten te bestrijden maar om de praetorianen in de gaten te houden.

Hier is een inscriptie van enkele praetoriaanse gardisten uit Gallia Belgica, die is gevonden halverwege de Maria Maggiore en het spoorwegstation. Dat is niet ver van de kazerne van de praetorianen. Bovenaan zien we middenin de oppergod Jupiter, herkenbaar aan zijn adelaar. Links van hem staat de oorlogsgod Mars, rechts herkennen we Nemesis. Zij is de godin van de vergelding, herkenbaar aan de maatstaf. Aan de zijkanten zijn Sol en Victoria afgebeeld, de Zon en de Overwinning. De tekst van deze inscriptie, die bekendstaat als EDCS-18900606, is op de foto wat moeilijk leesbaar:

Lees verder “Twee Belgische praetorianen”

De stichting van Rome

Nijlpaard op een munt die Philippus Arabs sloeg ter herdenking van het duizendjarig bestaan van Rome (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

Het was in de IJzertijd niet ongebruikelijk dat mensen woonden op heuveltoppen en de vallei van de Tiber was geen uitzondering. Ook voor Rome is het gedocumenteerd: we weten dat er boeren woonden op de toppen van de Palatijn, Velia, Capitool en Quirinaal. Dat de Romeinen later dachten dat hun stad was gesticht door herders, is nog maar een eerste vergissing. Dat de stad was gesticht op 21 april is een volgend misverstand, ingegeven door het feit dat de Romeinen zich niets primitievers konden voorstellen dan herders en de herders in Latium op die dag een oud lentefeest vierden.

Wat in feite gebeurde is dat in de late negende eeuw v.Chr. de heuveltopdorpjes begonnen samen te werken. Een echo klinkt door in een opmerking van de Romeinse taalkundige Festus, die het woord Septimontium, “zevenheuvelenfeest”, moet verklaren en zegt dat

op zeven plaatsen offers werden gebracht: op de Palatijn, op de Velia, op de Fagutal, in de Subura, op de Germalus, op de Caelius, op de Oppius en op de Cispius.

Lees verder “De stichting van Rome”

Maximinus de Thraciër

Een damnatio memoriae van Maximianus Thrax uit Sétif

Mijn zakenpartner heeft het weleens over de inscriptietoeter die afgaat als hij ergens op een opgraving een steen ziet waarop wat woorden staan geschreven. Ik stuiter er dan meteen op af om foto’s te maken. Later zal ik er dan een nummer aan toevoegen uit de EDCS, de Epigrafische Database van de Duitse oudheidkundigen Manfred Clauss en Wolfgang Slaby, en als daar nog geen foto’s in staan, dan stuur ik die op. Meer dan eens gaat het om materiaal dat nog niet is gedigitaliseerd of zelfs volkomen onbekend was.

In januari heb ik iets van vierhonderd foto’s gestuurd en dat is mede doordat ik op een regenachtige ochtend in Sétif heb staan fotograferen in twee met inscripties gedecoreerde parken, de Jardin Emir Abdelkader en de wat kleinere Jardin Rafaoui. Daar zat ook de bovenstaande foto bij van een inscriptie die kort voor 1920 moet zijn ontdekt in wat toen nog Saint-Arnaud heette en tegenwoordig El-Eulma heet. Zoals u ziet heeft iemand de tekst van die inscriptie doorgestreept. Een damnatio memoriae.

Lees verder “Maximinus de Thraciër”

Historia Augusta (3): beschreven tijd

Septimius Severus (Museum van Makhtar)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de derde van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

Hoewel de tweede eeuw voor het Romeinse Rijk een bloeiperiode was, hebben we er betrekkelijk weinig literaire bronnen over. Dat alleen al maakt de keizerlevens van de Historia Augusta belangrijk, en we mogen van geluk spreken dat de primaire biografieën redelijk goed zijn. De oorlogen uit die tijd bedreigden het voortbestaan van het wereldrijk niet en er bestond een betrekkelijke welvaart. De burgers hadden vertrouwen in het muntstelsel, de allerrijksten stelden er een eer in de steden te verfraaien met openbare werken, de overheid benutte de belastingen om het leger op sterkte te houden, waardoor de rust bewaard bleef. Al deze factoren versterkten elkaar en droegen bij aan Romes succes.

Lees verder “Historia Augusta (3): beschreven tijd”