Talmoed

Johannesbroodboom

De Babylonische Talmoed is een enorme collectie rabbijnse wijsheid, die in de zevende eeuw na Chr. is samengesteld in het huidige Irak. Er moeten vele duizenden uitspraken over vele honderden onderwerpen in zijn opgenomen. Dat kan gaan over ogenschijnlijk triviale kwesties, zoals de vraag of een priester sandalen mag dragen als hij de zegen uitspreekt, en het is makkelijk belachelijk te maken, maar wie erom lacht heeft het niet begrepen. De boodschap is niet dat iedereen zich aan elke rabbinale beslissing moet houden; dat is onmogelijk. De boodschap is dat God in elke handeling, in ieder aspect van het menselijk leven, overal in het universum aanwezig is.

Dat was destijds nogal een stellingname. Dit was een tijd waarin menigeen dacht dat de kosmos het toneel was van een eeuwige strijd tussen God en de Duivel, zodat er delen van de kosmos waren waar het goede niet doordrong. Paraplutermen voor dit dualisme zijn gnosis, manichëisme en zoroastrisme: religieuze stromingen die elk meer of minder dualistisch waren, en rechtlijnig of minder rechtlijnig dachten. De rabbijnen moesten er niets van weten. De Eeuwige was overal. Punt.

Lees verder “Talmoed”

De meertaligheid der Romeinen

Romeinse meertaligheid: Latijns-Punische inscriptie uit Lepcis Magna (meer)

Deze week schrijf ik elke dag een stukje over, wel, de Romeinen. Ik zal zaterdag ingaan op het belang van re-enactment, dat voor velen een niet goed begrepen vorm is van wetenschapsvoorlichting, en ik wil zondag de vraag behandelen hoe de Romeinen ook na een eeuw of twintig nog relevantie zouden kunnen hebben – “What have the Romans ever done for us?

Op dat stukje vooruitlopend: de Romeinen waren altijd bereid dingen van anderen over te nemen en erkenden dat ook. Anders dan de Grieken, die bluften dat ze de dingen die ze overnamen beter deden, gaven de Romeinen hun culturele inferioriteit toe. Daarmee zetten ze een toon die in de Europese cultuur nog zou doorklinken tot in de zeventiende eeuw. Het Romeinse minderwaardigheidscomplex had als paradoxaal gevolg dat de romanisering van Anatolië en Syrië inhield dat de Griekse cultuur zich verspreidde.

Lees verder “De meertaligheid der Romeinen”

Hoezo limes? (2)

Loodbaar (Gallo-Romaans museum, Tongeren)

[Dit artikel verscheen oorspronkelijk op Historiek.net]

Heel bijzonder is de loodbaar die het Gallo-Romeinse Museum in Tongeren in 2009 aankocht. Dit zou wel eens een van de belangrijkste bewijsstukken kunnen blijken te zijn, maar vóór ik de implicaties behandel, een disclaimer. Er is inmiddels een wetenschappelijke publicatie, die ik echter niet te pakken heb kunnen krijgen tussen het moment waarop ik het verzoek kreeg dit te schrijven en de deadline. Het onderstaande dus met een slag om de arm.

De inscriptie luidt IMP. TI. CAESARIS AVG. GERM. TEC. De eerste woorden verwijzen naar keizer (imperator) Tiberius en diens titels caesar en augustus. Het laatste woord moet de afkorting zijn van een onbekend woord voor loodmijn en de puzzel zit in het voorlaatste woord: de mijn is in Germanië.

Lees verder “Hoezo limes? (2)”

Hoezo limes? (1)

Een wachttoren langs de Romeinse limes (in Duitsland)

Toen de Commissie-Van Oostrom in 2008 de Nederlandse canon presenteerde, was een van de gekozen “vensters” de grens van het Romeinse Rijk, de limes. Een dappere keuze, die niet voor de hand lag.

In de Nederlandse geschiedschrijving van de Oudheid staat immers al sinds mensenheugenis een ander thema centraal: de opstand der ‘Batavieren’. Anders dan de limes heeft dat onderwerp duidelijke sporen nagelaten in onze cultuur. Ik ken althans geen fietsmerk Limes, geen huize Limes, geen limesbier, geen limes-strip en ook geen limes-gevelsteentje. Wat ik maar zeggen wil: de limes is minder een aspect van het gedeelde Nederlandse verleden dan de Bataafse opstand.

Lees verder “Hoezo limes? (1)”

Joodse literatuur (epiloog)

De Mishnah

[Dit is het laatste stukje over de bronnen van mijn komende boek Israël verdeeld; het eerste is hier.]

In 70 na Chr. werd de tempel verwoest, waarmee de Joodse godsdienst werd beroofd van een van zijn twee traditionele zwaartepunten. Verschillende teksten, zoals 4 Ezra, 2 Baruch, 2 Henoch en JosephusJoodse Oorlog, dienden om in het reine te komen met deze catastrofe. Het andere zwaartepunt van de Joodse religie, het lezen van en discussiëren over de heilige schrift, werd echter niet wezenlijk aangetast door de ondergang van Jeruzalem. In de loop van de tweede eeuw legden rabbi’s de mondelinge uitlegtraditie van de farizeeën steeds vaker op schrift vast, een proces dat culmineerde in de optekening van de Mishna: een collectie van drieënzestig traktaten die bewees dat God niet vér van de Joden stond, maar in elk aspect van het dagelijks leven was te vinden. Latere optekeningen van de rabbijnse wijsheid zijn de Tosefta en de Palestijnse en Babylonische Talmoed.

Lees verder “Joodse literatuur (epiloog)”

Hoezo monotheïsme (slot)

Antiochos IV Epifanes (Bodemuseum, Berlijn)

[Dit is het laatste stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Ik beschreef dat het moeilijk valt vol te houden dat de joden monotheïsten waren en hun buren polytheïsten. Joden én veel heidenen neigden ernaar slechts één godheid te vereren en daarnaast een reeks lagere hemelingen te erkennen. Wel is het zo dat de joden monotheïstischer waren dan hun tijdgenoten.

Het eigenlijke verschil tussen joden en niet-joden ligt vermoedelijk niet bij de erkenning van niet-joodse goden of de beperking van het goddelijke tot één Allerhoogste, maar in de vorm van de verering. Het gaat er daarbij niet om dat de joden geen cultusbeeld hadden, hoewel dit aspect vaak in onze bronnen wordt vermeld. Dat was echter onvoldoende uniek om onderscheidend te zijn: de Nabateeërs, de Feniciërs en de Grieken hadden allemaal goden die ze niet afbeeldden. Van de oppergoden van Babylonië en Egypte, die aan het begin van onze jaartelling nog steeds werden vereerd, werd expliciet gezegd dat ze niet af te beelden waren – wat de Babylonische en Egyptische kunstenaars er overigens niet van weerhield het toch te doen.

Lees verder “Hoezo monotheïsme (slot)”

Hoezo monotheïsme? (3)

Henochs hemelvaart met het offer van Abel (Cappella Palatina, Palermo)

[Dit is het derde stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Hierboven beschreef ik dat de joden weliswaar zeiden maar één God te erkennen, maar dat er in de praktijk nogal wat andere hemelingen waren. De joden erkenden bovendien verzelfstandigde attributen van God. Daarover vandaag.

De geest van God wordt genoemd in oeroude teksten: deze garandeert dat een koning goed kan heersen en dat een profeet de waarheid spreekt, terwijl de geest van de waarheid volgens de (sektarische) Gemeenschapsregel vecht tegen de geest van het onrecht.

Lees verder “Hoezo monotheïsme? (3)”

Hoezo monotheïsme? (2)

Tempelberg, Jeruzalem

[Dit is het tweede stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Ik concludeerde vorige keer dat in het antieke jodendom – laten we zeggen tussen 165 v.Chr. en 70 na Chr. – de norm op zichzelf duidelijk genoeg was: de sjema, “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer alleen”. Er waren echter uitzonderingen. Een voorbeeld vinden we in 2 Makkabeeën, waarin we lezen dat soldaten van Judas de Makkabeeër na een gevecht de doden begroeven en ontdekten ze dat enkele gesneuvelden amuletten hadden gedragen van buitenlandse goden. De auteur van het tweede Makkabeeënboek is er zeker van dat deze overtreding van de norm de oorzaak was van hun dood en keurt dus af dat een jood zich plaatste onder de bescherming van andere goden. De gesneuvelden zelf, die toch hun leven voor de joodse zaak hadden geriskeerd, dachten daar evident anders over.

Ongeacht de norm van monotheïsme lijken de joden in de praktijk verdeeld te zijn geweest over de vraag of het vereren van slechts één god kon samengaan met de erkenning dat andere goden iets goeds voor je konden doen. De Theodotos en Ptolemaios die ik gisteren noemde, lijken in elk geval geen tegenspraak te hebben ervaren tussen hun joodse identiteit en hun heidense praktijk.

Lees verder “Hoezo monotheïsme? (2)”

Hoezo monotheïsme? (1)

Munt van Bar Kochba (Staatliche Münzsammlung, München)

We zullen nooit méér weten over Theodotos de zoon van Dorion en Ptolemaios de zoon van Dionysios dan dat ze hun Joodse identiteit trots vermeldden in de inscripties die ze hebben achtergelaten in een Egyptische tempel, gewijd aan de door-en-door Griekse godheid Pan. Ook al is de ene tekst slechts acht en de andere zes woorden lang, dit tweetal is belangrijk: ze bewijzen dat het niet waar is dat joden in de Oudheid slechts één godheid erkenden, hoewel dit in veel antieke bronnen staat en joodse auteurs hetzelfde beweren. Er zijn minimaal twee joden geweest die niet alleen het bestaan erkenden van Pan, maar er ook geen been in zagen de vreemde god te eren met een blijk van erkentelijkheid.

Vandaar mijn vraag: waren de joden in de Oudheid wel monotheïsten? Hierover zal ik de komende dagen bloggen. Het is minder simpel dan het lijkt. Ik zal het antwoord meteen verklappen: ik denk dat ze van alle antieke volken het meest monotheïstisch waren, maar de norm werd in de praktijk lang niet altijd gehaald.

Lees verder “Hoezo monotheïsme? (1)”

Taxila

Bhir Mound (Taxila)

In 2004 ben ik Alexander de Grote nagereisd en zo belandde ik in Taxila, de oude hoofdstad van de Punjab, waar de Macedonische koning 2329 jaar eerder was. Er is geen draad archeologisch bewijs voor zijn aanwezigheid: we weten alleen zeker dat een Europees leger door Pakistan is getrokken omdat onze bronnen redelijk goed passen bij wat we over het gebied weten. Er zijn echter – met uitzondering van wat mogelijk katapultkogels zijn – nooit Macedonische voorwerpen gevonden. Alexanders leger kwam, zag, overwon, trok verder en bleef nergens zó lang dat het bodemarchief er substantieel door veranderde.

Alexander was in april 326 v.Chr. in Taxila; negen maanden later waren de bewoners al tegen de Macedoniërs in opstand gekomen. De Griekse culturele invloed dateert van later tijd. In 184 trokken de legers van Grieks Baktrië over de Hindu Kush, en zij veroverden de Punjab. Daar bloeide een Grieks-boeddhistische cultuur op met een heel eigen vormentaal, waarover ik al eens blogde: de Gandara-kunst.

Lees verder “Taxila”